Het Europese hof deed uitspraak in een Slowaakse zaak [1] over het op grond van het aanbestedingsrecht registreren van een uiteindelijk begunstige (‘ubo’) in een nationaal ubo-register (‘RPPS’). Uit de tekst blijkt dat de identiteit van de ubo door een notaris of advocaat moet worden geverifieerd. In de behandelde zaak zou daarmee iets fout zijn gegaan, waardoor zowel de rechtspersoon, de bestuurders van de rechtspersoon als de advocaat die had geverifieerd een boete kregen.
Die boete werd opgelegd omdat de boete opleggende overheidsinstantie van mening was dat de advocaat onvoldoende onafhankelijk was (‘tegenstrijdig belang regeling’). (Terwijl de registratie correct was verricht! [2])
De zaak kwam bij het Europese hof terecht, die onder meer constateert dat Slowakije twee ubo-registers kent met verschillende ubo-definities.
Het inhoudelijke geschil gaat over de oplegging van de boete. Het hof oordeelt dat het Europese recht zich niet verzet tegen de tegenstrijdig belang regeling en ook niet tegen het opleggen van een geldboete [3]. Wel heeft het hof bezwaar tegen een geldboete die niet rekening houdt met de omstandigheden [4].
Die omstandigheden zijn hier relevant, aangezien de advocaat betrokken was bij een slapende onderneming samen met iemand die bij de rechtspersoon betrokken was [5]. Mogelijk had de advocaat dat over het hoofd gezien.
De zaak maakt duidelijk dat het financiële recht bikkelhard is.
Noten:
[1] Zaak C-590/24, EUR-Lex: uitspraak, verzoek prejudiciële beslissing; curia: uitspraak in het Nederlands, verzoek prejudiciële beslissing in het Nederlands, Engels.
[2] In paragraaf 24 van het verzoek overweegt de verwijzende rechter: “In het bijzonder is in de onderhavige zaak niet aangetoond of gesteld dat de in het RPPS opgenomen gegevens van de uiteindelijk begunstigde van de partner van de publieke sector (die cruciaal worden geacht voor de transparantie over vermogensrechtelijke betrekkingen in de publieke sector) onjuist of onvolledig waren. Alleen de onpartijdigheid van de bevoegde persoon wordt in twijfel getrokken.“.
[3] “1) Artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het rechtszekerheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in een register van partners van de publieke sector, die inschrijving niet mag verrichten indien de betrekkingen die hij met de partner van de publieke sector onderhoudt twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, in het bijzonder wegens persoonlijke of vermogensrechtelijke banden met die partner van de publieke sector, zonder dat andere criteria zijn gepreciseerd aan de hand waarvan die onpartijdigheid kan worden beoordeeld en terwijl de niet-naleving van dit vereiste van onpartijdigheid tot de oplegging van een sanctie van strafrechtelijke aard leidt, voor zover die bevoegde persoon en die partner van de publieke sector, gelet op de bewoordingen van die nationale regeling en de uitlegging ervan op basis van de gebruikelijke methoden van uitlegging van het recht door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, in staat zijn om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen welk handelen of nalaten tot hun strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden.
2) Artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het rechtszekerheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die, in geval van niet-naleving van het vereiste van onpartijdigheid dat is opgelegd aan de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in het register van partners van de publieke sector, enkel bepaalt dat aan die vennootschap een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder de parameters te preciseren aan de hand waarvan dat voordeel kan worden vastgesteld, voor zover die parameters voortvloeien uit een gebruikelijke methode van uitlegging van het recht die door de bevoegde nationale rechterlijke instanties wordt toegepast, zodat die vennootschap in staat is om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen aan welke sancties zij zich in geval van schending van die regeling blootstelt.”
[4] “3) Artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij aan een vennootschap die deze regeling heeft geschonden automatisch een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder dat de bevoegde autoriteit bij de vaststelling van het bedrag van die geldboete rekening kan houden met enige omstandigheid die verband houdt met de niet-nakoming van de verplichting in kwestie. Daarentegen moet artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in de oplegging van een geldboete met een onder- en bovengrens, mits de bevoegde autoriteit in het bijzonder rekening houdt met de aard, de ernst, de wijze en de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting in kwestie.”
[5] “Verzoekende partijen stellen dat hoewel A.B. en J.D. in 2012 samen een vennootschap (onder de naam Prvá dražobná spoločnosť, s.r.o.) hadden opgericht, zij in de procedure wel hebben aangetoond dat deze vennootschap geen economische activiteiten uitvoerde (geen belastbare transacties verrichtte, geen facturen opstelde, geen bankrekening had) en dat het doel waarvoor zij was opgericht, niet is gerealiseerd. (…) In de hogerberoepsprocedure voeren verzoekende partijen aan dat zij zich ten tijde van inschrijving in het RPPS te goeder trouw aan de uitlegging van de wet hebben gehouden, geen gronden voor subjectieve onpartijdigheid hebben gevonden, en dat zij de betrekkingen tussen A.B. en J.D. – met het oog op de economische inactiviteit van de door hen opgerichte vennootschap – als een formele relatie hebben beschouwd.“

