Eind september jl. maakte het gerechtshof Den Haag bekend dat er een tussenuitspraak is gedaan in de door Privacy First aanhangig gemakte procedure over de over rechtmatigheid van kentekenherkenning, oftewel Automatic Number Plate Recognition (ANPR). Het hof schrijft:
Op grond van artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering is het mogelijk om met behulp van de techniek van Automatic Number Plate Recognition (ANPR) kentekengegevens van voertuigen voor een periode van vier weken vast te leggen. Er staan in Nederland op ten minste 1.176 locaties een of meer camera’s waarmee deze techniek wordt toegepast. De politie kan deze opgeslagen gegevens gebruiken bij de opsporing van strafbare feiten.
Vorderingen Privacy First
Privacy First verzet zich tegen automatische kentekenherkenning en betoogt dat dit in strijd is met het recht op privacy. Bij de rechtbank vorderde zij dat de regeling buiten werking zou worden verklaard. De rechtbank wees dit af. Bij het hof vordert Privacy First dat wordt vastgesteld dat de regeling onrechtmatig is en dat het de Staat wordt verboden om de verzamelde gegevens te gebruiken totdat die onrechtmatigheid is opgelost.Nadere onderbouwing Staat nodig
Het hof wijst nu een tussenarrest omdat de Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat de inbreuk op het recht op privacy noodzakelijk is in een democratische samenleving. De Staat moet daarom nadere informatie verschaffen over de betekenis van de opgeslagen kentekengegevens voor de opsporing van strafbare feiten. Daarbij moet de Staat onder meer toelichten hoe vaak deze gegevens een belangrijke rol hebben gespeeld en waarom een bewaartermijn van vier weken noodzakelijk is.Verdragsrechtelijke bescherming van recht op privacy
Op twee punten komt het hof nu al tot een oordeel. In de eerste plaats moet de keuze om op een bepaalde locatie een camera te plaatsen, onderworpen zijn aan onafhankelijk toezicht. In de tweede plaats moet het gebruik van de opgeslagen gegevens slechts mogelijk zijn na een voorafgaande toetsing door een rechter. Op deze punten voldoet de huidige regeling, althans de uitvoering daarvan, niet aan de verdragsrechtelijke bescherming van het recht op privacy.
Privacy First becommentarieert de uitspraak in dit artikel en constateert onder meer dat de uitspraak van het hof potentieel verstrekkende gevolgen heeft voor de opsporingspraktijk en het wetgevingskader rondom geautomatiseerde gegevensverwerking.
Het is bijzonder dat het hof – anders dan de rechtbank (die de vorderingen van Privacy First afwees) – oor heeft gehad voor de kritiek van de burgerrechtenorganisatie.
Afgewacht moet worden hoe de zaak verder verloopt. Dit is nog geen einduitspraak en mogelijk kan er tegen de tussenuitspraak cassatie worden ingesteld.


