Consultatie ubo-register trusts en fondsen voor gemene rekening van start | Wwft

De Europese antiwitwasrichtlijn schrijft voor dat Angelsaksische trusts in bepaalde situaties ook in het ubo-register, het register van uiteindelijk belanghebbenden, worden opgenomen. De Nederlandse wetgever kiest er voor ook de uiteindelijk belanghebbenden (ubo’s) van fondsen voor gemene rekening in het ubo-register op te nemen. Op 17 april jl. is een wetgevingsconsultatie van start gegaan, die zal lopen tot 15 mei a.s. De conceptregeling staat hier en de memorie van toelichting is op deze locatie te vinden.

Het voorstel heeft betrekking op de Angelsaksische trust en op iets wat als ‘soortgelijke juridische constructie‘ wordt aangeduid en dat wordt in artikel 2, derde lid van het voorstel omschreven als een

bij overeenkomst of samenstel van overeenkomsten tot stand gebracht fonds zonder rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een onderneming of rechtspersoon als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, waarin de deelnemers vermogen bijeenbrengen dat voor gezamenlijke rekening wordt belegd of anderszins wordt aangewend ten behoeve van de uiteindelijk belanghebbenden van dat fonds, alsmede een juridische constructie die is opgenomen in de geconsolideerde lijst, bedoeld in artikel 31, tiende lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn.

De wet zal van toepassing zijn op trusts met een relatie met Nederland, aldus artikel 3 van het voorstel.

Voor de definitie van ‘ubo’ wordt in artikel 1 van het voorstel naar artikel 10a, eerste lid van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verwezen, maar dat artikel bestaat op dit moment nog niet. Dat artikel wordt door middel van het eerdere ubo-register wetsvoorstel, dat nu bij de Eerste Kamer ligt, in de Wwft opgenomen. Overigens staat in het toekomstige artikel 10a Wwft niets over de ubo van de trust of het fonds voor algemene rekening, daarvoor moet een amvb geraadpleegd worden.

Bij de trust en het fonds voor algemene rekening wordt een brede groep ubo’s aangewezen, waartoe meerdere personen kunnen behoren zonder economisch belang in fiscale zin.

 

Meer informatie:

  • Aankondiging van 17 april jl. van de wetgevingsconsultatie, die zal lopen tot 15 mei a.s.
  • De conceptregeling staat hier en de memorie van toelichting is op deze locatie te vinden.
  • Een overzicht van wetsvoorstellen en wetgevende plannen op het gebied van de Wwft is hier te vinden.
Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Ubo-register | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Nieuw wetsvoorstel wijzigt Wwft en Wtt 2018

Op 17 april 2020 is een nieuwe wet tot implementatie van de Europese antiwitwasrichtlijn bij de Tweede Kamer ingediend. Deze implementatiewet heeft onder meer  betrekking op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Wwft en op de Wet toezicht trustkantoren 2018 en draagt de naam Herstelwet financiële markten 2020.

Belangrijke elementen van het wetsvoorstel:

  • Voor juridische beroepsbeoefenaren is het wetsvoorstel van belang omdat de omschrijving van de Wwft-plichtige diensten van juristen wordt aangepast. Juristen zijn alleen voor specifiek aangewezen diensten Wwft-plichtig. De dienst inzake oprichten of beheren van vennootschappen komt volgens het voorstel als volgt te luiden “het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dan wel het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer daarvan“.
  • Het voorstel bevat de Europees voorgeschreven verlaging van de contantendrempel voor handelaren  van EUR 15.000 naar EUR 10.000.
  • Inzake de vergunningplicht van cryptopartijen wordt toegevoegd dat personentoetsing van de uiteindelijk belanghebbende van de onderneming moet plaats vinden.
  • Artikel 35 van de Wwft wordt aangevuld met de screening (“doorlichting”) van dagelijks beleidsbepalers van Wwft-plichtige ondernemingen.
  • In de Wet toezicht trustkantoren 2018 wordt opgenomen dat de uiteindelijk belanghebbende (ubo) van trustkantoren een personentoetsing zal ondergaan. Of dit praktische betekenis heeft, is de vraag, nu ik verwacht dat bij de kleinere trustkantoren de ubo ook beleidsbepaler zal zijn. Bij grotere trustkantoren is denkbaar dat er geen ‘echte’ ubo is, zodat de statutair bestuurders pseudo-ubo zijn. Zij worden als beleidsbepaler al getoetst.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Trustkantoren, Virtuele valuta | Tags: , , , , , , | 6 reacties

Witwasbestrijding in Duitsland | Geldwäschegesetz | AML, CFT

De witwasbestrijding is mislukt, wat niet alleen komt doordat het concept achter de regelgeving zoals bedacht door FATF en andere internationale clubs, niet klopt. De mislukking wordt ook veroorzaakt door de lappendeken van regels, ingewikkeld en snel wijzigend, verschillend van land tot land, met onvoldoende differentiatie naar type onderneming en door de slechte informatievoorziening.

In Nederland maakt het Ministerie van Financiën er een chaos van door de vele verschillende wetsvoorstellen en door essentiële begrippen niet in de wet op te nemen. Ook de informatievoorziening is zwak, op vele overheidswebsites is onjuiste, onvolledige en achterhaalde informatie aan te treffen.

GwG
Onlangs heb ik de Duitse witwasbestrijdingswet, de Gesetz über das Aufspüren von Gewinnen aus schweren Straftaten (Geldwäschegesetz), afgekort als GwG, waarvan een geconsolideerde versie per 1 januari 2020 hier is te vinden, doorgelezen.

Zoals het hoort staan de definities van uiteindelijk belanghebbende [§ 3] en de politiek prominente persoon (‘PEP’) [§ 1 (12)-(14)] gewoon in de Duitse wet. Ook zijn de bijlagen bij de 4e Europese anti-witwasrichtlijn over factoren die kunnen wijzen op een potentieel lager respectievelijk hoger risico als bijlagen (Anlagen) bij de wet opgenomen, overigens met dezelfde onduidelijkheden als in het Europese origineel, zoals “Eingang von Zahlungen unbekannter oder nicht verbundener Dritter“. Ook prettig is dat de Duitse wetgever het Angelsaksische ‘identificatie’ en ‘verificatie’ samenvoegt tot één begrip identificatie [§ 1 (3)]. Op diverse plaatsen in de GwG staat dat de aard en omvang van de door de onderneming te nemen maatregelen passend moeten zijn gelet op onder meer de aard en omvang van de ondernemingsactiviteiten, bijvoorbeeld in § 4 (1) en § 5 (1). De criteria op grond waarvan een ondernemer een melding moet doen (in Nederland heet dat de melding van een ‘ongebruikelijke transactie’), staat eveneens in de wet, zie § 43 (1).

Er zijn ook vele verschillen met de Nederlandse antiwitwaswet. Voor een gedetailleerde screening had ik geen tijd, maar mij viel wel op dat de Duitse stichting (Stiftung) hetzelfde wordt behandeld als de Angelsaksische trust [§ 3 (3)]. Misschien is daar bij de Stiftung een goede reden voor. Bij de Stiftung zijn alle begunstigden ‘uiteindelijk belanghebbende’ van de Stiftung, wat ook een groep natuurlijke personen kan zijn.

In § 6 (4) GwG is opgenomen dat als juristen, accountants, belastingadviseurs en dergelijke in loondienst (Angestellter) actief zijn, de verplichtingen met betrekking tot de Interne Sicherungsmaßnahmen van § 6 (1) en (2) GwG op de onderneming rusten en niet op de beroepsbeoefenaar, wat de vraag doet rijzen hoe het dan zit met partners. Zo te zien rust de meldplicht van § 43 wel op de beroepsbeoefenaar.

Voor juristen is er een opvallende uitzondering op de vrijstelling voor rechtsbijstand, nl. in situaties dat “der Verpflichtete weiß, dass die Rechtsberatung oder Prozessvertretung für den Zweck der Geldwäsche oder der Terrorismusfinanzierung genutzt wurde oder wird” (de ‘Verpflichtete‘ is de witwasbestrijdingsverplichte jurist), zie onder meer § 10 (9), § 43 § 43 en § 52 (5).

Sorgfaltspflichten
Het cliëntenonderzoek lijkt in de GwG als een zorgplicht te worden aangeduid. Zo lees ik in § 8 (1)  over de “die im Rahmen der Erfüllung der Sorgfaltspflichten erhobenen Angaben und eingeholten Informationen“.

Überwachung
Wat in het Nederlands ‘monitoring‘ van de cliënt wordt genoemd, heet in het Duits ‘Überwachung‘  (surveillance). Deze kernverplichting wordt in § 10 (1) 5. beschreven als:

die kontinuierliche Überwachung der Geschäftsbeziehung einschließlich der Transaktionen, die in ihrem Verlauf durchgeführt werden, zur Sicherstellung, dass diese Transaktionen übereinstimmen

a) mit den beim Verpflichteten vorhandenen Dokumenten und Informationen über den Vertragspartner und gegebenenfalls über den wirtschaftlich Berechtigten, über deren Geschäftstätigkeit und Kundenprofil und

b) soweit erforderlich mit den beim Verpflichteten vorhandenen Informationen über die Herkunft der Vermögenswerte;

Herkomst vermogen pseudo-ubo
De Duitse wetgever heeft zich gerealiseerd dat een onderzoek naar de herkomst van het vermogen van de pseudo-ubo niet zinvol is, zo leid ik uit § 15 (5) d) af. In Nederland zal dat onderzoek in voorkomende gevallen wel moeten plaats vinden.

Het economisch belang van de pseudo-ubo
In Nederland wordt nog geheimzinnig gedaan over hoe het economisch belang van een uiteindelijk belanghebbende zal worden bepaald als hij statutair bestuurder is. De Duitse wetgever merkt een leidende functie ook als economisch belang aan, zo valt in § 19 (3) te lezen. Daarin staat de opgave inzake de aard en omvang van het economisch belang (Art und Umfang des wirtschaftlichen Interesses) het aandelenbelang of omvang van het stemrecht tonen. Bij pseudo-ubo’s wordt de functie getoond. Dus kennelijk vertegenwoordigt een functie een economisch belang.

Het blijft voor mij raadselachtig waar dit goed voor is. Het nut van het registreren van statutair bestuurders zonder economisch belang lijkt mij te ontbreken. Zij horen als vertegenwoordigers gewoon in het handelsregister.

Buitenlanders in het Duitse ubo-register
§ 20 (1) GwG schrijft voor dat niet alleen Duitse rechtspersonen hun ubo’s moeten registreren bij het Duitse ubo-register. Die verplichting geldt ook voor “Vereinigungen mit Sitz im Ausland, wenn sie sich verpflichten, Eigentum an einer im Inland gelegenen Immobilie zu erwerben“, tenzij ze al in een ander ubo-register in de EU zijn geregistreerd.

Trusts
Het Nederlandse wetsvoorstel inzake registratie van uiteindelijk belanghebbenden bij trusts moet nog worden ingediend. In de Duitse wet is de registratieplicht voor Angelsaksische trusts al in § 21 van de wet opgenomen. De in deze paragraaf vermelde verplichtingen gelden ook voor bepaalde Treuhänder met Wohnsitz of Sitz in Duitsland.

Tot slot
Het bovenstaande is een greep uit wat ik tegen kwam.

Net als in Nederland veroorzaakt de Duitse antiwitwaswet een gigantische bureaucratie, die ondernemingen veel tijd en geld kost en waarschijnlijk weinig aan de bestrijding van criminaliteit zal bijdragen. Het zou goed zijn als het hele systeem ingrijpend op de schop ging.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Ubo-register | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Cliëntenonderzoek door de bank “Als je dan wilt controleren, doe het dan op tijd” | Wwft

Het gaat niet altijd goed bij het cliëntenonderzoek door banken. Lees bijvoorbeeld deze ervaring:

 

 

Meer op dit blog over Wwft-cliëntenonderzoek bij consumenten.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , | Plaats een reactie

Criminele corona-kansen | Wwft

Criminelen grijpen hun corona-kans, dat is de waarschuwing door FIU-Nederland gericht op ondernemingen die misdaad moeten opsporen [*] , zoals banken en accountants. FIU-Nederland meldt dat er een informatieblad is uitgegeven voor ondernemingen; helaas was het informatieblad op 16 april, toen ik het bericht zag, nergens te vinden.‬
Deze waarschuwing volgt op internationale activiteit, zoals van Europese bankentoezichthouder EBA, die liet weten dat banken niet mogen verslappen als het om bestrijding van criminaliteit gaat. Europol waarschuwt voor corona-criminaliteit.

Verscherpt
Alain Hoekstra en Wilbert Tomesen, verbonden aan het Huis voor Klokkenluiders, schreven in het FD het artikel De coronacrisis vraagt om verscherpte aandacht voor integriteit (betaalmuur). Van het woord ‘verscherpt’ krijg ik altijd een beetje de kriebel, maar ik ben het toch maar gaan lezen. In de eerste zin wordt gesuggereerd dat er iets nieuws aan de hand zou zijn, “Zorgen over de negatieve invloed van de coronacrisis op de ethiek en integriteit van organisaties nemen toe“, wat niet waar is, want criminelen gebruiken alles wat ze tegenkomen. Met een dergelijke tekst eindigt het verhaal eveneens. Veel nieuws is in het artikel niet te lezen, anders dan dat ethiek en integriteit belangrijk zijn, maar dat wisten we al. En dat commerciële belangen vaak de voorrang krijgen op andere belangen, zoals ethiek/integriteit. Ook dat is niet nieuw, want ook andere thema’s raken door commerciële belangen in de verdrukking, zoals: cybersecurity, lange termijn visie en de kwaliteit van de ondernemingsactiviteit. De auteurs zouden er goed aan doen om in het artikel te reflecteren op het probleem dat de strijd om financieel te overleven vaak het primaat heeft en op zoek te gaan naar een oplossing; maar dat doen ze niet. Jammer.

Niet-integere overheid
Intussen lijkt de overheid zelf niet integer te hoeven zijn. In De Groene verscheen op 14 april een bericht van Kim van Keken en Dieuwertje Kuijpers, Minister van der Steur deelde gevoelig convenant niet met de Kamer, waaruit blijkt dat de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden die nu in voorbereiding is een lange voorgeschiedenis heeft. Deze VVD-minister maakte in 2016 al vergaande afspraken met het bedrijfsleven over het delen van privacygevoelige data, zonder het parlement daar over te informeren. In dit stuk speelt de beveiligingsbranche een rol, daar is een andere prominente VVD’er, Tjibbe Joustra, voorzitter van de brancheorganisatie.

Diezelfde beveiligingsbranche speelt de hoofdrol in een ander artikel door dezelfde auteurs in hetzelfde tijdschrift, G4S bewaakt gevangenissen en trekt je oma haar steunkousen aan. Uit dat artikel blijkt dat beveiligingsmultinational G4S bezig is om overheidstaken over te nemen [**].

Tot slot
Het is tijd dat misdaadbestrijding slimmer wordt.

[*] Ik noem het ‘opsporen’, omdat dan duidelijk is wat het betekent. Officieel wordt het in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de Wwft, aangeduid als het ‘monitoren‘ van cliënten en het melden van vermoedens van criminaliteit (melden van ‘ongebruikelijke transacties‘). Door middel van de Wwft zijn opsporingstaken geprivatiseerd naar ondernemingen, die niet voor deze taak zijn toegerust. Een overzicht van Wwft-plichtige ondernemingen is bij FIU-Nederland te vinden.

[**] Ook illustreert het artikel hoe Europese aanbestedingen er toe leiden dat kleine en middelgrote partijen het onderspit delven. Dat is een beeld dat ik al langer heb. Grote ondernemingen kunnen zich veroorloven onder of tegen kostprijs aan te bieden en drukken zo kleine en middelgrote partijen uit de overheidsmarkt.


Aanvulling 18 april 2020
Bij Viditax is op 16 april jl. een bericht gepubliceerd over de aanwijzingen van FIU-Nederland. Het brondocument staat er niet bij.
De Duitse FIU waarschuwde op 3 april jl. voor corona-fraude in het artikel Warnung vor Betrugs- und Geldwäscheaktivitäten im Zusammenhang mit COVID-19 en noemt de volgende aanwijzingen:

  1. Voorgewende aanbiedingen inzake maskers en andere medische producten.
  2. Werven van mensen als agent voor zogenaamd dringende transacties en handel in verband met de corona-bestrijding.
  3. Gefingeerde oproepen voor donaties.
  4. Pogingen om bij banken krediet los te krijgen.
  5. Poging om vertrouwelijke gegevens los te krijgen via corona-mailberichten en CEO-fraude.
Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Strafrecht | Tags: , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

De risico’s van risicosturing | rapport De Bruijn en Teisman

In de witwasbestrijding en het financiële toezicht wordt door de wetgever en door de toezichthouders veel gesproken over risicoanalyse, risicoprofielen (per opdrachtgever maar ook op ondernemingsniveau), risicogestuurde (risk based) compliance respectievelijk audit en over risicogestuurd (overheids)toezicht. Een vermelding van organisatiekundige bronnen voor deze concepten ontbreekt volledig, waarover ik me al lange tijd verwonder. Want hoe kan je aan ondernemingen verplichtingen opleggen zonder een organisatiekundige basis.

Rapport “Prioritering bij toezichthouders”
Daarom  was ik onmiddellijk geïnteresseerd toen ik op de site van het CCV het rapport Prioritering bij toezichthouders. Een onderzoek naar risicogestuurd toezicht, geschreven door Ewald de Bruijn en Geert Teisman tegenkwam.

Het rapport heeft risicogestuurd toezicht bij de overheid als onderwerp, waarbij de auteurs negen onderdelen van vier toezichthouders hebben onderzocht. De bevindingen van de auteurs zijn ook interessant voor ondernemingen die zich met naleving van financieel recht of witwasbestrijdingsregels moeten bezig houden.

In het inleidende hoofdstuk worden maatschappelijke risico’s en de rol van de overheidstoezichthouder besproken aan de hand van literatuur over dat onderwerp. Een toenemende hoeveelheid regels en beheersmaatregelen zijn een gevolg van de behoefte om risico’s te beperken, ook wel de ‘risico-regelreflex’ genoemd. Het idee achter risicogestuurd toezicht wordt uitgelegd, alsmede de veronderstelling dat prioritering vooraf mogelijk is via risicoanalyses. Op die veronderstelling hebben de auteurs wel iets aan te merken:

De kern van risicogestuurd toezicht is het vooraf identificeren van risico’s. Dat blijkt in de praktijk niet eenvoudig. Risico’s zijn vaak niet te berekenen en slecht onderling te vergelijken. Sommige risico’s zijn stabiel en bekend, inclusief hun bronnen, zoals bij salmonella. We weten hoe schadelijk het is en wat mogelijke bronnen van besmetting zijn. Andere risico’s zijn nieuw en veranderlijk.

In het onderzoek wordt niet ingegaan op de effectiviteit van het risicogestuurde toezicht, omdat onvoldoende onderzoeksmateriaal beschikbaar is. Om die reden hebben de onderzoekers zich beperkt tot de wijze van prioritering en de tevredenheid van de medewerkers.

De Bruijn en Teisman maken een onderscheid tussen een gesloten en open aanpak bij de prioritering. In de samenvatting wordt dit onderscheid als volgt toegelicht:

In de gesloten aanpak worden risico’s afgeleid uit formele kennis, zoals wetenschappelijke rapportages en kwantitatieve data. Dit gebeurt vaak op een centraal niveau. Bij een gesloten aanpak worden risico’s kenbaar geacht: door meer informatie te verzamelen wordt onzekerheid weggenomen. Bij een open aanpak wordt gebruik gemaakt van impliciete kennisbronnen als expertise of ervaringen. Met inschattingen van professionals worden, vaak op een decentraal niveau, de prioriteiten bepaald. Risico’s worden in een open aanpak vaker als niet helemaal kenbaar beschouwd, maar door interactie kan de aard van het risico wel benaderd worden. Dat kan interactie met andere stakeholders buiten de toezichthouder zijn.

Vervolgens wordt geconstateerd dat bij complexe en ambigue risico’s vaak gekozen wordt voor een open aanpak. Als er veel politieke aandacht is, wordt er eerder een gesloten aanpak gekozen, in de veronderstelling dat de keuzes beter verantwoord kunnen worden. De auteurs constateren dat de interactie met externe partijen afneemt bij situaties van hoge politieke aandacht. Er zijn ook andere factoren bij de aanpak van de toezichthouder, onder meer:

  • Veronderstelt de overheidstoezichthouder een welwillende houding van de ondertoezichtgestelden of hun brancheorganisaties? Zo ja, dan spelen ze sneller een rol bij de prioritering.
  • Zijn de ondertoezichtgestelden een homogene groep? Zo ja, dan zal dat sneller tot een gesloten aanpak leiden.
  • Hebben de ondertoezichtgestelden eigen verplichtingen tot risicoprioritering? Als dat het geval is, is de kans op een open aanpak groter, waarbij de ondertoezichtgestelden worden betrokken bij de prioritering door de overheid.
  • De informatiebasis van de overheid speelt een rol. Hoe meer gegevens er zijn, des te eerder wordt door de overheidstoezichthouder voor een gesloten aanpak gekozen. Zo beschikt de Belastingdienst over zeer veel gegevens en kan de prioritering daardoor anders inrichten dan sommige andere toezichthouders.

De Bruijn en Teisman signaleren het risico dat een gesloten aanpak zelf bevestigend is en kan leiden tot schijninformatie, waarbij over het hoofd wordt gezien

dat sommige risico’s zich vanwege hun complexe aard slecht in informatiesystemen laten vangen

De auteurs bespreken ook de tevredenheid van prioriteitstelling bij de medewerkers van de overheidstoezichthouders. Bij complexe en ambigue risico’s blijkt de tevredenheid over prioriteiten in het algemeen beduidend lager te zijn. Als gebruik wordt gemaakt van impliciete kennis van medewerkers, zoals expertise en intuïtie, verhoogt dat de tevredenheid.

De lessen uit het onderzoek worden als volgt samengevat:

Het is juist de combinatie van slimme technieken, die passen binnen een gesloten aanpak, en professionele expertise die volgens ons ertoe leidt dat toezichthouders komen tot een prioritering waar werknemers tevreden mee zijn. De balans tussen het gebruik van slimme technieken en professionele expertise wordt nog weleens verstoord. De gekozen aanpak sluit dan mogelijk niet goed aan bij de risico’s waar een toezichthouder mee te maken heeft. We bevelen aan inspecties aan dat ze kunnen proberen inzichtelijk te maken waar professionele expertise noodzakelijk is voor de duiding en prioritering van risico’s. We bevelen eveneens aan dat toezichthouders kunnen (blijven) nadenken over hoe de inbreng van de werkvloer kan worden meegenomen bij gecentraliseerde prioritering. De derde aanbeveling luidt dat toezichthouders zich naar de toekomst kunnen gaan richten op het effectief mobiliseren van meerdere (semimaatschappelijke) partijen in de risicoprioritering. Vanwege een afnemende capaciteit en een groeiende complexiteit van risico’s is die ontwikkeling volgens ons een logische stap. We zien bovendien in de kwalitatieve studie dat met name bij complexe en ambigue risico’s partijen buiten de deur een grote rol kunnen spelen. We bevelen ook aan, ondanks dat dit samenvalt met hogere tevredenheid, dat inspecties kritisch kunnen blijven op risico’s die verplicht moeten worden opgevolgd volgens de wet. Een volgende aanbeveling is dat inspecties ook kunnen definiëren wanneer een risico niet langer prioritair is. Alhoewel die thematiek in onze studie niet uitvoerig is beschreven, ervoeren we wel tijdens de kwalitatieve studie dat evaluatie van prioriteiten nog vaak in ontwikkeling is. Tot slot bevelen we aan om nader onderzoek te doen naar de tevredenheid over prioriteiten en de betrokkenheid van diverse externe partijen in het prioriteringsproces.

In het rapport is ook terug te vinden dat er grote verschillen zijn in sectoren, die te maken hebben met het type regelgeving en het type ondernemingen dat zich aan de regels moet houden.

Risicogebaseerd handelen in het financiële recht
In het financiële recht en bij de witwasbestrijding ontbreekt het type reflectie dat in het hiervoor genoemde rapport is terug te vinden. Kenmerkend voor de witwasbestrijding is dat de groep van ondernemingen die zich aan de regelgeving moet houden zeer heterogeen is, terwijl zij in principe allemaal dezelfde verplichtingen hebben. Die verplichtingen zijn gebaseerd op een concept dat initieel is bedacht voor banken en vervolgens van toepassing is verklaard op alle andere witwasbestrijdingsplichtige ondernemingen. Voor zover  mij bekend is er nog nooit onderzoek gedaan naar de vraag of de regels begrijpelijk, hanteerbaar en proportioneel zijn voor alle ondernemingen die de witwasbestrijdingsregels moeten naleven.

Het zou goed zijn als onafhankelijk zou worden onderzocht of de witwasbestrijdingsregels wel hanteerbaar zijn voor alle verschillende groepen ondernemingen die onder de wet vallen en of de wettelijk vereiste risicoprioritering wel uitvoerbaar is voor iedereen.

Tot slot
Ik raad iedereen aan die zich met de risico-mantra’s van het financiële recht bezig houdt om dit rapport te lezen.

Geplaatst in Bestuursrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Weer een lijstje van witwaskenmerken | AMLC, Wwft

Het overheidssamenwerkingsverband Anti Money Laundering Centre (AMLC) heeft bekend gemaakt dat een nieuw overzicht van kenmerken van witwassen is samengesteld dat hier (pdf) is te vinden.

Hoewel AMLC het overzicht algemeen bekend maakt, lijkt het er op dat ondernemingen die betrokken zijn bij de misdaadbestrijding op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) er niet veel aan hebben. Dat is teleurstellend, nu er volgens de site van AMLC [*] wordt samengewerkt met Wwft-plichtige ondernemingen zoals banken, accountantskantoren en notarissen.

Jammer genoeg spreekt AMLC in afwijking van de Wwft-terminologie over ‘witwasindicatoren‘, zie de toelichting aan het slot van dit artikel. AMLC deelt de kenmerken in drie categorieën in:

  1. Witwastypologieën, deze worden volgens AMLC internationaal vastgesteld door FATF en nationaal door FIU-Nederland.
  2. Feiten van algemene bekendheid.
  3. Overige kenmerken.

Ten aanzien van de eerste categorie vraag ik me af welke status dergelijke ‘typologieën’  hebben nu FATF een niet-democratische organisatie is waarop geen onafhankelijke controle wordt uitgeoefend, laat staan dat hun bevindingen wetenschappelijk worden getoetst. FIU-Nederland speelt als meldpunt een belangrijke rol in de Nederlandse witwasbestrijding, maar of dat betekent dat zij goede typologieën kunnen opstellen, is de vraag.

Het zijn geen ‘typologieën’ 
Het woord ‘typologieën’ is een te mooi woord voor het lijstje van voorbeelden dat op pagina 2 en 3 van de AMLC-publicatie is te vinden. Vaak betreft het conclusies die zijn getrokken op basis van feiten die niet worden vermeld. Een en ander maakt een willekeurige indruk. Enkele aantekeningen bij wat ik las:

  • Het onderhouden van contacten met personen met criminele antecedenten wordt als witwaskenmerk aangeduid (pagina 2, eerste kolom, twee na laatste bullet). Dus dat betekent dat alle familieleden van criminelen zelf ook vermoed worden crimineel te zijn? En is dit iets wat een Wwft-plichtige kan zien? Ik begrijp dat de opsporing zo denkt, maar dit is geen witwaskenmerk en het is ook nog gevaarlijk voor onschuldige mensen.
  • Een kenmerk is dat het kennelijk de bedoeling was de meldgrens te ontduiken (pagina 2, tweede kolom, tweede bullet). Wordt daarmee de Wwft-meldgrens bedoeld? En zo ja, uit welke feiten kan dit worden afgeleid? Wat hier staat is een conclusie.
  • Bij het voorbeeld van wisselen van Britse en Schotse ponden buiten de VK (pagina 2, tweede kolom, zevende bullet) kan de vraag worden gesteld waarom dat alleen voor Britse en Schotse ponden zou gelden en niet voor ander valuta.
  • Ontbreken van een bedrijfseconomisch doel wordt vaak als witwaskenmerk genoemd, zelfs zonder enige feitelijke toelichting (pagina 2, tweede kolom, laatste bullet). Welke zin heeft het om dit apart te noemen?
  • Een taalbarrière wordt als aanwijzing voor criminele geldstromen genoemd (pagina 3, tweede kolom, tweede bullet). Merkwaardig, zeker als in de vierde bullet wordt gesproken over ‘versluierd taalgebruik’.

Het valt op dat de auteurs geen enkele moeite hebben gedaan om de voorbeelden systematisch te ordenen en dat de uitleg veel te summier is.

Wwft-plichtigen hebben er niets aan, onder meer omdat een en ander niet vanuit de optiek van de Wwft-plichtige onderneming wordt benaderd, en omdat niet wordt aangegeven wat een bepaalde Wwft-plichtige zou kunnen waarnemen.

Kenmerken
Op pagina’s 4 tot en met 7 worden feiten van algemene bekendheid en overige indicatoren opgesomd. Hier is wel sprake van een vorm van rubricering, waarbij contanten de hoofdrol spelen. Opmerkelijk is dat als feit van algemene bekendheid wordt genoemd:

Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen die leven van een uitkering hiervan vaak net rond kunnen komen.

Hopelijk betekent dat niet dat alle uitkeringstrekkers potentiële witwassers zijn. Apart is dat de mogelijkheid van misbruik van derdengeldenrekeningen van notarissen en advocaten genoemd wordt als ‘feit van algemene bekendheid’ [**]. Betekent dit dat dit zeer vaak voorkomt en alle advocaten en notarissen met argwaan moeten worden bekeken?

Humoristisch is deze:

Het is een feit van algemene bekendheid dat grote bedragen aan genoten contanten moeten worden verantwoord in de belastingaangifte, ook als het gaat om inkomsten uit criminele activiteiten.

Dit is natuurlijk geen feit van algemene bekendheid, maar een wettelijke verplichting. Foutje van de rechter?

Wat mij betreft kunnen deze zogenaamde ‘feiten van algemene bekendheid’ worden vervangen door één ‘feit’: het is van algemene bekendheid dat criminelen overal misbruik van kunnen maken.

Tip voor het AMLC: het is niet verstandig om teksten uit individuele uitspraken over te nemen in opsommingen als deze.

Onder de overige kenmerken staat het nodige dat vragen oproept, zoals bij ‘leningen’ (pagina 6, tweede kolom):

  • Kan je zeggen dat iedere lening verstrekt door een niet bij de AFM geregistreerde verstrekker, respectievelijk een niet-financiële instelling verdacht is?
  • Hoe komt AMLC er bij dat het ontbreken van een schriftelijke leningovereenkomst en ontbreken van een (reële) zekerheid per definitie aanwijzingen zijn voor criminaliteit? Hier hoort bij (net als bij sommige andere genoemde voorbeelden) dat een en ander gelet op de omstandigheden niet voor de hand ligt. Zo worden kleine leningen binnen familieverband vaak zonder schriftelijk contract of zekerheid verschaft.

Kwaliteitsverbetering hoog nodig
Al met al blijf ik het document een rommelig en onoverzichtelijk geheel vinden, waarvan ik me afvraag wie bij de ‘echte’ opsporing er iets aan heeft. Het document is in ieder geval ongeschikt voor algemene verspreiding.

Wwft-plichtigen kunnen er vanwege de onsystematische opbouw en het ontbreken van een behoorlijke toelichting niets mee. Behalve natuurlijk in het kader van symbolische ‘ik doe mijn best‘ activiteiten richting toezichthouder. De private criminaliteitsbestrijding wordt niet gediend door dit soort documenten.

Hinderlijk is dat de publicatie van AMLC een van de vele is,  daar schreef ik al eerder over. In de witwasbestrijding regent het lijstjes en overzichten van allerlei overheidsachtige instanties die kennelijk hun bestaansrecht proberen te bewijzen met ad hoc op basis van strafzaken geproduceerde willekeurige voorbeelden van financieel-economische criminaliteit.

Het is hoog tijd dat de witwasbestrijdingspublicaties naar een aanzienlijk hoger plan worden getild.

Wettelijke betekenis van witwasindicatoren
In een eerder artikel schreef ik al dat in de wet het begrip ‘indicator‘ een specifieke betekenis heeft.

In de huidige Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is volgens artikel 1 lid 1 een “ongebruikelijke transactie” een transactie die op grond van de indicatoren bedoeld in artikel 15, eerste lid Wwft, als ongebruikelijk is aan te merken. Vervolgens verwijst artikel 15 Wwft naar ‘indicatoren’ die bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Die indicatoren kunnen in de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 worden gevonden. Deze indicatoren verschillen per type Wwft-plichtige. Een voorbeeld is dat voor notarissen op dit moment de volgende ‘indicatoren’ gelden:

* Een transactie waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme.
* Een transactie voor een bedrag van €10.000,– of meer, betaald aan of door tussenkomst van de instelling in contanten, met cheques aan toonder, een vooraf betaald betaalinstrument (prepaid card) of soortgelijke betaalmiddelen.

 

Noten
[*] AMLC schrijft op de site dat het een kennis- en expertisecentrum is waar publieke en private partijen nationaal en internationaal samenwerken om witwassen te bestrijden. De publieke partners zijn onder andere de politie, het Openbaar Ministerie, de Financial Intelligence Unit (FIU), toezichthouders, de FIOD en overige bijzondere opsporingsdiensten. De private samenwerkingspartners zijn onder andere banken, accountantskantoren en notarissen.
[**] Overigens wordt mij uit de betreffende uitspraak niet duidelijk welke betekenis dat ‘feit van algemene bekendheid’ had in de strafzaak. Uit de overwegingen blijkt dat de betreffende (ex-)notaris welbewust aan betalingsverkeer heeft meegewerkt zonder dat er een goede juridische grondslag is. Het hof concludeert “Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte willens en wetens hieraan medewerking heeft verleend. Hij heeft slechts gefungeerd als ‘bankier’ voor de [medeverdachte 1]“.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , , , | 1 reactie

Analyse van 10 jaar onderzoek naar digitalisering rijksoverheid | Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer maakte bekend een analyse te hebben gemaakt van de onderzoeken naar digitalisering bij de rijksoverheid. De Rekenkamer constateert herhaaldelijk “dat de gestelde ambities niet goed in balans zijn met de mensen, middelen en organisatie”. De rijksoverheid staat dus voor een flink uitdaging.

Het nieuwsbericht van de Algemene Rekenkamer met vindplaatsen luidt:

Analyse van 10 jaar onderzoek naar digitalisering rijksoverheid
Nieuwsbericht | 18-03-2020 | 00:00

Met een analyse in de vorm van enkele factsheets trekt de Algemene Rekenkamer op 18 maart 2020 rode draden uit eigen onderzoek dat de afgelopen 10 jaar heeft plaatsgevonden naar digitalisering en de inzet van ICT bij de rijksoverheid.

Onder de titel Grip op digitalisering heeft de Algemene Rekenkamer deze informatie onder meer naar de Tweede Kamer gestuurd. Daar werkt momenteel de Tijdelijke Commissie Digitale Toekomst aan handvatten voor het parlement hoe om te gaan met vraagstukken over de voortschrijdende digitalisering.
In de factsheets komen onder meer aan de orde: het centraal stellen van gebruikers van ICT, het realiseren van digitale doelstellingen en het goed kunnen controleren van de digitalisering bij de rijksoverheid.
Op de online factsheet van Grip op digitalisering kan doorgeklikt worden naar de onderliggende onderzoeksrapporten.

Publicaties

Grip op digitalisering: rode draden uit tien jaar Rekenkameronderzoek. Kamerstuk: Kamerbrief | 18-03-2020
Factsheets: Grip op digitalisering: rode draden uit tien jaar Rekenkameronderzoek. Publicatie | 18-03-2020

Geplaatst in Bestuursrecht, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , | Plaats een reactie

Digitale monitoring van werknemers en robotisering van de mens | Rathenau Instituut

Het Rathenau Instituut waarschuwt voor doorgeschoten monitoring op werkvloer, zo is op de site te lezen. Er wordt voor ‘robotisering‘ van de mens gewaarschuwd:

Digitale middelen zijn er om ons te ondersteunen in ons werk en moeten geen robot maken van de werkenden. Het instituut vraagt werkgevers, werkenden en de overheid grenzen te stellen aan digitale hulpmiddelen.

Nu maar hopen dat het helpt. Meer informatie is te vinden in het rapport (pdf). Als dat te veel van het goed is, zijn er ook een samenvatting, een conclusie en aanbevelingen te vinden via de aankondiging.

Robotisering van de mens is iets wat ik al een hele tijd aan zie komen,

 

Geplaatst in Arbeidsrecht, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , | Plaats een reactie

Bureau Financieel Toezicht verbetert voorlichting aan administratiekantoren en reageert op signalen uit de strafrechtketen | jaarverslag 2019, Wwft

Onlangs heeft het Bureau Financieel Toezicht (BFT) het jaarverslag 2019 uitgebracht. Na een inleiding bespreek ik elementen uit dat verslag.

Achtergrond
BFT is de overheidsinstantie die verantwoordelijk is op het toezicht op bepaalde bedrijven, die criminaliteit moeten opsporen [*]. Deze verplichting is gebaseerd op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en geldt voor een groot aantal ondernemingen. BFT houdt toezicht op de Wwft-naleving door:

  • notarissen;
  • accountants;
  • belastingadviseurs;
  • administratiekantoren.

Tussen deze Wwft-plichtigen zitten grote verschillen.

Notarissen zijn bij financiële transacties betrokken doordat zij het betalingsverkeer verzorgen bij de overdracht van aandelen en van vastgoed. Notarissen hebben meestal geen permanente relatie met degenen die de transacties doen. De Wwft-rol van de notaris heeft betrekking op de transacties waarbij de notaris betrokken is.

Bij accountants, belastingadviseurs en administratiekantoren ligt dat anders. Zij zijn niet bij financiële transacties betrokken. Kenmerkend voor hun rol is dat zij betrokken zijn bij het samenstellen van administraties (accountants, administratiekantoren), controle van de jaarrekening (accountants, als het middelgrote en grote rechtspersonen betreft) en bij de belastingaangifte (waarbij zowel zelfstandige belastingadviseurs als accountants- en administratiekantoren betrokken kunnen zijn). Van deze groep Wwft-plichtigen wordt verwacht dat zij criminele transacties ontdekken in de administratie van hun klanten. Dat is niet simpel, al doet de Nederlandse overheid alsof dat een makkelijke taak is voor deze ondernemingen.

Voorlichting aan administratiekantoren
Al eerder signaleerde ik op dit blog (onder meer 1, 2) dat veel administratiekantoren niet op de hoogte zijn van het bestaan van de Wwft. Voor deze groep ondernemingen is het een onbegrijpelijke en ingewikkelde wet.

Het is positief dat in het jaarverslag 2019 is vermeld dat BFT er toe is overgegaan om na te gaan welke administratiekantoren er zijn en hen aan te schrijven en te informeren over de Wwft. BFT zal het adressenbestand aan administratiekantoren jaarlijks updaten en de nieuwe kantoren eveneens aanschrijven. Een en ander neemt echter  niet weg dat BFT verplicht is om rekening te houden met de mogelijkheden die deze kleine ondernemingen hebben om de Wwft na te leven. De aan hen te stellen eisen dienen wel proportioneel en menselijk te zijn.

Uit het jaarverslag blijkt dat BFT met deze groep communiceert via een digitaal systeem dat als ‘Digin Wwft’ wordt aangeduid.

Het is positief dat de overheid eindelijk zorgt voor betere voorlichting aan ondernemingen.

Uitbesteding aan brancheorganisaties
BFT probeert de eigen taken zoveel mogelijk aan brancheorganisaties zoals SRA en RB uit te besteden, zo volgt uit het jaarverslag 2019.

Hobbyen met terrorismefinanciering
In het jaarverslag 2019 komt een passage voor over een terrorismefinancieringsbestrijdingsproject van FEC, een samenwerkingsverband van toezichthouders, waaraan BFT deelneemt. Welke relevantie die deelname voor het toezicht door BFT heeft, is raadselachtig. Uit het jaarverslag blijkt niet dat BFT hiermee haar Wwft-plichtigen van nuttige informatie heeft kunnen voorzien.

Overigens kan terrorisme met zowel legale als illegale middelen gefinancierd worden (dus het bestaat niet, lees onder meer dit) en blijf ik er bij dat Wwft-plichtigen niet in staat zijn die financiering op te sporen, tenzij zij een lijst van vermoedelijke terroristen krijgen, zoals bij banken gebeurt.

Zo op het eerste gezicht lijkt me dat BFT de tijd nuttiger kan besteden.

Reageren op signalen
BFT stelt onderzoek in bij haar Wwft-plichtigen, als zij vanuit overheidinstanties die zich bezig houden met opsporing, zoals belastingdienst, FIOD, politie en Openbaar Ministerie, signalen ontvangt dat klanten van Wwft-plichtigen bij criminaliteit betrokken zijn.

Deze toezichtsonderzoeken kunnen leiden tot strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vervolging van Wwft-plichtigen als zij de wet niet goed hebben nageleefd. Overigens zie ik in de rechtspraak dat criminele administratiekantoren vaak op een hoop worden gegooid met administratiekantoren die de Wwft niet goed snappen.

Uit het jaarverslag blijkt dat in een aantal gevallen BFT de Wwft-plichtigen attendeert op mogelijke criminelen in het klantenbestand en hen in staat stelt om alsnog na te gaan of er ongebruikelijke transacties zijn geweest en indien dat het geval is deze te melden. Dergelijke acties worden door BFT als ‘schriftelijk toezichtbezoek’ aangemerkt en kunnen leiden tot meer  bewustwording bij de desbetreffende Wwft-plichtigen. Eigenlijk is dit ook een variant op de voorlichting die ik hiervoor besprak. Ik beschouw dit als positief, omdat er niet meteen sancties worden opgelegd en ondernemers in staat worden gesteld een leerproces door te maken.

Risicobeleid en -management
Een onderwerp waar ik altijd nieuwsgierig naar ben is het nut van artikelen 2b en 2c Wwft, die aan alle Wwft-plichtigen, ook eenmanszaakjes, voorschrijven dat zij over risicomanagement dienen te beschikken, alsmede over “gedragslijnen, procedures en maatregelen om de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme en de risico’s die zijn geïdentificeerd in de meest recente versies van de supranationale risicobeoordeling en de nationale risicobeoordeling te beperken en effectief te beheersen” (risicobeleid). Mij lijkt dat dit voor MKB-ondernemingen pure flauwekul is en dat de overheid eens moet stoppen met dit toneelstuk.

In het jaarverslag 2019 roept BFT dat zij risicomanagement en -beleid belangrijk vindt (op grond waarvan? Alleen omdat het in de wet staat?) Gelukkig heeft BFT in 2019 hier alleen naar gevraagd bij grote en middelgrote accountantskantoren. Van die kantoren mag worden verwacht dat zij op grond van hun eigen beroepsregels al over documenten inzake risicobeleid en -management beschikken, al blijf ik nieuwsgierig of het meer is dan de bekende mantra’s, die ook bij BFT zijn terug te vinden.

BFT kondigt aan dat in 2020 navraag zal worden gedaan naar risicobeleid en -management bij twintig grote en middelgrote belastingadvieskantoren.

Cijfers
BFT bespreekt in het jaarverslag 2019 tot slot enige cijfers. Bij accountants en notarissen is er een stijging van de meldingen van de ongebruikelijke transacties. Daaruit trekt BFT de ongefundeerde conclusie dat de bewustwording bij die beroepsgroepen zou zijn toegenomen. Die toename van de meldingen zou ook een andere oorzaak kunnen hebben, bijvoorbeeld een andere informatiepositie of een betere kennis van criminele praktijken.

De voorlichting aan administratiekantoren heeft er toe geleid dat er extra Wwft-plichtigen uit die groep zich hebben geregistreerd als melder bij FIU-Nederland, zo schrijft BFT. Het geeft aan hoe belangrijk goede overheidsvoorlichting is.

BFT bespreekt het aantal meldingen door Wwft-plichtigen, waarbij de indruk wordt gewekt dat veel meldingen een succes voor BFT betekent. Dat is uiteraard niet het geval. Het doel van de Wwft is te zorgen dat via de meldingen strafbare feiten in een vroegtijdig stadium bij politie en justitie terecht komen en dat de criminaliteit afneemt. Het is dus belangrijk dat de kwaliteit van de meldingen goed is. Verder is interessant of Wwft-plichtigen wel in staat zijn om criminaliteit te onderkennen. Daar schrijft BFT niet over.

Ik blijf er bij dat Nederland en Europa met de Wwft-bureaucratie op de verkeerde weg zijn. De bureaucratie brengt hoge kosten met zich mee en lijkt niet effectief als het gaat om bestrijding van criminaliteit.

 

[*] Ik noem het ‘opsporen’, omdat dan duidelijk is wat het betekent. Officieel wordt het ‘monitoren‘ van cliënten en het melden van vermoedens van criminaliteit (melden van ‘ongebruikelijke transacties‘) genoemd.

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie