Witwasbestrijding door advocaten in België | AVG | `Witwaspreventie’ in de Codex Deontologie voor Advocaten

In België zijn de witwasbestrijdingsregels voor advocaten vastgelegd in Afdeling III.1.2. `Witwaspreventie’ van de Codex Deontologie voor Advocaten. Onlangs werd ik geattendeerd op de wijziging van die afdeling, die is gepubliceerd op een Belgische overheidswebsite.

Ik heb er een twitterdraadje over gemaakt:

 

Het reglement tot wijziging van de afdeling over witwaspreventie is interessant leesvoer omdat er uit blijkt dat het advocatenberoep in België anders georganiseerd is dan in Nederland. Ook de aanpak van de Belgen van de implementatie van de Europese antiwitwasrichtlijnen is geheel anders, de Europese witwasbestrijdingsregels worden kennelijk in de brancheregelgeving zelf opgenomen.

Algemene Verordening Gegevensbescherming in de witwasbestrijding
Men legt in de Codex de nodige details inzake de AVG vast. Voorbeelden (Verordening 2016/679 is de AVG):

Art. 86. Artikel 48, § 1 van Bijlage 1 van de Codex wordt vervangen als volgt:

” § 1. De verwerking van de persoonsgegevens krachtens de Wet door de advocaat, alsook door de Stafhouder, is onderworpen aan de bepalingen van Verordening 2016/679.
De verwerking van deze gegevens is noodzakelijk voor het vervullen van een taak van algemeen belang in de zin van artikelen 6, 1. e) en 23, e) en wat betreft de Stafhouder 23, h), van Verordening 2016/679, en is gegrond en noodzakelijk om de wettelijke verplichtingen na te leven die de advocaat en de Stafhouder krachtens de Wet in acht moeten nemen.
Deze verwerking is een noodzakelijke maatregel voor de voorkoming, de opsporing van het misdrijf witwassen van geld, de onderliggende misdrijven die hiermee verband houden en de financiering van terrorisme in de zin van artikel 23, d) van Verordening 2016/679.”

Lees ook artikel 91:

Art. 91. Artikel 49 van de Bijlage 1 van de Codex wordt vervangen als volgt:

” § 1. Elke advocaat is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens die hij krachtens de Wet verzamelt voor de in de artikelen 1 en 48 bedoelde doeleinden.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden verzameld door de advocaat voor de vervulling van:

1° zijn verplichtingen inzake identificatie en verificatie, als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 20;
2° zijn verplichting tot identificatie van de kenmerken van de cliënt en van het doel en de aard van de zakelijke relatie of van de occasionele verrichting, als bedoeld in artikel 24; alsook
3° zijn verplichting tot doorlopende waakzaamheid, als bedoeld in artikel 25;
4° zijn verplichtingen inzake verhoogde waakzaamheid, als bedoeld in de artikelen 27 tot en met 30; en
5° zijn verplichting tot analyse van atypische verrichtingen, als bedoeld in de artikelen 34 en 35.

Op grond van het in artikel 41 vastgestelde mededelingsverbod en naast de uitzonderingen als bedoeld in de artikelen 14, lid 5, onder c) en d), 17, lid 3, onder b), 18, lid 2, en 20, lid 3, van Verordening 2016/679 wordt, teneinde de doelstellingen te waarborgen van artikel 23, lid 1, onder d) en e), van de voornoemde verordening, de uitoefening van de rechten als bedoeld in de artikelen 12 (transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht van inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking), 21 (recht van bezwaar), 22 (recht inzake profilering) en 34 (mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene) van deze verordening geheel beperkt voor verwerkingen van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening en zoals vastgelegd in het eerste lid van deze paragraaf, die worden uitgevoerd door de advocaat als verwerkingsverantwoordelijke die belast is met een taak van algemeen belang op grond van de artikelen 1 en 48, teneinde:

1° de advocaat, de Stafhouder en de CFI in staat te stellen de verplichtingen na te komen waaraan zij op grond van de Wet zijn onderworpen; of
2° ervoor te zorgen dat het voorkomen, opsporen en onderzoeken van witwassen en financiering van terrorisme niet in gevaar worden gebracht, en het belemmeren van officiële of gerechtelijke informatieverzoeken, analyses, onderzoeken of procedures in het kader van de Wet te voorkomen.

Artikel 5 van de voornoemde Verordening 2016/679 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens, voor zover de bepalingen van dit artikel overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 van deze verordening.

Wanneer bij de Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht wordt ingediend krachtens artikel 77 van Verordening 2016/679 met betrekking tot een in het eerste lid bedoelde verwerking van persoonsgegevens, deelt zij de betrokkene uitsluitend mee dat de nodige verificaties werden verricht.

§ 2. De Stafhouder is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens die hij krachtens de Wet verzamelt voor de in de artikelen 1 en 48 bedoelde doeleinden.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden verzameld door de Stafhouder voor de uitvoering van:

1° zijn toezichtsbevoegdheden, als omschreven in Boek IV, Titel 4 van de Wet;
2° zijn verplichtingen inzake nationale en internationale samenwerking, als omschreven in Boek IV, Titels 5 en 6 van de Wet; en
3° zijn bevoegdheden inzake administratieve sancties, als omschreven in Boek V, Titel 1 van de Wet.

Op grond van het in artikel 41 vastgestelde mededelingsverbod en van het beroepsgeheim als omschreven in artikel 89 van de Wet en in andere wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de betrokken Stafhouder, en naast de uitzonderingen als bedoeld in de artikelen 14, lid 5, onder c) en d), 17, lid 3, onder b), 18, lid 2, en 20, lid 3, van Verordening 2016/679 wordt, teneinde de doelstellingen te waarborgen van artikel 23, lid 1, onder d), e) en h), van de voornoemde verordening, de uitoefening van de rechten als bedoeld in de artikelen 12 (transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht van inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking), 21 (recht van bezwaar) en 34 (mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene) van deze verordening geheel beperkt voor verwerkingen van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening en zoals vastgelegd in het tweede lid van deze paragraaf, die worden uitgevoerd door de Stafhouder als verwerkingsverantwoordelijke die belast is met een taak van algemeen belang op grond van de artikelen 1 en 48, teneinde:

1° de Stafhouder en de CFI in staat te stellen de verplichtingen na te komen waaraan zij op grond van de Wet zijn onderworpen; of
2° ervoor te zorgen dat het voorkomen, opsporen en onderzoeken van witwassen en financiering van terrorisme niet in gevaar worden gebracht, en het belemmeren van officiële of gerechtelijke informatieverzoeken, analyses, onderzoeken of procedures in het kader van de Wet te voorkomen.

Artikel 5 van de voornoemde Verordening 2016/679 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens, voor zover de bepalingen van dit artikel overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 van deze verordening.

De Stafhouder bewaart de persoonsgegevens niet langer dan nodig voor de doeleinden waarvoor ze worden opgeslagen.
Deze paragraaf is van toepassing onverminderd andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Stafhouder krachtens de Wet.
Wanneer bij de Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht wordt ingediend krachtens artikel 77 van Verordening 2016/679 met betrekking tot een in het eerste lid bedoelde verwerking van persoonsgegevens, deelt zij de betrokkene uitsluitend mee dat de nodige verificaties werden verricht.”

 

Het is te hopen dat de uitzonderingen op de AVG alleen gelden voor de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot de melding van wat we in Nederland ongebruikelijke transacties noemen. Het is nl. essentieel dat de personen wiens gegevens door witwasbestrijdingsplichtigen worden verwerkt daarvan op de hoogte zijn, inzage kunnen vragen en hun correctierecht kunnen uitoefenen.

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d., Ubo-register | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Amerikaanse sancties: let op je naam en adres

De VS legt sancties op aan organisaties en personen over de hele wereld en veroorzaakt daarmee in een aantal gevallen ernstige schade. Dus misschien wordt het eens tijd voor een claimorganisatie die de schadevergoedingen gaat incasseren bij de Amerikaanse overheid.

Een van de vormen van schade is de schade die ondernemingen en organisaties lijden die een naam hebben die lijkt op een door de VS gesanctioneerde organisatie of groepering dan wel op een gelijkend adres gevestigd zijn. Dit is iets wat al heel lang speelt.

Zo kreeg een niet-geliste persoon producten niet geleverd omdat op hetzelfde adres een gesanctioneerde organisatie was gevestigd, lees dit Duitstalige verhaal. Een naam die lijkt op een gesanctioneerde entiteit, kan ook tot problemen leiden, lees het artikel over PayPal die betaling weigert.

De Amerikanen vinden dit soort discriminatoire praktijken heel gewoon, zo valt te lezen in een vraag & antwoord over anti-China-sancties die deze maand in werking zijn getreden. Daarin wordt een vraag beantwoord over ‘publicly traded securities‘ van ‘an entity with a name that exactly or closely matches the name of an entity identified in the Annex to E.O. 13959‘. Er wordt gezegd dat het verbod ook geldt voor entiteiten met gelijkende namen. Oftewel: het gaat niet alleen om de entiteiten die doelwit zijn van de Amerikaanse sancties, maar om alle entiteiten (ook al hebben ze niets met de doelwitten te maken) waarvan de naam lijkt op een doelwit.

Praktische tip voor ondernemingen: houdt de OFAC-lijsten zorgvuldig in de gaten en wijzig je naam of adres als verwarring mogelijk is.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d., Sanctieregels | Tags: , | Een reactie plaatsen

Sancties en contra-sancties

In Nederland roept de overheid ondernemingen op om sanctieregelgeving van Nederland, de EU en de ‘rest van de wereld’ (waarmee de VS wordt bedoeld) na te leven. Zoals bekend misbruikt de VS het sanctieregime voor politieke doeleinden [*].

De VS is een slecht voorbeeld voor andere landen buiten de EU, die hun eigen sanctieregels respectievelijk contra-sancties bedenken. Een recent voorbeeld zijn de contra-sancties door China tegen de VS. Lees bij de BBC ‘China brings in new law to fight Trump’s sanctions‘ (11 januari).

Het is hoog tijd dat Europa er voor zorgt dat Europese ondernemingen beschermd worden tegen sanctieregelgeving van buiten de EU, dus ook die van de VS.

Tip voor de Nederlandse overheid: spreek niet meer over naleving van sancties van alle landen van de wereld.

 


[*] Zo zijn mensen van het internationaal strafhof in Den Haag op de sanctielijst gezet, er is een voorlopige uitspraak maar daarmee houden deze onrechtmatige praktijken niet op. Ik ben benieuwd hoe legaal de Nord Stream 2 sancties (artikel 1artikel 2) zijn. Verder is Cuba op de Amerikaanse sanctielandenlijst gezet, ook daarvan is de vraag of het rechtmatig is.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d., Sanctieregels | Tags: , , , | 1 reactie

Angst

Het succes van het terrorisme is niet het terrorisme, het succes van het terrorisme is de angst voor het terrorisme’, zo betoogt filosoof, psychiater en neurowetenschapper Damiaan Denys op het podium van de Stadsschouwburg in Amsterdam tijdens een TEDx in 2015.

In tijden van corona en witwas- & terrorismebestrijding is dit superactueel.

 

 

Op 8 mei 2020 was hij te horen tijdens een podcast van Nooit meer slapen.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d. | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Misdaadbestrijding in Nederland | algemeen overleg plan van aanpak witwassen

Ongestoord door SyRI en de toeslagenaffaire vond op 10 december jl. een algemeen overleg over criminaliteitsbestrijding (plan van aanpak witwassen) plaats. In het conceptverslag van deze vergadering is te lezen waar het naar toe gaat met het uitbesteden van de misdaadbestrijding aan banken en andere private ondernemingen. Hierna volgen enkele citaten, met tussen vierkante haakjes de spreker.

Leden van de Tweede Kamer:

  • Poortwachters in allerlei sectoren hebben een poot bijgetrokken. We zijn dus een heel eind. We moeten al deze boevenvangers nu de juiste instrumenten geven.” [Van der Linde, VVD]
  • En kunnen we dan gelijk ook iets doen met de suggestie van die burgemeesters om de grens voor contant geld te verlagen van €3.000 naar €1.000? Dat zou ons goed uitkomen. De VVD pleit daar al langer voor.”  [Van der Linde, VVD, over verlaging van een drempel in een toekomstig wetsvoorstel]
  • Ik worstel nog met die Zeeuwse notaris en met die makelaar in het oosten van het land die echt bedreigd worden en waarbij echt banden lek worden gestoken. Wat moeten die mensen nou concreet doen als ze zich bedreigd voelen? Wat is hun handelingsperspectief?” [Van der Linde, VVD]
  • De tweede uitdaging is hoe we ervoor kunnen zorgen dat harmonisatie van regelgeving en een te sterke focus op formele voorwaarden niet tot een afvinklijstcultuur leidt. Verschillende experts waarschuwen ons daarvoor. Hoe kijken de ministers tegen dit risico aan? Hoe gaan zij voorkomen dat dit een realiteit wordt? Welke inspiratie halen ze bijvoorbeeld uit Amerika, waar er sterker op de uitkomsten gestuurd wordt?” [Smeulders, GroenLinks]
  • De echt grote criminaliteit vindt plaats aan de top, bij de rijken en bij de grote commerciële banken. Daarom is mijn vraag aan het kabinet: deelt het de analyse dat de meest verstrekkende en veelomvattende financiële criminaliteit plaatsvindt bij witteboordencriminelen en via grootbanken, en niet bij het mkb, en dat, als er extra capaciteit komt bij opsporingsdiensten, dat ook de prioriteit moet zijn?” [Alkaya, SP]
  • De geluiden zijn toch een beetje dat er via de MOT vooral door banken heel veel dingen worden gemeld die niet door de beugel kunnen, maar dat er uiteindelijk nog geen 10% bij het OM belandt en wordt onderzocht!” [Van Dijck, PVV]
  • Wij zijn de wetgevende macht, maar ook de controlerende macht. Als ik dingen zie in de maatschappij waarvan ik denk dat ze niet deugen, dan wil ik die veranderen. Dan vraag ik aan het kabinet: moet de wet misschien veranderd worden of moeten de instructies veranderd worden? Het gevoel leeft natuurlijk breed — ik denk dat dat terecht is — dat er vaak wordt geschikt en personen strafrechtelijk vaak de dans ontspringen” [Nijboer, PvdA]

De ministers:

  • Ik heb het regelmatig gezegd na de uiterst misdadige aanslag, de moord, op Derk Wiersum: je moet het oprollen en je moet het ook afpakken en voorkomen” [minister Grapperhaus]
  • Zij signaleerden namelijk terecht dat er in bepaalde landen om ons heen mogelijkheden zijn voor het geval er bijvoorbeeld bij de inval in een pand om redenen van verboden wapenbezit 2 miljoen euro wordt aangetroffen. Als de eigenaar daarover niet duidelijk is, kunnen wij dat geld in ons land niet zonder meer confisqueren” [minister Grapperhaus] [*]
  • Dat gezamenlijke optrekken werkt natuurlijk ook alleen maar als de poortwachters de basis voor het uitvoeren van hun wettelijke taken op orde hebben. Verder moet men — ik kom er weer op terug — die maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.” [minister Grapperhaus]
  • Wat doe je bij sterke vermoedens? Dan verlaat je je op experts die er meer verstand van hebben dan jijzelf en dan laat je onderzoek doen. Het is bijna als met het vermoeden dat je fysiek iets mankeert. Dan ga je naar de dokter, en de dokter stelt een diagnose. Ik vind het daarom echt verstandig dat wij als leden van het kabinet ons hierbij verlaten op experts.” [minister Hoekstra]
  • Door die samenwerking die we optuigen en door het slechten van een aantal barrières tussen verschillende instellingen hoop ik dat we uiteindelijk uitkomen op een effectiever recept, waarbij je wel de privacy waarborgt, maar dingen die echt niet in de haak zijn, deelbaar maakt voor alle instanties.” [minister Hoekstra]
  • Ik denk dat we allemaal van mening zijn dat wat betreft het gros van de gegevens van het gros van de klanten van banken de wal ten aanzien van de privacy van burgers echt heel hoog moet zijn. Dat is de ene kant. Er zijn partijen die daar terecht aandacht voor vragen. De andere kant daarvan is — dit voorbeeld hebben we vaker gegeven — dat er echt radeloze bankdirecteuren en -medewerkers zijn. Ik ben op bankkantoren met hen in gesprek geweest, soms ook met Grapperhaus samen. Zij zeggen: ik kijk naar deze transacties, zie waar ze vandaag komen en zie wat we denken dat daarachter schuilgaat, maar ik mag er met niemand over bellen; ik mag de buurman, de bank naast me, niet bellen, ik mag het OM er niet over bellen, ik mag de politie niet bellen, ik mag er niets mee! Dat is natuurlijk onuitstaanbaar. Dat is niet alleen heel erg schadelijk voor de samenleving. Het demoraliseert de mensen die ermee bezig zijn ook volstrekt. Want zij denken: wat zit ik hier nou eigenlijk te doen?” [minister Hoekstra]
  • Nederland loopt voorop in de samenwerking binnen de antiwitwasketen. Het Financieel Expertise Centrum, de Fintel Alliance, TMNL” [minister Hoekstra]

 

[*] Overigens hoorde ik van iemand uit de hoek van het strafrecht dat dit voorbeeld niet opgaat, hier kan wel in beslag worden genomen.

 

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d., Strafrecht | Een reactie plaatsen

Afpakken van een niet-crimineel en de praktijken van de ‘moderne’ overheid | uitspraak ECJ

Naar slecht Angelsaksisch voorbeeld vindt ook in het continentale Europa ingang dat niet alleen de criminelen in hun vermogen moeten worden getroffen, maar ook de ‘facilitators’, ook al weten ze niets van de misdaad af. Zo’n facilitator kan iedereen zijn die een rol speelt in het criminele proces, zoals de verhuurder van een bedrijfsruimte of een vrachtwagen,  en het administratiekantoor.

Nederland kent onder meer de ‘Wet Damocles’. Die wet treft niet alleen criminelen (bijvoorbeeld drugshandelaren) maar ook verhuurders van het pand waarin zo’n crimineel actief was, want dat pand kan door de burgemeester worden gesloten ook al wist de verhuurder niets van de criminaliteit af.
Een variant daarop is ‘kleurloos opzet‘: als vader geld overmaakt aan zijn zoon die later terrorist blijkt te zijn, maakt vader zich schuldig aan terrorismefinanciering. Hiermee worden zowel de vader die wist dat zijn zoon crimineel was getroffen, als de vader die dit niet wist. Het zijn allebei voorbeelden van de onbarmhartige overheid die wij kennen (zie ook dit artikel).

Een daarmee samenhangende trend is die van het ‘afpakken’, de non-conviction based confiscation. Dit volg ik al enige tijd, omdat het een trend is die pas in de algemene trend van maatschappelijk onbetamelijke wetgeving.

Uitspraak Hof van Justitie van de Europese Unie
Over het thema ‘afpakken’ heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECJ) vandaag een interessante uitspraak gedaan. In deze uitspraak beslist het ECJ dat het confisqueren (verbeurdverklaren) van een hulpmiddel dat toebehoort aan een derde die te goeder trouw is, in strijd is met het Europese recht. Bovendien is onrechtmatig dat het nationale recht niet voorzag in rechtsmiddelen ten gunste van deze derde.

Feiten
De zaak was door de Bulgaarse rechter aan het ECJ voorgelegd en ging over een strafzaak tegen een chauffeur, die had geprobeerd om antieke munten van Turkije naar Duitsland te vervoeren, tijdens zijn werk voor een Turkse transportonderneming (die van de smokkel niet op de hoogte was). Hij werd op de grens tussen Turkije en Bulgarije door de Bulgaarse douane gesnapt. De douane nam onder meer eigendommen van de transportonderneming in beslag, te weten de trekker, de oplegger, de contactsleutel en de kentekenbewijzen van deze trekker. De Turkse transportonderneming vroeg de eigendommen terug bij de Bulgaarse overheid en kreeg nul op rekest bij een rechter in een procedure waartegen geen beroep kon worden ingesteld. Na veroordeling van de chauffeur werd de oplegger aan de transportonderneming terug gegeven. Het beslag op de overige eigendommen van de transportonderneming werd gehandhaafd. Vervolgens is de chauffeur in beroep gegaan tegen de confiscatie van de trekker c.a. en heeft de Bulgaarse rechter (de verwijzende rechter) aan het ECJ vragen gesteld.

Verwijzing
Het ECJ schrijft over de verwijzing:

22 De verwijzende rechter merkt op dat de in artikel 242, lid 8, NK vastgestelde inbeslagneming ten gunste van de staat van het voertuig waarmee de smokkelwaar werd vervoerd weliswaar een verplichte inbeslagneming na smokkel is, maar – anders dan de in artikel 37, lid 1, punt 3, NK bedoelde confiscatie van de goederen van de schuldige – geen straf vormt.
23 Deze rechter twijfelt echter aan de verenigbaarheid van artikel 242, lid 8, NK, dat is vastgesteld vóór de toetreding van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie op 1 januari 2007, met de bepalingen van het Unierecht, met name artikel 17, lid 1, en artikel 47 van het Handvest.
24 Inzonderheid meent deze rechter dat de in deze bepaling bedoelde inbeslagneming, ook wanneer het vervoermiddel dat heeft gediend om de smokkelwaar te vervoeren niet toebehoort aan diegene die de inbreuk heeft gepleegd, zou kunnen leiden tot een verstoring van het evenwicht tussen het belang van de derde-eigenaar die niet heeft deelgenomen en geen enkele band heeft met het strafbare feit, en het belang van de staat om dit voorwerp in beslag te nemen omdat het werd gebruikt om de inbreuk te plegen.

Een en ander leidt er toe dat de Bulgaarse rechter om een prejudiciële beslissing verzoekt.

ECJ
Het ECJ beoordeelt de zaak en komt tot de volgende verklaring voor recht:

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen, gelezen in het licht van artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op basis waarvan een hulpmiddel dat werd gebruikt voor een ernstig geval van smokkel en dat toebehoort aan een derde te goeder trouw, kan worden geconfisqueerd.

2) Artikel 4 van kaderbesluit 2005/212, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op basis waarvan een voorwerp dat toebehoort aan een andere persoon dan diegene die het strafbare feit heeft gepleegd, in het kader van een strafprocedure kan worden geconfisqueerd zonder dat die andere persoon beschikt over een doeltreffend rechtsmiddel.

 

Meer informatie:

Kenmerken volgens de ECJ-uitspraak:

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Eigendomsrecht – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Kaderbesluit 2005/212/JBZ – Confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen – Richtlijn 2014/42/EU – Bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie – Nationale regeling die voorziet in confiscatie ten gunste van de staat van het voorwerp dat is gebruikt bij het plegen van douanesmokkel – Voorwerp dat eigendom is van een derde te goeder trouw”

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d. | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

De beperkte mogelijkheden van de rechter | de bijstandsboete

Degenen die zich afvragen hoe het zit met de mogelijkheden van de rechter om foute wetgeving te corrigeren, doen er goed aan deze twitter-draad van een rechter te lezen:

 

 

Waar is de wetgever?
Het wordt tijd dat de misdaadbestrijders in de Tweede Kamer, de ambtenarij en het kabinet eens naar zichzelf kijken.

Zoals de mensen betrokken bij het algemeen overleg over criminaliteitsbestrijding (plan van aanpak witwassen) op 10 december jl. In het conceptverslag van deze vergadering lees ik dezelfde stoere taal als die destijds ten grondslag lag aan de wetgeving inzake bestrijding van toeslagenmisbruik. Onder meer werd tijdens het overleg weer gemakkelijk gesproken over het uitwisselen tussen banken over gegevens van “ongebruikelijke klanten”, zonder dat men zich afvraagt of banken dat wel goed (kunnen) doen.

Onlangs zag ik een brief van een bank aan een uit het buitenland afkomstige ondernemer, waarin niet alleen met een korte vage toelichting over ‘risk appetite’ de bankrekening werd opgezegd, maar ook nog tussen neus en lippen door de besloten vennootschap en de daarbij betrokken personen op de interne zwarte lijst werden gezet. Zonder enige onderbouwing of motivering. Zoiets komt neer op veroordeling wegens een strafbaar feit zonder dat er een rechter aan te pas komt.

Deze bancaire praktijken hebben we aan de wetgever te danken, die met allerlei andere criminaliteitsbestrijdingsprojecten bezig is die net als SyRI en de toeslagenaffaire tot beschadiging van burgers kunnen leiden.

Laten we hopen dat leden van de Tweede Kamer die bij het algemeen overleg aanwezig waren (Alkaya, Tony van Dijck, Van der Linde, Nijboer, Slootweg, Smeulders, Sneller en Tielen) iets hebben geleerd van het recente verleden.

Geplaatst in Bestuurlijke sancties, Bestuursrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Grondrechten, rechtsstaat e.d. | Tags: , , , , , | 1 reactie

Eerder Luxemburgs verzoek om een prejudiciële beslissing | ubo-register, AMLD4

Er loopt nog een ander Luxemburgs verzoek (van het Tribunal d’arrondissement) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing over het ubo-register en de Europese richtlijn, dan het verzoek waarover ik vandaag eerder schreef.

Het betreft zaak C-37/20, die op 24 januari 2020 is ingediend en gaat over de afscherming van gegevens van de uiteindelijk belanghebbende. Tekst:

Prejudiciële vragen

Vraag 1: begrip “uitzonderlijke omstandigheden”

1a) Kan artikel 30, lid 9, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (2), voor zover hierin de beperking van de toegang tot informatie over economisch begunstigden afhankelijk wordt gesteld van “uitzonderlijke in het nationaal recht vast te stellen omstandigheden”, aldus worden uitgelegd dat een nationale wet het begrip “uitzonderlijke omstandigheden” uitsluitend kan definiëren als een “onevenredig risico, een risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie”, begrippen die reeds een voorwaarde vormen voor de toepassing van de beperking van de toegang in de redactie van bovengenoemd artikel 30, lid 9?

1b) Indien vraag 1a ontkennend wordt beantwoord en indien de nationale omzettingsregeling het begrip “uitzonderlijke omstandigheden” enkel definieert door middel van een verwijzing naar de ontoereikende begrippen “onevenredig risico, een risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie”, moet artikel 30, lid 9, dan aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter de voorwaarde van “uitzonderlijke omstandigheden” buiten beschouwing kan laten of moet hij dit verzuim van de nationale wetgever compenseren door de strekking van het begrip “buitengewone omstandigheden” aan de hand van de rechtspraak te bepalen? Kan het Hof van Justitie van de Europese Unie in dat geval, aangezien de inhoud van de voorwaarde volgens artikel 30, lid 9, door het nationale recht wordt bepaald, de nationale rechter aanwijzingen geven voor zijn taak? Indien deze laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, wat zijn dan de richtsnoeren voor de nationale rechter bij de bepaling van de inhoud van het begrip “uitzonderlijke omstandigheden”?

Tweede vraag: begrip “risico”

2a) Moet artikel 30, lid 9, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, voor zover hierin de beperking van de toegang tot informatie over economisch begunstigden afhankelijk wordt gesteld van een “onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie”, worden uitgelegd als een verwijzing naar een reeks van acht situaties, waarbij de eerste betrekking heeft op een algemeen risico waarvoor de voorwaarde van onevenredigheid geldt en de zeven andere betrekking hebben op specifieke risico’s waarvoor de voorwaarde van onevenredigheid niet geldt, of als een verwijzing naar een geheel van zeven situaties die elk betrekking hebben op een specifiek risico waarvoor de voorwaarde van onevenredigheid geldt?

2b) Moet artikel 30, lid 9, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, voor zover hierin de beperking van de toegang tot informatie over economisch begunstigden afhankelijk wordt gesteld van “een risico”, aldus worden uitgelegd dat de beoordeling van het bestaan en de omvang van dat risico daarbij wordt beperkt tot de banden die de economisch begunstigde heeft met de rechtspersoon ten aanzien waarvan hij uitdrukkelijk verzoekt om een beperking van de toegang tot informatie over zijn hoedanigheid van economisch begunstigde, of aldus dat rekening wordt gehouden met de banden die de betrokken economisch begunstigde heeft met andere rechtspersonen? Indien rekening moet worden gehouden met de banden met andere rechtspersonen, moet dan uitsluitend rekening worden gehouden met de hoedanigheid van economisch begunstigde ten opzichte van andere rechtspersonen of moet er rekening worden gehouden met alle soorten banden met andere rechtspersonen? Indien alle soorten banden met andere rechtspersonen in aanmerking moeten worden genomen, wordt de beoordeling van het bestaan en de omvang van het risico dan beïnvloed door de aard van deze banden?

2c) Moet artikel 30, lid 9, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, voor zover hierin de beperking van de toegang tot informatie over economisch begunstigden afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde van “een risico”, aldus worden uitgelegd dat de bescherming die voortvloeit uit een beperking van de toegang wordt uitgesloten wanneer die informatie, of andere elementen die de economisch begunstigde aanvoert om het bestaan en de omvang van het “risico” te onderbouwen, voor derden gemakkelijk toegankelijk is via andere informatiekanalen? Derde vraag: begrip “onevenredig” risico

3) Met welke uiteenlopende belangen moet rekening worden gehouden bij de toepassing van artikel 30, lid 9, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, voor zover deze de beperking van de toegang tot informatie over een economisch begunstigde afhankelijk stelt van een “onevenredig” risico?

[Noten]

(1)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73).
(2)  PB 2018, L 156, blz. 43.

 

Vindplaats:
EUR-Lex overzichtspagina, Nederlandstalige versie.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Ubo-register | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Is de gegevensdelingswet voor banken een Super-SyRI?

Zoals bekend heeft de Tweede Kamer de wet aangenomen die het mogelijk zal maken dat de banken hun eigen surveillance organisatie – Transactiemonitoring Nederland (TMNL) – kunnen optuigen. Deze wet heet de Wet gegevensverwerking samenwerkingsverbanden (WGS).

In het kader van de behandeling in de Eerste Kamer waarschuwt de maatschappelijke coalitie tegen SyRI voor het wetsvoorstel, dat zij ‘Super SyRI’ noemen. Zij schrijven:

Dit voorstel legitimeert de werkwijze die leidde tot de toeslagenaffaire.

Lees SyRI-coalitie aan Eerste Kamer: ‘Super SyRI’ blauwdruk voor meer toeslagenaffaires (11 januari).

Afbrokkeling van de bescherming van burgers
Maxim Februari schreef een kritisch artikel over de afbrokkeling van de bescherming van burgers en organisaties tegen gulzige overheden en financiële instellingen. Hij schrijft onder meer:

De directeur van onderzoeksnetwerk Kafkabrigade merkte op dat burgers meestal geen idee hebben wie hun gegevens allemaal in huis hebben en hoe ze die kunnen opvragen. Door „de lappendeken aan stichtingen die persoonsgegevens verwerken” wordt het steeds moeilijker je te verdedigen en beschikking te krijgen over je eigen dossier.

Verder maakt hij melding van het proefschrift van Marlies van Eck over rechtsbescherming bij geautomatiseerde ketenbesluiten en schrijft:

Er moet toezicht op komen, maar Van Eck zegt dat ze bij de automatisering van menselijke overheidstaken nog nooit structurele toezichthoudende activiteiten heeft gezien. „Terwijl de ontwikkeling van computerbesluiten al twintig of misschien wel dertig jaar aan de hand is. Dat maakt mij niet zo optimistisch voor de toekomst.”

Zeer fundamenteel is zijn opmerking over de rechtsstatelijkheid van de criminaliteitsbestrijding:

de trias politica wankelt nu de uitvoering dominant wordt, het legaliteitsbeginsel wankelt nu regels niet meer te doorzien zijn en het principe van doelbinding wordt losgelaten. De rechtsbescherming verdwijnt op hoog tempo en veel politieke partijen zijn nog niet begonnen hierover na te denken.

Hij signaleert de niet-transparante rol van bedrijven, met name banken:

Overheden delen gegevens met bedrijven die daardoor het bestuur overnemen – de nieuwe wet is er een voorbeeld van.

Het is terecht dat hij eindigt met de mededeling dat het onverstandig is dat de oude waarborgen worden afgeschaft zonder dat er wordt gezocht naar nieuwe waarborgen. Dat is vriendelijk gezegd, maar moet als spijkerharde kritiek op de huidige en voorgenomen criminaliteitsbestrijding worden aangemerkt.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d., ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Prejudiciële vragen aan het CJE over het ubo-register | Wwft

Het Tribunal d’arrondissement te Luxemburg heeft een prejudiciële beslissing gevraagd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECJ) inzake de Luxemburgse ubo-registerwet [1] en over de 4e Europese antiwitwasrichtlijn (AMLD4) [2], waarop die wet gebaseerd is.

Het Tribunal vraagt of de bepaling in AMLD4 inzake openbaarheid van het register van uiteindelijk belanghebbenden (ubo-register) rechtsgeldig is in het licht van het EVRM en het Europees Handvest en voorts wordt de vraag gesteld waarop is gebaseerd dat de criminaliteitsbestrijding is gediend met de openbaarheid van het register. Voorts wordt een vraag gesteld over de ‘uitzonderlijke omstandigheden’ waaronder de persoonsgegevens van de uiteindelijk belanghebbende niet openbaar hoeven te worden gemaakt. Ook ligt de vraag voor of wel juist is dat de ubo niet mag weten wie om inzage in zijn gegevens heeft gevraagd.

Het verzoek is gedaan in de Franse taal in een procedure tussen een in Luxemburg gevestigde naamloze vennootschap en het Luxemburgse handelsregister. Er is een Nederlandse vertaling beschikbaar [3], waarin de vragen van de Luxemburgse rechter aan het ECJ als volgt worden verwoord:

Eerste vraag

Indien artikel 1, lid 15, onder c), van richtlijn (EU) 2018/843, tot wijziging van artikel 30, lid 5, eerste alinea, van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie , aldus moet worden opgevat dat het de lidstaten verplicht de [Or. 11] informatie over de uiteindelijk begunstigden in alle gevallen voor alle leden van het grote publiek toegankelijk te maken zonder dat een rechtmatig belang behoeft te worden aangetoond, is dit artikel dan rechtsgeldig in het licht van

a. het in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verzekerde recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven, uitgelegd overeenkomstig artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens [en de fundamentele vrijheden], gelet op de met name in de overwegingen 30 en 31 van richtlijn 2018/843 vermelde doelstellingen van in het bijzonder de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, en

b. het in artikel 8 van het Handvest verzekerde recht op bescherming van persoonsgegevens, voor zover daarmee in het bijzonder wordt beoogd te waarborgen dat de verwerking van persoonsgegevens geschiedt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is, dat bij de verzameling en verwerking van persoonsgegevens het doelbindingsbeginsel wordt nageleefd en dat de gegevensverwerking minimaal is?

Tweede vraag

1. Moet artikel 1, lid 15, onder g), van richtlijn 2018/843 aldus worden uitgelegd dat slechts sprake is van de in dit artikel vermelde uitzonderlijke omstandigheden – in welk geval de lidstaten kunnen voorzien in een uitzondering op de toegang voor het grote publiek voor alle of een gedeelte van de informatie over de uiteindelijk begunstigden, indien die toegang de uiteindelijk begunstigde blootstelt aan een onevenredig risico, een risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie – –indien wordt bewezen dat de specifieke persoon van de uiteindelijk begunstigde daadwerkelijk een onevenredig risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie loopt, waarbij dit risico uitzonderlijk, daadwerkelijk, gekwalificeerd, reëel en actueel is?

2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord en artikel 1, lid 15, onder g), van richtlijn 2018/843 aldus moet worden uitgelegd, is dit artikel dan rechtsgeldig in het licht van het in artikel 7 van het Handvest verzekerde recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven en in het licht van het in artikel 8 van het Handvest verzekerde recht op bescherming van persoonsgegevens?

Derde vraag

1. Moet artikel 5, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG („algemene verordening gegevensbescherming”), dat verplicht tot de verwerking van persoonsgegevens op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat

a. persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde die zijn ingeschreven in een register van uiteindelijk begunstigden, dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, voor het grote publiek toegankelijk zijn zonder toezicht of rechtvaardiging, en zonder dat de betrokken persoon (de uiteindelijk begunstigde) kan weten wie toegang heeft gehad tot die hem betreffende persoonsgegevens, en [Or. 12]

b. de verwerkingsverantwoordelijke voor dat register van uiteindelijk begunstigden toegang verleent tot de persoonsgegevens van de uiteindelijk begunstigden aan een onbeperkt en niet vast te stellen aantal personen?

2. Moet artikel 5, lid 1, onder b), van de algemene verordening gegevensbescherming, dat het doelbindingsbeginsel oplegt, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde die zijn ingeschreven in een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, voor het grote publiek toegankelijk zijn zonder dat de verwerkingsverantwoordelijke van deze gegevens kan garanderen dat zij uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verzameld, namelijk in wezen de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, een doelstelling waarvoor het grote publiek niet de verantwoordelijke instantie is?

3. Moet artikel 5, lid 1, onder c), van de algemene verordening gegevensbescherming, dat het beginsel van minimale gegevensverwerking oplegt, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat middels een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, het grote publiek niet alleen toegang heeft tot de naam, de geboortemaand, het geboortejaar, de nationaliteit en de woonstaat van een uiteindelijk begunstigde, alsmede tot de aard en omvang van het door deze uiteindelijk begunstigde gehouden daadwerkelijke belang, en eveneens tot zijn geboortedatum en zijn geboorteplaats?

4. Verzet artikel 5, lid 1, onder f), van de algemene verordening gegevensbescherming, op grond waarvan persoonsgegevens op een dusdanige manier moeten worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is en zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking, waardoor de integriteit en vertrouwelijkheid van die gegevens worden gewaarborgd, zich niet ertegen dat persoonsgegevens van de uiteindelijk begunstigden, die beschikbaar zijn in het register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15 van richtlijn 2018/843, onbeperkt, onvoorwaardelijk en zonder verplichting tot vertrouwelijkheid toegankelijk zijn?

5. Moet artikel 25, lid 2, van de algemene verordening gegevensbescherming, dat zorgt voor de bescherming van persoonsgegevens door standaardinstellingen op grond waarvan met name persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat

a. een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, van leden van het grote publiek niet verlangt dat zij zich op de website van dit register registreren wanneer zij persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde raadplegen, en

b. wanneer in een dergelijk register opgenomen persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde worden geraadpleegd, daarover geen informatie wordt verstrekt aan die uiteindelijk begunstigde, en

c. er, gelet op de doelstelling van de verwerking van de betrokken persoonsgegevens, geen beperking geldt wat betreft de omvang en de toegankelijkheid van deze gegevens? [Or. 13]

6. Moeten de artikelen 44 tot en met 50 van de algemene verordening gegevensbescherming, die aan de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen strenge voorwaarden verbinden, aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat dergelijke gegevens van een uiteindelijk begunstigde die zijn ingeschreven in een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, in alle gevallen voor alle leden van het grote publiek toegankelijk zijn zonder dat een rechtmatig belang behoeft te worden aangetoond en ongeacht waar een lid van het grote publiek zich bevindt?

 

Dit is interessant voor de Nederlandse procedure die op verzoek van Privacy First wordt gevoerd. In de dagvaarding wordt subsidiair aan de voorzieningenrechter gevraagd om prejudiciële vragen te stellen aan het ECJ.

[1] Loi du 13 janvier 2019 instituant un Registre des bénéficiaires effectifs.
[2] Overzichtspagina AMLD4 op EUR-Lex. Deze richtlijn is gewijzigd door de  Let op dat AMLD4 gewijzigd is door de 5e Europese antiwitwasrichtlijn, bekijk de geconsolideerde versie van 9 juli 2018.
[3] Zaak C-601/20, de Nederlandse vertaling van de beschikking is op de site van de ECJ te vinden.

 

Lees de berichten op dit blog over het ubo-register en over de criminaliteitsbestrijding door bedrijven (zoals banken) en andere privé-personen.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, rechtsstaat e.d., Ubo-register | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen