Maatschappelijke betamelijkheid van banken en de besmettelijkheid van trustkantoren

Banken zijn bijzondere organisaties. Ze zeggen mensenrechten te respecteren en maatschappelijk betamelijk te handelen, maar of dat in de praktijk ook gebeurt…

Sportvereniging
Van iemand verbonden aan een trustkantoor hoorde ik dat zijn sportvereniging, waar hij bestuurder van is, ineens rare vragen kreeg van de bank. Kennelijk zijn niet alleen trustkantoren ‘besmet’, maar is ook iedereen die er een functie vervult is per definitie een vermoedelijke crimineel, wat er voor zorgt dat alle organisaties waaraan trustkantoorbestuurders verbonden zijn, zelfs sportclubs, verdacht zijn. Mij lijkt dat maatschappelijk onbetamelijk.

Privé-financiering
Eveneens bont werd het gemaakt door een bank het die een financieringsaanvraag kreeg van een bv van iemand die werknemer (geen directeur) van een trustkantoor is. De werknemer heeft een beperkte volmacht voor het trustkantoor, wat voor de bank voldoende is om de aanvraag van zijn persoonlijke bv te weigeren, zonder verder te kijken naar de specifieke rol van de werknemer bij het trustkantoor en andere omstandigheden.

Onbetamelijk
Trustkantoren die zich moeite getroosten hun wettelijke taken goed uit te voeren worden niet beloond door banken, zij worden over één kam geschoren met de zwakke broeders (die je overal hebt). Kennelijk wordt door banken uitsluitend gehandeld op basis van vooroordelen. Dat is overigens niet iets waarmee alleen trustkantoren te maken hebben, ‘de-risking’ is endemisch in de financiële sector.

In de praktijk hebben benadeelden meestal geen zin om een en ander aan de kaak te stellen.

De maatschappelijke betamelijkheid is in de twee voorbeelden ver te zoeken. Het is hoog tijd dat banken hun gedrag ten opzichte van Nederlandse burgers verbeteren en niet meer uit angst voor DNB hun klanten onfatsoenlijk behandelen.

 

PS Voor andere voorbeelden houd ik me aanbevolen.

 

Dit artikel verscheen eerder op Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Trustkantoren | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Wijziging Europese lijst van schurkenstaten (witwasbestrijding) | Wwft, AML, CFT

Op 7 januari heeft de Europese Commissie een wijziging van de zwarte lijst van landen relevant voor de witwasbestrijding bekend gemaakt. Zie de nieuwe Commission Delegated Regulation (EU) /… on amending Delegated Regulation (EU) 2016/1675 waarin Burkina Faso, de Kaaiman Eilanden, Haïti, Jordanië, Mali, Marokko, de Filipijnen, Senegal en Zuid Soedan worden toegevoegd aan lijst van hoogrisicolanden en waarin de volgende landen worden verwijderd uit die lijst: de Bahama’s, Botswana, Ghana, Irak en Mauritius.

Overigens staan op de schurkenstatenlijst veel ontwikkelingslanden en landen in oorlog, wat de verlening van ontwikkelingshulp ernstig belemmert, lees bijvoorbeeld dit artikel in DW over Afghanistan. In 2020 schreef ik er al over.

Nog steeds geen databank
Het is treurig dat de arrogante Europese regelgevers nog steeds geen openbare volwassen databank met dit soort informatie aan het witwasbestrijdingsplichtige volk bieden.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , | Plaats een reactie

After many warnings… EDPS orders Europol to erase data concerning individuals with no established link to a criminal activity

Europol is already for some time under scrutiny of the European Data Protection Supervisor (EDPS), but apparently Europol has not listened. On 10 January EDPS ordered Europol to erase data concerning individuals with no established link to a criminal activity, read the press release, the faq and the decision.

 

More information:

Earlier posts on this blog on Europol and EDPS:

 


Addition 2 February 2022
The European Parliament (EP) announces on 2 February: “Europol reform: agreement between EP and Council to boost data analysis and safeguards“. According to EP’s press release Europol has to respect fundamental rights.

In the 2 February edition of its newsletter, European dataprotection organisation EDRi dives into the secret negotiations about Europol’s reform that would enable mass surveillance of people and discriminatory predictive policing, read Secret negotiations about Europol: the big rule of law scandal

EDRi, European Center For Not-for-Profit Law ECNL and other human rights organisations on 26 January published its letter regarding Europol, with the title “Civil society urges European policy-makers to seriously reconsider the expansion of Europol’s data processing capacities“.

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Jaarrapportage 2020 Wet Normering Topinkomens

Onlangs werd een voortgangsoverzicht inzake de Wet Normering Topinkomens (WNT) bekend gemaakt. Ingrijpende wetswijzigingen werden in de begeleidende brief niet aangekondigd.

Accountancy Vanmorgen schrijft dat een belangrijk deel van de overtredingen van de WNT door de accountant is gesignaleerd.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Wet Normering Topinkomens | Tags: | Plaats een reactie

Verkocht Nederland atoomgeheimen in opdracht van de VS? | Klokkenluider Veerman en atoomspion Khan

Klokkenluider Veerman vertelde tijdens een interview op de radio (juli 2020) [*] dat hij er vanuit ging dat Nederland in opdracht van de Amerikanen atoomgeheimen bekend maakte aan een Pakistaanse spion, daar schreef ik eerder over (1, 2). Deze maand maakte de minister van Binnenlandse Zaken de uitkomsten van een onderzoek naar deze affaire bekend door middel van een brief.

Daarin wordt onder meer ingegaan op de wijze waarop de overheid Veerman heeft bejegend. De Nationale Ombudsman bracht na een klacht in oktober 1986 een rapport uit waarin werd geconcludeerd dat geen sprake zou zijn van niet-behoorlijke gedragingen van de BVD in relatie tot het ontslag van de heer Veerman. Daarna volgde in juli 2020 een rapport van het Huis voor Klokkenluiders, waarin men zegt dat de werkgever van Veerman hem heeft benadeeld. In oktober 2020 heeft Veerman laten weten nog steeds van mening te zijn dat hij ernstig is benadeeld door overheidsgedragingen, aldus de brief van deze maand:

Hij stelde door de BVD te zijn geïntimideerd en onder druk te zijn gezet in een groot aantal, circa 30, gesprekken. Voorts stelde hij te zijn geïntimideerd tijdens een getuigenverhoor in februari 1983 en in het buitenland een aantal malen door opsporingsdiensten te zijn opgehouden. Tenslotte stelde hij dat de overheid met zijn werkgever heeft samengespannen ter zake van zijn ontslag. Deze gebeurtenissen hebben – zo stelde de heer Veerman – hem belemmerd in zijn sociale functioneren.

Naar aanleiding daarvan is onderzoek ingesteld en zegt de minister dat er niets is gevonden:

Uit dat onderzoek blijkt dat geen feiten kunnen worden vastgesteld die een aanwijzing vormen dat de heer Veerman door overheidsorganisaties is benadeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat 40 tot 45 jaar later lang niet alles meer kan worden onderzocht.

Waarna een relaas over het ingestelde onderzoek volgt. De minister laat weten geen reden te zien voor genoegdoening. Ondertussen hebben de nabestaanden van Veerman laten weten de klacht die Veerman tegen de BVD had ingediend te handhaven. De minister schrijft:

Met het afronden van het onderzoek heb ik daarom tegelijkertijd een beslissing op de klacht van de heer Veerman genomen. De nabestaanden van de heer Veerman hebben de mogelijkheid om hierover een klacht in te dienen bij de CTIVD.

Over betrokkenheid van Nederland bij overdracht van de atoomgeheimen wordt niet gerept. Dat zal wel niet mogen van de Amerikanen.

 

[*] (Op 25 april 2023 aangevuld) Het fragment van de uitzending wordt nog wel op de NPO site aangekondigd:

maar het fragment zelf is helaas verdwenen.

 


Aanvulling 15 maart 2022
Na het afsluiten van dit artikel zag ik het bericht van Cora Wielenga van het NCI, Minister Ollongren rondt onderzoek naar benadeling Frits Veerman vanuit de overheid af. Zij sluit af met:

Eerder las ik het boek Splijtstof waarin het verhaal onder andere vanuit het perspectief van Frits Veerman wordt verteld. Het verhaal dat in Splijtstof – net zozeer voorzien van bewijs – wordt verteld komt niet overeen met de conclusie van de minister.
Daarmee ontstaat bij mij de vraag: Wie heeft gelijk in deze tragische geschiedenis? Een vraag die zeer waarschijnlijk onbeantwoord blijft.

Bij de VPRO verscheen 11 oktober 2021 AQ Khan, geniale spion of marionet?, waarin niet over de rol van de VS wordt gerept.

Aanvulling 12 augustus 2022
Zie de Argos-aflevering van 26 maart 2022, Waarom Washington de Pakistaanse atoombom niet tegenhield, een titel die het tegenover gestelde suggereert wat Veerman zei, al schrijven ze in de intro: “Heeft Nederland inderdaad Khan zijn gang laten gaan op verzoek van Washington, zoals wijlen premier Ruud Lubbers eerder in Argos vertelde? En waarom liet Nederland kans op kans schieten om Khan in de gevangenis te zetten?“. Ik denk nog steeds dat de veronderstellingen die Veerman in een interview op de radio (juli 2020) uitte kloppen en dat de VS achter het verschaffen van atoomgeheimen aan Pakistan zat.

Aanvulling 25 april 2023
Tekst voor de uitzending van nieuwsweekend aangepast aangezien het fragment is verdwenen. Er was geen gelegenheid de overige urls te controleren.

Op de Argos site staat een interview met Ko Colijn onder de titel Defensiedeskundige Ko Colijn: ‘Nederland liet Khan zijn gang gaan op last van de CIA’, 25 april 2023.

Geplaatst in Grondrechten | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Ubo-register-conclusie Pitruzella – Europees hof van justitie | bedreigde ubo

Op 20 januari jl. werd de Franstalige conclusie (een advies) van advocaat-generaal (‘AG’) Pitruzella aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) bekend gemaakt. De conclusie is hier te vinden. De AG adviseert inzake prejudiciële vragen die door de Luxemburgse rechter zijn gesteld over het ubo-register, dat op grond van Europees recht is ingesteld.

De machinevertaling in het Nederlands van de slotsom van Pitruzella luidt als volgt, met markering door mij:

IV. Conclusie

280. In het licht van de voorgaande overwegingen stel ik het Hof voor, als volgt te antwoorden op de door het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg (Luxemburg) gestelde prejudiciële vragen in de zaken C 37/20 en C 602/20:

(1) Artikel 30, lid 5, tweede alinea, van Richtlijn 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 van het Parlement en de Raad van 30 mei 2018, is ongeldig voor zover zij bepaalt dat elk lid van het algemene publiek recht heeft op toegang tot “ten minste” de daarin vermelde gegevens, en aldus voorziet in de mogelijkheid dat elk lid van het algemene publiek toegang heeft tot andere gegevens over uiteindelijk gerechtigden dan die welke in hetzelfde lid zijn vermeld.

Artikel 30, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, is ongeldig.

Artikel 30, lid 5 bis, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het aan de lidstaten staat om ervoor te zorgen dat de organen of autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van de registers van uiteindelijke begunstigden, op de hoogte zijn van de identiteit van de personen die toegang hebben tot dat register.

Artikel 30, lid 9, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, gelezen in het licht van het Handvest van de grondrechten, en met name artikel 51, lid 1, ervan, uitgelegd in die zin dat de lidstaten niet alleen het recht hebben te voorzien in afwijkingen van de toegang van het publiek tot informatie over de uiteindelijke begunstigden van vennootschappen en andere juridische entiteiten die is opgenomen in nationale registers van uiteindelijke begunstigden, maar zijn verplicht dergelijke afwijkingen te voorzien en toe te staan wanneer, in uitzonderlijke omstandigheden, een dergelijke toegang de uiteindelijke begunstigde zou blootstellen aan een onevenredig risico van inbreuk op zijn grondrechten als bedoeld in het Handvest geldig is.

Bij onderzoek van de eerste vraag en de tweede vraag, sub b, in zaak C 601/20 is niet gebleken van enig ander element dat de geldigheid van artikel 30, leden 5 en 9, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, kan aantasten.

6) De bepalingen van hoofdstuk V van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een register dat gedeeltelijk toegankelijk is voor het publiek, zonder dat een rechtmatig belang hoeft te worden aangetoond of een beperking geldt voor de plaats waar het publiek zich bevindt. De overdracht uit dat register kan echter, overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder g), van die verordening, slechts plaatsvinden indien is voldaan aan de voorwaarden voor raadpleging van het register waarin de wet voorziet, en op voorwaarde dat die raadpleging niet het gehele register betreft.

Artikel 30, lid 9, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, moet aldus worden uitgelegd dat het aan de lidstaten staat om in hun nationale recht te bepalen welke situaties “uitzonderlijke omstandigheden” in de zin van deze bepaling vormen. Aangezien deze bepaling geen bijkomend vereiste bevat dat aangeeft in welke vorm de lidstaten dit begrip moeten invullen, staat niets eraan in de weg dat een lidstaat het begrip “uitzonderlijke omstandigheden” uitsluitend definieert onder verwijzing naar de situaties die reeds door deze bepaling worden bestreken, op voorwaarde evenwel dat de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht het mogelijk maakt om de uiteindelijk gerechtigden te beschermen tegen onevenredige schendingen van hun grondrechten. Daartoe kan het nodig zijn dat de nationale rechter zelf concreet de aard en de draagwijdte vaststelt van de uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan kan worden afgeweken van de toegang van het publiek tot informatie over uiteindelijk gerechtigden, enkel voor zover dit noodzakelijk is om de grondrechten van deze laatsten ten volle te beschermen. Bij deze vaststelling moet rekening worden gehouden met het feit dat, ten eerste, het “uitzonderlijke” karakter van de omstandigheden geval per geval nauwkeurig moet worden beoordeeld, ten tweede, dat in geval van afwijkingen van een algemene regel de betrokken bepaling in beginsel strikt moet worden uitgelegd en, ten derde, dat de omstandigheden die de afwijking kunnen rechtvaardigen, buitengewoon moeten zijn en een onevenredig risico van aantasting van de grondrechten moeten meebrengen.

Artikel 30, lid 9, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, moet aldus worden uitgelegd dat het vereiste van onevenredigheid van het risico een voorwaarde is die van toepassing is op de specifieke risico’s die in die bepaling worden genoemd, namelijk het risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie, alsook elke inbreuk op de grondrechten van de uiteindelijk gerechtigde die een uitzondering op de toegang van het publiek tot informatie over hem rechtvaardigt. Het bestaan en de onevenredige aard van een dergelijk risico kunnen in voorkomend geval worden bepaald door rekening te houden met de banden die de uiteindelijk gerechtigde in kwestie heeft met vennootschappen en andere juridische entiteiten, alsmede met trusts en juridische constructies met een structuur of functies die vergelijkbaar zijn met die van trusts, in zijn of haar hoedanigheid van uiteindelijk gerechtigde van dergelijke entiteiten, andere dan die waarvoor om een vrijstelling van de toegang van het publiek tot informatie wordt verzocht. Het is echter aan de begunstigde of de entiteit die om een ontheffing van de toegang van het publiek tot informatie verzoekt, om aan te tonen dat deze banden een relevante factor vormen die het bestaan van een onevenredig risico van schade aan de grondrechten van de betrokken uiteindelijk gerechtigde rechtvaardigt of ondersteunt. Artikel 30, lid 9, sluit de mogelijkheid uit dat een vrijstelling van toegang van het publiek tot informatie over een uiteindelijk gerechtigde wordt verleend indien die informatie via andere informatiekanalen gemakkelijk toegankelijk is voor derden.

9) Het is aan de betrokken uiteindelijk gerechtigde om het onevenredige risico en de uitzonderlijke omstandigheden aan te tonen die een vrijstelling op grond van artikel 30, lid 9, van Richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2018/843, kunnen rechtvaardigen. Daartoe moet de uiteindelijk gerechtigde het bestaan van het onevenredige risico van schending van zijn grondrechten en het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden met een voldoende mate van waarschijnlijkheid aantonen en concrete, precieze en wezenlijke aanwijzingen verstrekken over de dreiging van schending van zijn grondrechten en de uitzonderlijke omstandigheden.

(10) Bij de beoordeling van het bestaan van een onevenredig risico voor de uiteindelijk gerechtigde dat overeenkomstig artikel 30, lid 9, van Richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2018/843, een ontheffing van de toegang van het publiek tot informatie over hem rechtvaardigt, moet rekening worden gehouden met enerzijds de in die bepaling genoemde specifieke risico’s en anderzijds met de grondrechten van de betrokkene in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, die respectievelijk door de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten worden beschermd, en anderzijds het belang van het publiek en van de samenleving in haar geheel om de identiteit van de uiteindelijke begunstigden te kennen teneinde te voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.

Opvallend is dat de ubo’s volgens het advies het recht moeten hebben te weten wie hun gegevens heeft opgevraagd, een logische eis in het licht van de principes van de AVG. Verder oordeelt Pitruzella dat afscherming van gegevens niet onnodig mag worden bemoeilijkt. Hij accepteert de merkwaardige veronderstelling van de Europese en nationale wetgevers dat de openbaarheid van de ubo-gegevens zou bijdragen aan de misdaadbestrijding.

Naar aanleiding van dit advies schrijft de vereniging van Familiebedrijven Nederland (FBNed) dat een van de conclusies is dat het register in de huidige vorm niet acceptabel is. Voorts merkt FBNed op dat nog onbekend is wat deze uitspraak betekent voor het Nederlandse ubo-register dat al operationeel is en waarvan de deadline voor het aanleveren van ubo-informatie voor entiteiten die bij inwerkingtreding al bestonden verloopt op 27 maart aanstaande. Zij schreven een artikel (pdf) naar aanleiding van het advies, waarin ook een oproep aan de Nederlandse overheid is opgenomen:

Oproep aan betrokken Ministeries

Het standpunt van de AG betekent dat het Nederlandse UBO-register niet in orde is. Nu dit advies van de AG – als het HvJ-EU het zou overnemen – een fundamentele wijziging van het UBO-register noodzakelijk maakt, doen wij een dringende oproep aan het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de invoering van het UBO-register op te schorten tenminste tot het moment dat het HvJ-EU uitspraak heeft gedaan. Ondertussen zou ook het afschermingsregime nog eens goed bekeken moeten worden. De huidige Nederlandse regeling lijkt UBO’s die voor crimineel handelen vrezen te weinig ruimte te geven om te verzoeken om afscherming van hun identiteit.

Als het Nederlandse UBO-register in zijn huidige vorm wordt doorgezet, dan zijn de gevolgen onomkeerbaar en een schending van de rechten van UBO’s die ook gewoon burgers zijn.

 


Aanvulling 8 februari 2022
Zie over de bedreigde ubo ook het artikel ‘KVK bereid adressen sneller af te schermen’ op accountant.nl.

Aanvulling 5 april 2022
Inmiddels is er ook een officiële Nederlandstalige versie van de conclusie.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Kamer van Koophandel, Ubo-register | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Banken willen gelijk speelveld met BigTech | AVG

De jacht op persoonsgegevens heeft in een deel van de software industrie al geleid tot oligopolies (zoals bij operating systemen en smartphones).
In de financiële sector is eveneens een wedstrijd gaande, zo kan onder meer uit een position paper (opinie) van de Duitse vereniging van banken (Bankenverband) worden afgeleid. Onder meer schrijft de organisatie dat financiële instellingen op grond van PSD2 betalingsgegevens moeten openstellen voor derde partijen, waar Amerikaanse techbedrijven de vruchten van plukken [*]:

Het huidige kader creëert echter asymmetrieën waarbij sommige bedrijven – voornamelijk de gevestigde niet-Europese techconcerns – als poortwachters voor de gegevens fungeren, terwijl banken eenzijdig toegang moeten verlenen tot hun klantengegevens. Er is een gebrek aan wederkerigheid, wat een negatief effect heeft op de digitale soevereiniteit van Europa.

 

Het Bankenverband dringt er in de opinie op aan dat een sectoroverschrijdend kader voor gegevensuitwisseling (B2B) voor persoonlijke en niet-persoonlijke gegevens tot stand wordt gebracht. De belemmeringen voor samenwerking bij de uitwisseling van gegevens moeten worden weg genomen, aldus de organisatie. Dat betekent ook dat de Europese data-economie dient te worden bevorderd door middel van Europese bedrijfstak overschrijdende data-ecosystemen, waarvan Gaia-X een voorbeeld is.

Lastig is dat er al zoveel persoonsgegevens rondzwerven op het internet en bij allerlei in data handelende partijen (zoals advertentiebedrijven, kredietbeoordelingsbedrijven, handelaren in witwasbestrijdingsgegevens).  Hoewel er grootschalig in strijd met de AVG wordt gehandeld, wordt er nauwelijks tegen opgetreden.

Versterking van de Europese IT-sector is toe te juichen. De vraag is of het niet beter is om eerst de bescherming van Europese gegevens op orde te brengen en pas daarna een datadelingssysteem te creëren.

 

In de opinie opgenomen plaatje:

 

[*] De Nederlandse versie is een machinevertaling. Het Duitse origineel:

Der derzeitige Rahmen schafft jedoch Asymmetrien, bei denen einige Unternehmen – überwiegend die etablierten nicht-europäischen Technologiekonzerne – als Daten-Gatekeeper agieren, während Banken den Zugriff zu ihren Kundendaten einseitig ermöglichen müssen. Es fehlt die Wechselseitigkeit, was sich negativ auf die digitale Souveränität Europas auswirkt.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Voorstel Wet beschikbaarheid basisbetaalrekening Nederlanders buiten de Europese Unie

De afgelopen jaren zijn Nederlanders buiten de EU in de problemen geraakt door opzegging door Nederlandse banken van hun bankrekening. Dit heeft onder meer bejaarde Nederlanders getroffen. Vandaag heeft lid van de Tweede Kamer Sneller een wetsvoorstel ingediend om er voor te zorgen dat Nederlanders die buiten de EU wonen een basisbankrekening kunnen aanhouden.

Er wordt voorgesteld de Wet op het financieel toezicht aan te passen:

De bank mag de rekening opzeggen als de in het land van verblijf van de Nederlander geldende regels voor het aanbieden “niet langer verenigbaar zijn met het Nederlandse recht“:

De indiener leidt zijn voorstel in de memorie van toelichting als volgt in:

Dit wetsvoorstel beoogt het hebben van een basisbetaalrekening voor alle Nederlanders mogelijk te maken, ongeacht of zij woonachtig zijn in de Europese Unie of daarbuiten. In de huidige samenleving is het hebben van een basisbankrekening een voorwaarde om mee te kunnen doen aan de samenleving. De afgelopen jaren werden door Nederlandse banken de betaalrekeningen van Nederlanders woonachtig buiten de Europese Unie steeds vaker eenzijdig opgezegd, met nadelige en soms gevaarlijke gevolgen voor deze mensen. Met dit wetsvoorstel wordt een wettelijke recht gecreëerd voor Nederlanders buiten de Europese Unie om een basisbetaalrekening bij een Nederlandse bank aan te vragen en aan te houden.

Lees voor de overige toelichting de memorie van toelichting, die in paragraaf 2.5 uitgebreid in gaat op de opzegging door banken van rekeningen van Nederlanders buiten de EU en de consequenties daarvan; van de ongunstige Kifid-uitspraken wordt melding gemaakt.

Het is een goede zaak dat dit wetsvoorstel wordt ingediend. Het is te hopen dat een wetsvoorstel dat het recht van niet-consumenten op een betaalrekening regelt snel volgt.

 

Meer informatie:

Wetsvoorstel
De officiële naam van het voorstel: Voorstel van wet van het lid Sneller tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met het opnemen van het recht op een basisbetaalrekening voor Nederlanders woonachtig buiten de EU (Wet beschikbaarheid basisbetaalrekening Nederlanders buiten de Europese Unie)

 

Tweede Kamer
In 2020 beantwoordde de minister van Financiën kamervragen:
Antwoord minister van Financiën op vragen over het door banken weigeren van Nederlanders die niet in de EU wonen

 

Nederlanders buiten Nederland op dit blog
Op dit blog schreef ik al over dit onderwerp:

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Europees voorstel bestrijding brievenbusfirma’s is nieuwste boost voor belastingadviseurs

Een zorgelijke trend is dat de regelgevers steeds vaker vinden dat de burger zijn onschuld moet bewijzen of tegenbewijs moet leveren van ongewenste bedoelingen. Dat gaat van klein [1] tot groot. Bij bestrijding van financieel-economische criminaliteit is dit fenomeen vaker aan de orde [2].

ATAD3
Europa heeft weer een nieuwe variant voor het volk in petto. Het is een variant waarbij belastingadviseurs garen spinnen. Volgens een voorstel dat de Europese Commissie op 22 december 2021 heeft gedaan, bekend als ATAD3 [3], is een rechtspersoon bij bepaalde kenmerken een vermoedelijke brievenbusmaatschappij en kan alleen van fiscale faciliteiten gebruik maken als wordt bewezen dat de rechtspersoon geen brievenbusmaatschappij (‘shell’) is. Bij bepaalde omstandigheden wordt verondersteld dat de entiteit een ‘shell’ is. Verdacht zijn entiteiten die voldoen aan de ‘gateway conditions’ (onderstaand een deel van het artikel):

Dergelijke entiteiten moeten aan bepaalde substance indicatoren voldoen en als dat niet lukt is de entiteit – behoudens tegenbewijs – een ‘shell’. Onderstaand een passage uit het artikel over de substance indicatoren.

Humoristisch is dat de reikwijdte van het brievenbus-vermoeden (gateway conditions + substance indicatoren) zo ruim is, dat een geweldige serie van uitzonderingen nodig is, onder meer persoonlijke holdings en een hele serie gereguleerde financiële instellingen.

Paradijs voor belastingadviseurs
Het zal duidelijk zijn dat dit een belastingadviseurs-paradijs zal worden.

Ik blijf het apart vinden dat er door Nederlandse en Europese parlementariërs wordt afgegeven op belastingadviseurs en dat men vervolgens het vak bevordert door de regelgeving zo ingewikkeld te maken, dat je zonder belastingadviseur geen stap meer kunt zetten.

 

NB 1 De Europese ‘shell’ is een variant van de doorstroomvennootschap.

NB 2 Het voorstel zal grote gevolgen kunnen hebben voor trustkantoren, die als belangrijkste rol hebben dat ze als bestuurder van rechtspersonen en personenvennootschappen optreden.

 

Noten

[1] ‘Klein’ is bijvoorbeeld dat als er zwerfvuil op straat ligt met een sticker van een supermarkt er op (bijvoorbeeld een slingerende doos), de supermarkt een boete krijgt; er onder uit komen is heel lastig. Daarom worden de etiketten zorgvuldig van de dozen afgehaald, die men gratis aan klanten mee geeft. Daar is rechtspraak over, soms ontsnappen zielige burgers aan het boete-fuik.
[2] Een voorbeeld is de ‘hulpintermediair’ als bedoeld in de “Mandatory Disclosure Rules” (MDR), die vanwege een Europese richtlijn bekend als DAC6 bepaalde grensoverschrijdende constructies moet melden. Lees daarover dit artikel waarin is vermeld dat volgens de memorie van toelichting bewijs kan worden geleverd van de ‘onwetendheid’ van de potentiële hulpintermediair van diens betrokkenheid bij de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie.
[3] Zie het nieuwsbericht van de Europese Commissie: Billijke belastingheffing: Commissie stelt voor een einde te stellen aan het misbruik van lege entiteiten voor belastingdoeleinden binnen de EU (pdf) en het voorstel. Zie in de media onder meer Politiek spel rond EU-aanpak van brievenbusfirma’s gestart, Taxlive 10 januari 2022; Richtlijnvoorstel aanpak brievenbusmaatschappijen binnen EU, Taxlive 27 december 2021.

Geplaatst in Belastingrecht, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Trustkantoren | Tags: , , | Plaats een reactie

Bestuursrechtelijke procedure: gegevens ambtenaren mochten worden weggelakt | Awb, AVG

In een fiscale procedure oordeelde de geheimhoudingskamer van de behandelende rechtbank, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, dat de inspecteur van de Belastingdienst de persoonsgegevens van de ambtenaren, die voorkwamen in overgelegde stukken, mocht weglakken. De rechtbank overwoog dat terughoudendheid is geboden:

2.8. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

In dit geval weegt het belang van privacy van de ambtenaren zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de gegevens van de ambtenaren, aldus de rechtbank.

 

Meer informatie: de uitspraak.

Eerder schreef ik over Privacy in het wetsvoorstel nieuw bewijsrecht.

Geplaatst in Belastingrecht, Bestuursrecht | Tags: , , , | Plaats een reactie