Chatbots bij de klantenservice zijn een ramp – grijp je kans om dat aan ACM en AP te melden

Chatbots zijn een ramp, ze zijn dom, kunnen niet lezen en hebben nooit de juiste antwoorden (behalve op simpele vragen die al op de site van de organisatie beantwoord worden).
Als je zin hebt om aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) duidelijk te maken dat de chatbots onder de maat zijn, doe dan mee aan de consultatie die de ACM hier aankondigt.

De ACM schrijft:

Wij zijn geïnteresseerd in alle inzichten over chatbots voor de publieke en private dienstverlening.
Wat gaat er goed met chatbots?
Waar zitten risico’s?
En wat moeten organisaties echt goed regelen?
Wij zijn vooral benieuwd naar uw ideeën over:

  • duidelijke uitleg aan gebruikers (transparantie)
  • juiste en betrouwbare antwoorden
  • de rol van menselijk contact
  • toegankelijkheid voor iedereen
  • veilig omgaan met gegevens

Ook horen we graag uw visie op nieuwe ontwikkelingen, zoals slimme en zelfstandige AI-systemen, en andere inzichten die u wilt delen.

De consultatie moet leiden tot een leidraad voor verantwoord gebruik van chatbots bij klantenservice en publiekscommunicatie, die ook geconsulteerd zal worden.

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , | Plaats een reactie

HvJ-uitspraak in Slowaakse zaak over verificatie van de ubo door een advocaat

Het Europese hof deed uitspraak in een Slowaakse zaak [1] over het op grond van het aanbestedingsrecht registreren van een uiteindelijk begunstige (‘ubo’) in een nationaal ubo-register (‘RPPS’). Uit de tekst blijkt dat de identiteit van de ubo door een notaris of advocaat moet worden geverifieerd. In de behandelde zaak zou daarmee iets fout zijn gegaan, waardoor zowel de rechtspersoon, de bestuurders van de rechtspersoon als de advocaat die had geverifieerd een boete kregen.

Die boete werd opgelegd omdat de boete opleggende overheidsinstantie van mening was dat de advocaat onvoldoende onafhankelijk was (‘tegenstrijdig belang regeling’). (Terwijl de registratie correct was verricht! [2])

De zaak kwam bij het Europese hof terecht, die onder meer constateert dat Slowakije twee ubo-registers kent met verschillende ubo-definities.

Het inhoudelijke geschil gaat over de oplegging van de boete. Het hof oordeelt dat het Europese recht zich niet verzet tegen de tegenstrijdig belang regeling en ook niet tegen het opleggen van een geldboete [3]. Wel heeft het hof bezwaar tegen een geldboete die niet rekening houdt met de omstandigheden [4].

Die omstandigheden zijn hier relevant, aangezien de advocaat betrokken was bij een slapende onderneming samen met iemand die bij de rechtspersoon betrokken was [5]. Mogelijk had de advocaat dat over het hoofd gezien.

De zaak maakt duidelijk dat het financiële recht bikkelhard is.

 

Noten:

[1] Zaak C-590/24, EUR-Lex: uitspraak, verzoek prejudiciële beslissing; curia: uitspraak in het Nederlands, verzoek prejudiciële beslissing in het Nederlands, Engels.

[2] In paragraaf 24 van het verzoek overweegt de verwijzende rechter: “In het bijzonder is in de onderhavige zaak niet aangetoond of gesteld dat de in het RPPS opgenomen gegevens van de uiteindelijk begunstigde van de partner van de publieke sector (die cruciaal worden geacht voor de transparantie over vermogensrechtelijke betrekkingen in de publieke sector) onjuist of onvolledig waren. Alleen de onpartijdigheid van de bevoegde persoon wordt in twijfel getrokken.“.

[3] “1) Artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het rechtszekerheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in een register van partners van de publieke sector, die inschrijving niet mag verrichten indien de betrekkingen die hij met de partner van de publieke sector onderhoudt twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, in het bijzonder wegens persoonlijke of vermogensrechtelijke banden met die partner van de publieke sector, zonder dat andere criteria zijn gepreciseerd aan de hand waarvan die onpartijdigheid kan worden beoordeeld en terwijl de niet-naleving van dit vereiste van onpartijdigheid tot de oplegging van een sanctie van strafrechtelijke aard leidt, voor zover die bevoegde persoon en die partner van de publieke sector, gelet op de bewoordingen van die nationale regeling en de uitlegging ervan op basis van de gebruikelijke methoden van uitlegging van het recht door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, in staat zijn om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen welk handelen of nalaten tot hun strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden.
2) Artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het rechtszekerheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die, in geval van niet-naleving van het vereiste van onpartijdigheid dat is opgelegd aan de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in het register van partners van de publieke sector, enkel bepaalt dat aan die vennootschap een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder de parameters te preciseren aan de hand waarvan dat voordeel kan worden vastgesteld, voor zover die parameters voortvloeien uit een gebruikelijke methode van uitlegging van het recht die door de bevoegde nationale rechterlijke instanties wordt toegepast, zodat die vennootschap in staat is om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen aan welke sancties zij zich in geval van schending van die regeling blootstelt.

[4] “3) Artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij aan een vennootschap die deze regeling heeft geschonden automatisch een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder dat de bevoegde autoriteit bij de vaststelling van het bedrag van die geldboete rekening kan houden met enige omstandigheid die verband houdt met de niet-nakoming van de verplichting in kwestie. Daarentegen moet artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in de oplegging van een geldboete met een onder- en bovengrens, mits de bevoegde autoriteit in het bijzonder rekening houdt met de aard, de ernst, de wijze en de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting in kwestie.

[5] “Verzoekende partijen stellen dat hoewel A.B. en J.D. in 2012 samen een vennootschap (onder de naam Prvá dražobná spoločnosť, s.r.o.) hadden opgericht, zij in de procedure wel hebben aangetoond dat deze vennootschap geen economische activiteiten uitvoerde (geen belastbare transacties verrichtte, geen facturen opstelde, geen bankrekening had) en dat het doel waarvoor zij was opgericht, niet is gerealiseerd. (…) In de hogerberoepsprocedure voeren verzoekende partijen aan dat zij zich ten tijde van inschrijving in het RPPS te goeder trouw aan de uitlegging van de wet hebben gehouden, geen gronden voor subjectieve onpartijdigheid hebben gevonden, en dat zij de betrekkingen tussen A.B. en J.D. – met het oog op de economische inactiviteit van de door hen opgerichte vennootschap – als een formele relatie hebben beschouwd.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Ubo-register | Tags: , , , | Plaats een reactie

Europese Commissie consulteert over veilige communicatie in de strafrechtketen – de burger heeft geen recht op veilige communicatie

De Commissie kondigt een consultatie tot en met 14 mei aan over veilige communicatie in de strafrechtketen:

The proposal would establish an IT solution offering a secure and efficient data exchange mechanism for EU Member States and, potentially, EU agencies and bodies relevant to the fight against cross-border crime.

Wat ik nooit begrijp: waarom werken overheden aan veilige onderlinge communicatie (het bovenstaande is maar één van de voorbeelden)

en vindt diezelfde overheid dat de burgers maar van onveilige communicatiemiddelen gebruik moeten maken [*] zodat criminelen alle mail kunnen lezen (en ook geheime diensten en vijandige staten).

Snappen jullie het?

 

[*] Recent voorbeeld is de nieuwste klacht van Europol over messaging (end-to-end versleutelde apps), in hun langlopende campagne tegen veilig communicatie voor burgers.

Geplaatst in Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Komen appartementseigenaren in het ubo-register? | VvE

Boven de markt hangt nog steeds dat appartementseigenaren van kleine VvE’s [1] mogelijk in het ubo-register zullen worden gaan geregistreerd. Aangezien het register de facto openbaar is, betekent dit dat daarmee privéadressen van appartementseigenaren openbaar zullen worden gemaakt nu via het ubo-register de persoonsgegevens van de eigenaren kunnen worden achterhaald.

Deze registratie kan een gevolg zijn van de nieuwe Europese antiwitwasregels die medio volgend jaar in werking treden en die zeer veel wijzigingen tot gevolg hebben. De nieuwe regels schrijven onder meer voor dat alle rechtspersonen hun ‘uiteindelijk begunstigden’ (ubo’s) in het nationale register (dat ook internationaal toegankelijk is) moeten registreren.

Op dit moment is er een uitzondering voor de inschrijving van VvE’s in het ubo-register. Wel moeten de appartementseigenaren die dit etiket hebben gekregen worden gemeld bij banken en andere witwasbestrijdingsplichtigen. Dit heeft al voor veel ergernis bij kleine VvE’s gezorgd.

Tot nu toe heeft de Nederlandse regering zich er niet over uitgelaten of de uitzondering voor VvE’s ten aanzien van het ubo-register kan worden gehandhaafd.

Privacy First heeft in een internetconsultatie gepleit voor uitzonderingen voor VvE’s [2], waarmee de regering uiteraard niets heeft gedaan.

 

Noten:

[1] Het gaat hier meestal om VvE’s met vijf of minder appartementen, die in de Nederlandse grote steden veel voorkomen.

[2] Zie mijn artikel over de consultatiedeelname, met onder meer:

Voorts constateren wij dat kleine verenigingen van eigenaars (VvEs), te weten VvE’s met vier of minder appartementen, weliswaar niet in het ubo-register hoeven te worden ingeschreven, maar wel geconfronteerd worden met Wwft-plichtigen die hen om de ubo’s vragen, terwijl het doel van VvE’s niet is om uitkeringen te doen aan de appartementseigenaren, maar om geld bijeen te brengen voor het onderhoud van het gebouw. Gevolg hiervan is dat de persoonsgegevens van appartementseigenaren onnodig worden verspreid, ten eerste doordat de VvE-bestuurder die gegevens moet verwerken (plus bewijsstukken) en ten tweede doordat alle Wwft-plichtigen om die persoonsgegevens vragen. Ons is niet gebleken dat er een misdaadbestrijdingsbelang is bij de verwerking van persoonsgegevens van appartementseigenaren. Bovendien hebben zij geen recht op uitkering en is hun stemrecht in de vergadering van appartementseigenaren niet relevant.

Aanbevelingen / verzoek:
• Creëer een wettelijke uitzondering voor non-profit stichtingen en verenigingen op de ubo-regels, dus geen opname in het ubo-register en geen verplichting voor Wwft-plichtigen om op zoek te gaan naar de ubo’s van deze entiteiten.
• Creëer een wettelijke uitzondering voor VvE’s die zich ook uitstrekt tot het cliëntenonderzoek door Wwft-plichtigen.
• Mocht u hier niet voor voelen, dan verzoeken wij u om een gedetailleerde onderbouwing van het belang voor de misdaadbestrijding om [a] statutair bestuurders van non-profit stichtingen en verenigingen en [b] appartementseigenaren, als ubo aan te merken. Voorts verzoeken wij u aan te geven hoe wordt voorkomen dat de verkeerde indruk zou ontstaan dat bestuurders van non-profit stichtingen en verenigingen een economisch belang bij de rechtspersoon hebben.

 

Lees de artikelen op deze site over de ubo’s van VvE’s en ubo’s in de nonprofit.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Ubo-register | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Benadeelden kunnen mee doen aan massaclaim tegen Odido | Odido-datalek

Benadeelden van het Odido datalek kunnen mee doen aan een massaclaim, zie het bericht van Privacy First en de site van de claimstichting CUIC (Consumers United in Court).

Massaclaims zijn de enige mogelijkheid voor mensen om te ageren tegen grote bedrijven die regels aan hun laars lappen. Aan dergelijke procedures worden in de wet strenge eisen gesteld.

 

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Einschränkung von Bargeld bedroht Grundrechte und Datenschutz

FinanzNachrichten veröffentlichte den Artikel „Gutachten: Verweigerung von Bargeldannahme verletzt Grundrechte“:

Gutachten: Verweigerung von Bargeldannahme verletzt Grundrechte

Einschränkungen der Bargeldnutzung können tief in zentrale Grundrechte eingreifen. Zu diesem Ergebnis kommt ein Rechtsgutachten von Christian Waldhoff von der Humboldt-Universität für die Bundesvereinigung Deutscher Geld- und Wertdienste (BDGW), welches am Mittwoch in Berlin vorgestellt wurde. (…)

Die Veröffentlichung wird von der BDGW angekündigt, ist auf der Website der BDGW zu finden (PDF) und beginnt mit einer Zusammenfassung:

Zusammenfassung in 20 Thesen

1. Bargeld ist der Prototyp des Geldes im juristischen Sinn weil es sämtliche Geldfunktionen erfüllt, unter den unions-, verfassungs- und einfachrechtlichen Geldbegriff fällt und anders als Buchgeld oder elektronisches Geld unmittelbar hoheitlich durch Zentralbanken geschaffen wird.

2. Bargeld ist unionsrechtlich wie nach deutschem Währungsrecht das einzige gesetzliche Zahlungsmittel. Das ist für Euro-Banknoten im primären Unionsrecht festgeschrieben und geht damit auch dem deutschen Verfassungsrecht vor. Für Euro-Münzen ist die Eigenschaft als gesetzliches Zahlungsmittel sekundärrechtlich festgelegt und in der Sache nicht unbeschränkt.

3. Eine Erweiterung gesetzlicher Zahlungsmittel über Euro-Banknoten hinaus bedürfte nach richtiger Ansicht einer Änderung des Primärrechts, d.h. des AEUV.

4. Der Qualifikation als gesetzliches Zahlungsmittel korrespondiert eine grundsätzliche Annahmepflicht. Das hat der EuGH in seinem Grundsatzurteil vom 26. Januar 2021 anerkannt. An diese Feststellung hat sich auch der deutsche Gesetzgeber zu halten.

5. Das Unionsrecht verbietet eine vollständige Abschaffung des Bargelds – rechtlich wie faktisch. Dazu müssten die Verträge geändert werden, was praktisch-politisch ausgeschlossen erscheint. Das Verbot der faktischen Abschaffung kann nur so interpretiert werden, dass der Bargeldstatus durch eine Kumulation von Maßnahmen nicht langfristig ausgehöhlt werden darf.

6. Ausnahmen vom Annahmezwang – d.h. Bargeldbeschränkungen – unterliegen unionsrechtlich wie verfassungsrechtlichen engen Grenzen. Kompetenziell überlässt das Unionsrecht die Regelung von Bargeldbeschränkungen den Mitgliedstaaten der EU unter klar definierten Bedingungen. Auch unionsrechtliche Bargeldbeschränkungen wären möglich.

7. Mitgliedstaatliche Bargeldbeschränkungen dürfen nicht den Status des Euros als gesetzliches Zahlungsmittel beeinträchtigen. Daraus folgt, dass es sich um punktuelle Einzelregelungen handeln muss, die die Funktion des Bargelds nicht insgesamt tangieren. Das gilt auch für die mitgliedstaatlichen Bargeldbeschränkungen in ihrer Gesamtheit und den regulatorischen Rahmen einer Bargeldannahmepflicht von Privaten.

8. Bargeldbeschränkungen dürfen nach den Vorgaben des EuGH nur im öffentlichen Interesse erfolgen. Sie müssen zur Zielerreichung geeignet und erforderlich sein. Diese europarechtlichen Verhältnismäßigkeitsanforderungen dienen dem Individualschutz der Bürgerinnen und Bürger der EU.

9. Die auf einer funktionierenden Infrastruktur basierende Bargeldversorgung der Bevölkerung gehört im deutschen Recht zur Daseinsvorsorge. Darüber hinaus handelt es sich um einen Teil der sog. Kritischen Infrastruktur, die des besonderen staatlichen Schutzes auch jenseits von Notlagen und Krisen bedarf. Letzteres könnte angesichts der gegenwärtigen Polykrise kaum aktueller sein.

10. Bargeldversorgung und Bargeldinfrastruktur fallen als teilweise staatlich, teilweise privatwirtschaftlich konstituiert unter eine staatliche Gewährleistungsverantwortung. Bei Erhalt der vor allem aus Banken wie Wertdienstleistern bestehenden privatwirtschaftlichen Seite folgt für die staatliche Seite daraus, dass bei Schwächungen dieser Strukturen durch die tatsächliche Entwicklung – Rückgang des Gebrauchs von Bargeld als Zahlungsmittel im täglichen Leben – keine zusätzlichen staatlichen Maßnahmen diese kritische Infrastruktur weiter unterminieren dürfen.

11. Diese zunächst objektiv-rechtlichen Postulate erhöhen den Rechtfertigungsbedarf weiterer gesetzlicher Bargeldbeschränkungen in der Grundrechtsprüfung. Insbesondere engt sich der grundsätzlich vorhandene Einschätzungs- und Prognosespielraum hinsichtlich der Geeignetheit des Mittels zur Zweckverfolgung des bargeldbeschränkenden Gesetzgebers ein. Sonst bestünde die Gefahr, dass sich der bargeldbeschränkende Gesetzgeber in Widerspruch zu seiner Gewährleistungsverantwortung setzte.

12. Nationale Bargeldbeschränkungen sind in vollem Umfang an den Freiheitsrechten des Grundgesetzes zu messen. Diese Prüfung tritt neben die Einhaltung der im Grundsatzurteil des EuGH vom 26. Januar 2021 aufgestellten unionsrechtlichen Anforderungen. Staatliche Bargeldbeschränkungen greifen in die durch Art. 2 Abs. 1 bzw. 12 Abs. 1 GG geschützte Vertragsfreiheit / Privatautonomie ein, weil sie die Wahlfreiheit hinsichtlich des Zahlungsmittels einschränken. In der Ausprägung als negative Vertragsfreiheit führt der Zwang, bei unbarer Zahlung Verträge abschließen zu müssen, zu einem weiteren Eingriff.

13. Bargeldbeschränkungen greifen in die durch Art. 14 GG garantierte Eigentumsfreiheit ein. Das (Privat-)Eigentum an Banknoten und Münzen wird in seiner verfassungsrechtlich geschützten Verwendungsfreiheit begrenzt und auch die Wertaufbewahrungsfunktion von Bargeld wird tangiert. In der Situation von Negativzinsen kann es zu einer verfassungsrechtlich problematischen Beeinträchtigung der Eigentumswertgarantie kommen.

14. Bargeldbeschränkungen greifen in das Grundrecht auf informationelle Selbstbestimmung ein, da bargeldloser Zahlungsverkehr notwendigerweise zur Produktion einer Fülle verfassungsrechtlich relevanter personenbezogenen Daten führt. Dass die anfallenden Daten bei Privaten und nicht primär beim Staat entstehen, hindert einen Eingriff in das Grundrecht nicht, denn dies ist notwendige Folge staatlicher Anordnung. Je stärker der Gebrauch des Bargeldes zurückgedrängt werden würde, desto mehr

Daten fallen an und desto eher sind grundrechtlich problematische umfassende Persönlichkeits- und Bewegungsbilder des Einzelnen erstellbar.

15. Der Einschätzungs- und Prognosespielraum hinsichtlich der Geeignetheit und Erforderlichkeit von Bargeldbeschränkungen ist angesichts der seit Jahren intensiven und vielfach kritischen wissenschaftlichen Diskussion des Zusammenhangs zwischen Bargeld und Kriminalität eingeengt. Die für staatliche Bargeldbeschränkungen angeführten Gründe müssen daher empirisch stichhaltig und von besonderem Gewicht sein. Unfundierte Zweckmäßigkeitserwägungen oder allein Gründe der Verwaltungsvereinfachung reichen nicht aus.

16. Die fehlende Angemessenheit bei der grundrechtlichen Rechtfertigung von Bargeldbeschränkungen resultiert aus einer Kombination von Eingriffstiefe und Eingriffsbreite. Die Eingriffstiefe resultiert aus der Tatsache, dass automatisch auch höchstpersönliche Zahlungsdaten beim bargeldlosen Zahlungsverkehr entstehen, die den Persönlichkeitskern betreffen können und entsprechend hohe Rechtfertigungshürden auslösen. Die Eingriffsbreite resultiert daraus, dass generell-abstrakte Bargeldbeschränkungen die Gesamtheit der Bürgerinnen und Bürger betreffen, etwaiger krimineller Missbrauch jedoch nur von einer kleinen Minderheit der Bevölkerung begangen wird. Diese deutliche Zielungenauigkeit als unangemessene Streubreite der Eingriffe führt zu Angemessenheitsproblemen.

17. Die objektiv-rechtlichen Determinanten des Bargeldregimes – unionsrechtlich garantiertes gesetzliches Zahlungsmittel sowie Teil der nationalen Kritischen Infrastruktur haben auch Auswirkungen auf zwischen Privaten vereinbarten Bargeldbeschränkungen. Die Einordnung in die zu schützende Kritische Infrastruktur aktiviert auch hier die staatliche Gewährleistungsverantwortung, der durch die Anordnung einer Wahlfreiheit für das konkrete Zahlungsmittel als Rahmenbedingung privatautonomen Agierens vergleichsweise einfach und kostenneutral nachgekommen werden kann. Die aktuellen Pläne einer Akzeptanzpflicht für bargeldloses Zahlen sind um die Annahmepflicht für Bargeld zu ergänzen (zu vervollständigen), um so wirkliche Zahlungsartneutralität herzustellen.

18. Das grundrechtlich abgesicherte Interesse eines „datenspurenfreien“ Bezahlens ist verfassungsrechtlich unmittelbar relevant in Monopolsituationen, sollte aber auch grundsätzlich gewährleistet werden, da sonst die Akzeptanz hinsichtlich der verschiedenen Zahlungsarten zu sachwidrigen Auswahlentscheidungen zwischen verschiedenen Anbietern führen kann.

19. Der digitale Zahlungsverkehr birgt ein zivilrechtlich relevantes und die Privatautonomie einschränkendes spezifisches Diskriminierungspotenzial für vulnerable Gruppen; das trifft v.a. Menschen mit Behinderungen, alte Menschen, Menschen in ländlichen Regionen sowie Menschen mit niedrigem Sozialstatus.

20. Angesichts der starken unions- und objektiv-verfassungsrechtlichen Absicherung des Bargelds, des eingeschränkten Einschätzungsspielraums des Gesetzgebers und der Zielungenauigkeit als Mittel lassen sich umfassende Bargeldeinschränkungen vor der deutschen Grundrechtsordnung als verfassungsrechtlich kaum rechtfertigen. Für privatautonom getroffene Vereinbarungen ist Zahlungsartneutralität vorzusehen: Zumindest wenn eine Pflicht zur Ermöglichung bargeldlosen Zahlens statuiert wird, ist erst Recht eine Annahmepflicht für Bargeld verfassungsrechtlich erforderlich. Es sprechen gute verfassungsrechtliche Gründe dafür, die staatliche Gewährleistungsverantwortung für Bargeld auch ohne gesetzlicher Normierung einer digitalen Annahmepflicht zu berücksichtigen.

Die persönliche Seite des Autors auf der Website der Universität finden Sie hier.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Grondrechten | Tags: , | Plaats een reactie

Privacy First bepleit maatregelen tegen verdwijning contant betalen

Onlangs sloot een internetconsultatie over het uitvoeringsbesluit inzake beschikbaarheid van contant geld. Privacy First deed mee aan de consultatie en pleitte voor extra maatregelen om contant geld voor de samenleving te behouden.

In de consultatie kwamen 24 reacties binnen, onder meer van de Consumentenbond, twee voormalige DNB-medewerkers, Stichting Ons Geld en van diverse organisaties uit de financiële sector.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Afpakwetsvoorstel naar Raad van State

In het nieuwsbericht Wetsvoorstel afpakken crimineel geld naar Raad van State laat het kabinet weten overeenstemming te hebben bereikt over de tekst van het Het wetsvoorstel tot implementatie van de Confiscatierichtlijn.

Gevolg van het wetsvoorstel kan zijn dat mensen moeten bewijzen waar zij hun vermogen vandaan hebben. Dat schuurt rechtsstatelijk.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , | Plaats een reactie

Het ministerie van Financiën faciliteert criminelen | openbaarheid ubo-register

Het is fascinerend om te zien dat de Nederlandse regering, aangevoerd door de minister van Financiën, het criminelen makkelijk maakt om aan gegevens over de zgn. ‘uiteindelijk begunstigden’ [*] van rechtspersonen en andere entiteiten te komen. De Nederlandse overheid is daarmee de ultieme ‘facilitator’ van witwassen en terrorismefinanciering.

Dat makkelijk maken blijkt uit het besluit inzake openbaarheid van het ubo-register (register van uiteindelijk begunstigden) dat onlangs aan het parlement is gestuurd.

Degenen die zich zorgen maken over grootschalige roof van persoonsgegevens uit het ubo-register worden door het ministerie afgepoeierd, soms zelfs zonder enige behoorlijke reactie op hun commentaar in de eerder gehouden internetconsultatie. Zo doet de minister van Financiën het commentaar van Privacy First af met:

Privacy First maakt in hun reactie een tiental opmerkingen over de gegevensbescherming op het niveau van de AMLD6. (…) Zoals reeds toegelicht bepaalt de AMLD6 welke natuurlijke personen en rechtspersonen een legitiem belang hebben en de wijze waarop dit vastgesteld moet worden.

In andere woorden: de minister zegt dat het ubo-besluit voldoet aan de onderliggende Europese regelgeving (AMLD6), de minister weigert in te gaan op de aanzienlijke gegevensbeschermings- en andere veiligheidsrisico’s die deze regelgeving oplevert en weigert ook om maatregelen te nemen (of in de EU daar op aan te dringen) om die risico’s te beperken (‘mitigeren’ in Financiën-taal).

De supertanker vaart verder
De Europese Commissie is met de toegang tot het ubo-register bezig, in dit bericht staat dat wordt gewerkt aan een ‘Implementing act on templates and procedures for access to beneficial ownership information with a legitimate interest‘.

 

[*] Het begrip ‘uiteindelijk begunstigden’ (ubo) is zeer breed geformuleerd en omvat ook bestuurders van nonprofitorganisaties, diverse andere mensen die geen economisch belang hebben in organisaties, en appartementseigenaren van kleine VvE’s (waar niet van economisch belang kan worden gesproken omdat de VvE een spaarpot is voor het gebouw).

 

Meer informatie:

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Ubo-register | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

The Netherlands as “primus inter pares in European AML efforts and a standard-setter within the EU” | RUSI

According to the Royal United Services Institute (RUSI) [*] the Netherlands is “widely seen as primus inter pares in European AML efforts and a standard-setter within the EU“.

This is surprising in light of the findings of the Dutch National Audit Office (Algemene Rekenkamer) and the widespread discrimination against citizens that has come to light through, among other things, reports by the Netherlands Institute for Human Rights (College van de Rechten van de Mens), like this one.

It shows that there is still a great deal to be done to address the damage caused by anti-money laundering.

 

[*] See the article Europe’s AML Package: A Strong Framework at the Wrong Time? under “The Case in the Netherlands“.

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie