De gevaarsconclusies van de integere overheid | wijziging van de Wet Bibob

Op 7 juni jl. is het verslag vastgesteld inzake een aanhangige wijziging van de Wet Bibob. Het verslag, waarin fracties van de Tweede Kamer vragen stellen over het wetsvoorstel, geeft een goed beeld over het overheidsdenken rondom misdaadbestrijding en de trend van het ongebreideld uitwisselen van gegevens tussen overheidsinstanties.

‘In relatie staan’ tot strafbare en beboetbare feiten
Opvallend aan het Bibob-systeem is dat niet alleen wordt nagegaan of er vermoedens zijn van betrokkenheid bij strafbare feiten, maar ook naar het ‘in relatie staan‘ tot strafbare of beboetbare feiten. Zoals gebruikelijk bij dit soort criminaliteitsbestrijdingsterminologie wordt niet uitgelegd wat er met ‘in relatie staan’ wordt bedoeld. Misschien staat iedere Nederlander wel ‘in relatie’ tot strafbare/beboetbare feiten.

Antecedenten
De AVG speelt bij de Wet Bibob een belangrijke rol, wat reden was voor een advies van de Autoriteit Persoonsgegevens.

Een van fracties van de Tweede Kamer vraagt of iemand die een vergunning aanvraagt er achter kan komen welke ‘gevaarsconclusies’ er over hem/haar of diens zakelijke relaties bestaan. Mij lijkt dat die zakelijke relaties ook belangstelling hebben voor de betreffende ‘gevaarsconclusies’. In feite is hier sprake van een soort extra justitieel register (naast het officiële strafregister waarin veroordeelde mensen worden opgenomen). Zoals met alle strafregisters en zwarte lijsten is essentieel dat de registratie zorgvuldig is, mensen met de registratie bekend worden gemaakt en dat de geregistreerde personen recht hebben op hoor en wederhoor. Ik ben benieuwd hoe dat in de Bibob-wereld is geregeld.

Tot slot
Al met al geeft het verslag een goed beeld van de ontwikkeling die Nederland doormaakt naar een surveillance samenleving waarin burgers er op verdacht moeten zijn of zij in relatie staan tot een strafbaar feit.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , | 1 reactie

Uitstel monistische bestuursstructuur bij stichting en vereniging | Wet bestuur en toezicht rechtspersonen II

Op 11 juni jl. werd bekend dat het gedeelte in de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen II dat betrekking heeft op het monistisch bestuursmodel bij stichtingen en verenigingen wordt uitgesteld omdat de Kamer van Koophandel er nog niet klaar voor is. In de toelichting staat het volgende:

De wijziging ziet allereerst op het uitzonderen van artikel I, onderdelen E, onder 1, FA, L en BBBA, van de WBTR van de inwerkingtreding op 1 juli 2021. Deze onderdelen faciliteren de keuze van verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen (hierna: owm’en) en stichtingen voor een monistisch bestuursmodel. De onderdelen bevatten daartoe een wettelijke grondslag in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor de mogelijkheid tot het instellen van een monistisch bestuursmodel voor deze rechtspersonen. Bij een monistisch bestuursmodel zitten uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders in het bestuursorgaan; er is geen aparte raad van commissarissen.

Met dit besluit wordt de inwerkingtreding van de bepalingen die het monistisch bestuursmodel faciliteren bij verenigingen, coöperaties, owm’en en stichtingen uitgesteld tot een nader bij koninklijk besluit te bepalen datum. Die bepalingen en de benodigde wijziging van de artikelen 28 en 29 van het Handelsregisterbesluit 2008 zullen in werking treden wanneer de technische mogelijkheid is gerealiseerd voor verenigingen, coöperaties, owm’en en stichtingen om in het handelsregister aan te geven of een bestuurder uitvoerend of niet-uitvoerend is. Het vooralsnog ontbreken van deze wettelijke grondslag doet er niet aan af dat in de praktijk bij deze rechtspersonen al wordt gewerkt met een monistisch bestuursmodel (vgl. Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 3, p. 4 en Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 6, p. 3). Die praktijk kan ongewijzigd worden voortgezet.

Meer informatie: besluit van 11 juni 2021.

Geplaatst in Bestuur en toezicht bij rechtspersonen, Kamer van Koophandel, Rechtspersonenrecht, Stichting en vereniging | Tags: | Plaats een reactie

Nieuw recht voor stichtingen en verenigingen treedt op 1 juli a.s. in werking

Na een lange parlementaire aanloop veranderen op 1 juli aanstaande de regels in het Burgerlijk Wetboek voor stichtingen en verenigingen.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel [1] is in juni 2016 ingediend en daarna ingrijpend veranderd. Dat betekent dat oude informatie niet meer bruikbaar is. Dat is een reden om op een rij te zetten wat er voor stichtingen en verenigingen anders wordt.

De wijzigingen zijn te verdelen in twee categorieën:

  • Regels die meteen van toepassing zijn en kunnen betekenen dat de statuten in de toekomst gewijzigd moeten worden.
  • Nieuwe mogelijkheden en regelingen.

 

Regels die meteen van toepassing zijn per 1 juli 2021

Tegenstrijdig belang

Bij besloten vennootschappen gelden al langer specifieke voorschriften inzake tegenstrijdig belang, die overigens bij sommige verenigingen en stichtingen al in de statuten zijn opgenomen. Deze regeling gaat nu ook gelden voor stichtingen en verenigingen, ook al bevatten de statuten er niets over.

De voorschriften houden in dat als een bestuurder of commissaris / lid raad van toezicht van een stichting of vereniging een tegenstrijdig belang heeft, de betrokkene niet mag deelnemen aan een besluitvorming binnen het bestuur respectievelijk de raad van commissarissen. Voor de helderheid is het aan te bevelen de nieuwe regels bij een eerstvolgende statutenwijziging mee te nemen.

Aanpassing regels bestuurdersaansprakelijkheid

Voor een bepaalde groep stichtingen en verenigingen worden de aansprakelijkheidsregels aangepast. Het betreft:

  • stichtingen en verenigingen die aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen;
  • de entiteiten die bij of krachtens de wet verplicht zijn een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in Boek 2 Burgerlijk Wetboek.

Voor hen gaat dezelfde regel inzake omkering van de bewijslast voor bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement gelden, die we al bij nv’s en bv’s kennen, als niet aan de wettelijke administratieplicht is voldaan en/of als de jaarrekening niet tijdig is openbaar gemaakt.

Voor alle stichtingen en verenigingen gaat in faillissementssituaties een regeling inzake collectieve aansprakelijkheid van het bestuur gelden. Het betekent dat als in faillissement wordt geconstateerd dat het bestuur in de periode van drie jaar vóór zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement, dit tot gevolg heeft dat ieder van de bestuurders aansprakelijk is, ongeacht zijn aandeel. Een bestuurder is dan alleen niet aansprakelijk als hij kan bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Verantwoordelijkheden toezichthouder

In de wet is duidelijker dan voorheen geregeld welke verantwoordelijkheden, bevoegdheden en aansprakelijkheden toezichthouders [2] bij een stichting of vereniging hebben. De toezichthouders hebben tot taak om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Voorts staan de toezichthouders het bestuur met raad terzijde. Toezichthouders moeten zich bij de vervulling van hun taak richten op het belang van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming of organisatie.

Ontstentenis en belet

De statuten van stichting en vereniging dienen een regeling te bevatten met het oog op onverwacht defungeren, ontslag of langdurige ziekte, als gevolg waarvan er geen overblijvende leden van bestuur respectievelijk raad van commissarissen meer zijn. Bij de eerstvolgende statutenwijziging moet hier een voorziening voor worden opgenomen.

Beperking meervoudig stemrecht

Statutaire bepalingen op grond waarvan een bestuurder respectievelijk commissaris in respectievelijk het bestuur of de raad van commissarissen in zijn eentje meer stemmen kan uitbrengen dan de andere leden van het bestuur / de raad van commissarissen, worden onverbindend met ingang van de eerstvolgende statutenwijziging, dan wel (als dat eerder is) op 1 juli 2026. Dat betekent dat de betreffende stichting of vereniging vijf jaar de tijd heeft om na te gaan of en hoe de statuten gewijzigd moeten worden.

Adviesrecht bestuurders en commissarissen van de vereniging

Net als bij kapitaalvennootschappen al langer het geval is, hebben bestuurders en commissarissen het recht de ledenvergadering over te nemen besluiten te adviseren. Dit wordt ook wel ‘de raadgevende stem’ genoemd.

 

Nieuwe mogelijkheden en regelingen

Formalisering monistische structuur

Als binnen de stichting of vereniging in de statuten staat dat in het bestuur zowel ‘toezichthoudende’ bestuurders als ‘uitvoerende’ bestuurders voorkomen, noemt men dat wel een monistische structuur. Bij stichtingen kwam dit in de praktijk wel voor. Voor deze monistische structuur is nu bij stichting en vereniging een wettelijke basis opgenomen in het Burgerlijk Wetboek, die echter niet op 1 juli 2021 in werking treedt.

Bij behoefte aan formeel toezicht, kan gekozen worden tussen een raad van commissarissen die toezicht houdt op het bestuur en een monistische structuur met niet-uitvoerende bestuurders. Voor het tot stand brengen van een structuur met toezichthouders is altijd een statutenwijziging nodig.

De betreffende artikelen zullen in werking treden nadat de Kamer van Koophandel er voor heeft gezorgd dat de keuze voor het monistische model bij het handelsregister kan worden geregistreerd. Op dit moment is nog niet bekend wanneer dit is.

Verruiming ontslagmogelijkheden bestuurders en toezichthouders stichting

De gronden om de rechter te vragen om ontslag van de bestuurder van een stichting worden verruimd. Vanaf 1 juli 2021 kan een bestuurder van een stichting op verzoek van het openbaar ministerie of een belanghebbende worden ontslagen op grond van taakverwaarlozing of andere gewichtige redenen, of wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet geduld kan worden. Een gelijksoortige regeling is van toepassing op commissarissen.

 

Statutenwijziging?

Bij de meeste stichtingen en verenigingen is de nieuwe wet reden voor een statutenwijziging en is dat een goed moment om na te gaan of ook de rest van de statuten passend is voor de organisatie. Ook kan het een goed moment zijn om te kijken naar de aansluiting van interne procedures en de vastlegging in reglementen en besluiten.

 

Noten

[1] Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, op 10 november 2020 door de Eerste Kamer aangenomen. De wet wijzigt ook de regels voor coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, maar dat wordt hier niet besproken.
[2] Dit zijn de commissarissen, leden van de raad van toezicht en de niet-uitvoerende bestuurders die later in het artikel worden besproken. Zij moeten goed worden onderscheiden van organen met een andere rol, zoals een commissie van advies.

 

Dit artikel is een geactualiseerde versie van het artikel dat ik in januari 2021 voor de Pellicaan site schreef en wat ook op dit blog verscheen.

Geplaatst in Bestuur en toezicht bij rechtspersonen, Bestuurdersaansprakelijkheid, Kamer van Koophandel, Not-for-profit, Rechtspersonenrecht, Stichting en vereniging | Tags: | Plaats een reactie

Mag KvK om kopie-ID van de uiteindelijk belanghebbende vragen | Wwft, ubo-register

De privacy- en cybersecurity risico’s van het register van uiteindelijk belanghebbenden (ubo-register) zijn enorm, onder meer omdat iedereen die registratieplichtig is, zoals besloten vennootschappen, de eigen ubo’s moeten inschrijven, inclusief de bewijsstukken van het (in)directe aandeelhouderschap.

Voorbeeld:
Als een Duits echtpaar beiden directe en indirecte aandeelhoudersbelangen hebben in tien Duitse gmbh’s en twintig Nederlandse bv’s, moeten zij de door de nationale ubo-registers verlangde bewijsstukken verschaffen aan de directies van alle dertig kapitaalvennootschappen, met alle privacy- en cybersecurity-risico’s van dien. Deze directies moeten de ubo’s inschrijven in respectievelijk het Duitse ‘Transparenzregister’ en het Nederlandse ubo-register. Die informatieverschaffing aan directies van werkmaatschappijen is iets waar ubo’s terecht zeer ongelukkig mee zijn.

Kopie-ID?
Bijzonder is dat de Nederlandse Kamer van Koophandel (‘KvK’) eist dat de directie van een entiteit een kleurenkopie van beide kanten van het identiteitsbewijs (‘ID’) van de ubo overlegt, waarop volgens de KvK alleen de foto onherkenbaar mag worden gemaakt. Het nummer van het ID mag volgens de KvK niet worden afgeschermd.

Eerder publiceerde ik op dit blog het artikel Kopie identiteitsbewijs van de ubo – mag dat? | Wwft. Daarin constateerde ik dat er in de wet geen grondslag is te vinden voor de eis van de KvK dat een kopie ID van de uiteindelijk belanghebbende (‘ubo’) wordt gevraagd.

Vandaag keek ik op de website van de KvK en kwam ik een pagina tegen waarin een grondslag wordt genoemd,

Waarom wordt het kopie identiteitsbewijs van UBO’s opgeslagen in het UBO-register?
Bevoegde autoriteiten zoals opsporingsinstanties kunnen een kopie identiteitsbewijs van een UBO gebruiken voor opsporingsdoeleinden, als daar aanleiding voor is. De wettelijke grondslag staat in art. 15a lid 3 sub a van de Handelsregisterwet 2007.

Echter, het genoemde artikel bevat die grondslag niet. De tekst van artikel 15a luidt:

Handelsregisterwet 2007
Geldend van 04-12-2020 t/m heden

Artikel 15a

1. In het handelsregister wordt opgenomen wie de uiteindelijk belanghebbende is of de uiteindelijk belanghebbenden zijn van vennootschappen of andere juridische entiteiten als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme die overeenkomstig de artikelen 5 of 6, eerste lid, zijn ingeschreven in het handelsregister, met uitzondering van verenigingen van eigenaars en overige privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b.

2. In het handelsregister wordt over een uiteindelijk belanghebbende opgenomen:
a. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, indien dat aan hem is toegekend;
b. een fiscaal identificatienummer van een ander land dan Nederland waarvan hij ingezetene is, indien dat door zijn woonstaat aan hem is toegekend;
c. de naam, de geboortemaand en het geboortejaar, de woonstaat en de nationaliteit;
d. de geboortedag, de geboorteplaats, het geboorteland en het woonadres;
e. de aard van het door de uiteindelijk belanghebbende gehouden economische belang en de omvang van dit belang, aangeduid in bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen klassen.

3. In het handelsregister worden ten aanzien van een uiteindelijk belanghebbende gedeponeerd:
a. afschriften van de documenten op grond waarvan de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b, c en d, zijn geverifieerd;
b. afschriften van de documenten, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën, waaruit de aard en omvang van het economische belang, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, blijken.

 

Kopie-ID is niet verplicht
In lid 3 sub a. staat alleen dat er bewijsstukken moeten worden gedeponeerd, niet dat het nodig is om een kopie ID van de uiteindelijk belanghebbende te deponeren.

Dat is ook logisch, want de Handelsregisterwet 2007 geeft uitvoering aan de anti-witwaswet Wwft. Die wet stelt aan de verificatie van de identiteit van de ubo lagere eisen dan wordt gesteld aan de verificatie van de identiteit van de vertegenwoordiger van een entiteit (bijvoorbeeld een besloten vennootschap) of de natuurlijke persoon die cliënt is. Inzake de ubo is het voldoende de complete voornamen en achternaam te registreren en is van belang dat wordt aangetoond waarom betrokkene ubo is.

Dat betekent dat ook andere vormen van bewijslevering mogelijk moeten zijn. Zo kan ik me in het Duitse voorbeeld in het begin voorstellen dat de Duitse ubo’s er niet voor voelen kopieën van hun ID’s aan de directies van de Nederlandse werkmaatschappijen te geven en evenmin om die directies volledig te informeren over de structuur boven de directe aandeelhouder van de Nederlandse bv’s. Uit oogpunt van veiligheid en privacy, dienen zij in staat te worden gesteld alternatieve documenten aan te leveren, bijvoorbeeld een uitvoerige verklaring van een Duitse notaris, waarin de op grond van de Nederlandse wet gevraagde gegevens worden vermeld, zonder kopieën van ID’s en van andere vertrouwelijke documenten.

Handelsregisterwet 2007 gaat verder dan AMLD4/5 eist
Het genoemde artikel in de handelsregisterwet schrijft voor dat bepaalde gegevens van de ubo moeten worden geregistreerd:

  • fiscaal identificatienummer/bsn;
  • naam, woonadres, nationaliteit;
  • geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland.

De door de 5e Europese antiwitwasrichtlijn (AMLD5) gewijzigde 4e Europese anti-witwasrichtlijn (AMLD4) eist niet dat een kopie ID in het uboregister wordt opgeslagen, lees daar artikel 30 maar op na. Evenmin vereist AMLD4 de hiervoor genoemde persoonsgegevens. Daarmee gaat de Handelsregisterwet 2007 verder dan wat de Wwft en wat AMLD4 inzake de verificatie van de ubo voorschrijven.

Verder kan de vraag worden gesteld of het voorschrift van artikel 15a wel in overeenstemming is met de AVG, nu het tot gevolg heeft dat vertrouwelijke persoonsgegevens aan de directie van de entiteit worden verschaft, terwijl dit normaliter informatie is die de directie uit oogpunt van privacy en veiligheid niet krijgt. Een dergelijk voorschrift hoort op grond van de AVG aan de proportionaliteitseis te voldoen, mij lijkt dat die toets hier niet wordt doorstaan.

Tot slot
Er is alle reden voor ubo’s om er bezwaar tegen te hebben dat een kopie van het ID aan de directie van de entiteit moet worden afgegeven. Waarschijnlijk is een procedure nodig om boven water te krijgen dat de KvK een onrechtmatige eis stelt.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Kamer van Koophandel, Ubo-register | Tags: , , | Plaats een reactie

AML-legislation inevitably leads to exclusion if fundamental rights are not taken seriously | RUSI event on inclusion

One of the many fundamental flaws in the anti-money laundering (‘AML’) concepts of the Financial Action Task Force (FATF) is that their recommendations regarding risk profiling and monitoring transactions of customers lead to exclusion of people, organisations and regions (e.g. Eastern Europe) from the financial system. This phenomenon is referred to as ‘de-risking’ [*].

Exampes

A known example of exclusion are the FATCA-victims, people who are confronted with the Citizenship-based taxation (‘CBT’) system of the US and who are denied access to a payment account, in violation with Directive 2014/92/EU. Reason: not having an American tax identification number is considered to mean not filing a tax return in the US; not filing is considered to be money laundering, even when banks know that CBT violates human rights and no tax is to be expected.

There are other examples, like Europeans that temporarily or permanently live outside the EU and lose their bank account because AML/CFT-monitoring is considered to be ‘to difficult’ by banks. (Directive 2014/92/EU is limited to residents of the EU.)

Other types of exclusion are to be found with companies and organisations that financial institutions (like banks)  consider to be ‘high risk’, like not-for-profit organisations and certain types of companies. The so-called quality newspapers seem to be the main source of information for this classification. Dutch example: if your name is negatively mentioned by het Financieele Dagblad (FD) you are sure of having problems with the banks.

 

RUSI event 30 June 2021

It looks as if FATF and its supporters, like the British Royal United Services Institute (RUSI), have discovered the negative impact of AML-legislation. I am not sure if they really intend to do anything about it.

RUSI is having an online event on Wednesday 30 June 2021, announced in their article Assessing the Impact of the Financial Action Task Force on Financial Inclusion. All those who are confronted with exclusion by financial institutions are advised to join the event.

RUSI author Isabella Chase on inclusion:

 

[*] Read also:

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Nederland heeft implementatie 5e antiwitwasrichtlijn nog niet voltooid | Wwft

Volgens een bericht van de Europese Commissie zou Nederland de implementatie van de vijfde Europese antiwitwasrichtlijn nog niet voltooid hebben. Wat Nederland niet goed heeft gedaan wordt uit het bericht niet duidelijk. Er staat de cryptische tekst:

De door Nederland vastgestelde wettelijke maatregelen hebben geen betrekking op anonieme rekeningen, recht op bestuurlijke toetsing, noodzakelijke transparantie over de uiteindelijk begunstigden van trusts of soortgelijke juridische constructies, of adequate toegang tot informatie door de financiële-inlichtingeneenheden

In Nederland bestaan toch geen anonieme rekeningen? Geen idee wat er met ‘bestuurlijke toetsing’ wordt bedoeld en de toegang tot informatie van de FIU’s is toch al lang geregeld? Het enige dat ik kan bedenken is dat men te laat is met het ubo-register van trusts, voor de rest kan ik het niet volgen.

De complete tekst van de Europese Commissie:

Bestrijding van witwassen van geld: Commissie verzoekt HONGARIJE, NEDERLAND en POLEN omzetting van vijfde antiwitwasrichtlijn te voltooien

De Commissie heeft Hongarije, Nederland en Polen met redenen omklede adviezen gestuurd wegens onvolledige omzetting van de vijfde antiwitwasrichtlijn in nationaal recht. De Commissie heeft vastgesteld dat de omzetting door Hongarije, Nederland en Polen onvolledig is. Hongarije heeft bepaalde EU-regels met betrekking tot bijvoorbeeld anonieme rekeningen, doeltreffende sancties, toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden en voorwaarden voor de uitwisseling van informatie tussen relevante autoriteiten niet omgezet. De door Nederland vastgestelde wettelijke maatregelen hebben geen betrekking op anonieme rekeningen, recht op bestuurlijke toetsing, noodzakelijke transparantie over de uiteindelijk begunstigden van trusts of soortgelijke juridische constructies, of adequate toegang tot informatie door de financiële-inlichtingeneenheden. Polen heeft verzuimd regels om te zetten in verband met bijvoorbeeld de handel in kunstwerken, het gebruik van anonieme prepaidkaarten die in derde landen zijn uitgegeven, verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen die moeten worden toegepast met betrekking tot zakelijke relaties of transacties waarbij derde landen met een hoog risico zijn betrokken, en regels betreffende het vereiste niveau van transparantie bij de uiteindelijke begunstigden van trusts of soortgelijke juridische constructies. De doeltreffende strijd tegen witwaspraktijken is een van de speerpunten van de benadering van de EU voor de bestrijding van de criminaliteit in Europa. De door de nieuwe richtlijn teweeggebrachte wijzigingen zijn belangrijk voor de extra transparantie en regels om de integriteit van het financiële stelsel van de EU te waarborgen. Daarom zal de Commissie vasthouden aan haar vastberaden handhavingsaanpak om ervoor te zorgen dat de regels tijdig en correct worden toegepast. De handhaving van de huidige regels is en blijft relevant, ook in het licht van het komende voorstel inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Alle lidstaten moesten de voorschriften van de vijfde antiwitwasrichtlijn uiterlijk op 10 januari 2020 hebben omgezet. Als Hongarije, Nederland en Polen hun nationale wetgeving niet binnen twee maanden in overeenstemming met het EU-recht brengen, kan de Commissie de zaken voorleggen aan het Hof van Justitie.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Ubo-register | Tags: , , , | Plaats een reactie

Nieuwe regels zwarte lijsten financiële instellingen | PIFI

De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) liet weten dat het Protocol Incidenten Waarschuwings­systeem Financiële Instellingen (PIFI) is vernieuwd.

Via de ‘uitgelicht’ pagina van het jaarverslag 2020 kan worden doorgeklikt naar het bericht “Vernieuwing Protocol Incidenten Waarschuwings­systeem Financiële Instellingen (PIFI)”, waarin wordt verteld dat de afspraken voor het uitwisselen van bepaalde soorten fraude zijn vastgelegd in het PIFI en dat de NVB dit protocol heeft geactualiseerd in nauw overleg met het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland, Zorgverzekeraars Nederland en de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken. Het vernieuwde protocol is door de Autoriteit Persoonsgegevens goedgekeurd.

Een link naar het protocol is niet bij het bericht te vinden. Wel wordt verwezen naar een artikel en een pagina over de misdaadbestrijdingstaken van banken.

Op de site van de Autoriteit Persoonsgegevens kon ik niets vinden over goedkeuring van de nieuwe versie van het PIFI, het laatste dat ik zie is een brief van 2 september 2017 waarin de goedkeuring van de oude versie werd verlengd in verband met het opstellen van een nieuwe tekst. En op de pagina over de zwarte lijst financiële instellingen is ook niets te zien.

Kennelijk is de nieuwe PIFI vers van de pers, maar dan had het de NVB gesierd als er bij het artikel meteen een verwijzing naar de nieuwe tekst was geplaatst.

 


Aanvulling 19 juni 2021
NVB heeft de link onder het geciteerde bericht aangepast. Er wordt nu verwezen naar een pagina met de verschillende edities van PIFI.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Staan banken nog naast mensen? | toegang tot het bancaire systeem, FATCA

Vandaag bracht de Nederlandse Vereniging van Banken een nieuwsbericht uit onder de titel “Online jaarverslag 2020 is uit! ‘2020: naast mensen staan’“. Die titel is in tegenspraak met wat mensen (en organisaties) in de praktijk merken:

Al eerder signaleerde ik de blinde vlek bij het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) inzake toegang tot het bancaire stelsel.

Op de ‘uitgelicht’ pagina van het online jaarverslag wordt gezegd dat Nederlandse banken voorop zouden lopen als het gaat om “het respecteren van mensenrechten en het naleven van de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles (UNGP’s)“. Het is hoog tijd dat de banken deze grondrechten ook gaan respecteren met betrekking tot hun Nederlandse klanten.

 


Aanvulling 17 juni 2021
Een mensvriendelijke actie van ABN Amro was om kosten in rekening te brengen voor contante opnamen. Daarover werden gisteren vragen uit de Tweede Kamer beantwoord, kijk hier.

Aanvulling 13 december 2021
Nog steeds durven banken te beweren dat ze mensenrechten respecteren, lees dit artikel.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Europese Commissie kondigt vervolgstap aan inzake Europese aanbestedingsplicht woningcorporaties

Over de exacte betekenis van het begrip ‘publiekrechtelijke instelling’ in het Europese aanbestedingsrecht bestaat de nodige onduidelijkheid, zoals uit de eerder door mij besproken uitspraak van het Europese Hof van Justitie over een Italiaanse sportbond blijkt.

Wellicht dat dit hof ook gaat oordelen over de Nederlandse woningcorporaties, want op 9 juni maakte de Europese Commissie bekend dat Nederland is gesommeerd om het Europese aanbestedingsrecht na te leven:

Overheidsopdrachten: Commissie verzoekt NEDERLAND om aan EU-voorschriften te voldoen

De Commissie heeft vandaag besloten Nederland een met redenen omkleed advies te sturen met betrekking tot zijn regels inzake woningcorporaties. In de Nederlandse wetgeving worden woningcorporaties niet als aanbestedende dienst aangemerkt, en zij houden zich daarom niet aan de EU-voorschriften inzake overheidsopdrachten. Zij worden echter als publiekrechtelijke instellingen beschouwd die binnen het toepassingsgebied van de EU-richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen en moeten de bepalingen van die richtlijnen toepassen. Daarom is de Commissie van oordeel dat Nederland de EU-wetgeving (Richtlijn 2014/23/EU en Richtlijn 2014/24/EU) heeft geschonden, met name de transparantieverplichting op grond waarvan woningcorporaties hun aanbestedingen moeten publiceren teneinde gelijke kansen voor bedrijven mogelijk te maken en bij hun aankopen de beste prijs-kwaliteitverhouding te krijgen. De Commissie heeft in december 2017 een eerste aanmaningsbrief gestuurd, gevolgd door een aanvullende aanmaningsbrief in januari 2019. Na analyse van de antwoorden heeft de Commissie besloten een met redenen omkleed advies uit te brengen. Nederland heeft nu twee maanden de tijd om de nodige stappen te ondernemen om aan de EU-voorschriften te voldoen. Anders kan de Commissie de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie.

 


Aanvulling 19 juni 2021
Lees ook ECER over de aankondiging.

Geplaatst in Europa, Not-for-profit | Tags: | Plaats een reactie

Poortwachters-illusies | Wwft

Bij de Nederlandse overheid leeft de illusie dat overheidstaken op het gebied van misdaadbestrijding door de zgn. ‘poortwachters’ kunnen worden overgenomen, waarbij men vooral aan banken denkt. Helaas is de afgelopen tijd gebleken dat dat banken al niet in staat zijn om een goede poortwachter te zijn, wat doet vrezen dat het met de andere witwasbestrijdingsplichtigen (Wwft-plichtigen) even slecht is gesteld.

Het grenzeloze poortwachteroptimisme is terug te vinden in antwoorden van het Ministerie van Financiën op vragen uit de Tweede Kamer die eind mei bekend werden gemaakt.

De poortwachters-illusies en politieke marketing zoals ook weer in de recente antwoorden naar voren komen:

  • Er wordt over ‘private partijen’ (=Wwft-plichtigen) gesproken terwijl het in werkelijkheid de banken betreft. Bijvoorbeeld te vinden in de tekst: “Het plan van aanpak witwassen (…) is in samenspraak met diverse betrokken publieke partijen en private partijen opgesteld”.
  • De veronderstelling is dat Wwft-plichtigen allemaal hetzelfde zijn, zoals in: “Een adequate invulling van de poortwachtersfunctie door poortwachters is een cruciaal onderdeel van het anti-witwasbeleid” en “de poortwachters van ons financieel stelsel” (waartoe ook garagebedrijven en administratiekantoren behoren).
  • De wenselijkheid van het creëren van een bancaire pseudo-overheid, te weten de samenwerkende banken, die gezamenlijk alle banktransactiegegevens van iedere burger en organisatie analyseren zonder enige onafhankelijk toezicht en zonder rechtsbescherming voor burger / organisatie. Terwijl diezelfde banken geen bankrekeningen meer willen verschaffen, negatieve rente rekenen over spaartegoeden of zelfs geen spaarrekeningen willen aanbieden (zoals ING en Aegon).
  • Het ministerie meent dat Wwft-plichtigen oneindige financiële middelen hebben om aan alle bureaucratische verlangens van dat Ministerie van Financiën te voldoen, blijkend uit teksten als: “Het plan van aanpak witwassen bevat aanvullingen en intensiveringen van het anti-witwasbeleid op de terreinen van de drie genoemde pijlers en heeft daarmee dus ook tot doel om de effectiviteit van de poortwachtersfunctie te versterken. De basis hiervoor ligt bij de poortwachters zelf“. Makkelijk praten over andermans portemonnee.
  • Het ministerie denkt dat de vele samenwerkingsclubjes in de criminaliteitsbestrijding meer zijn dan gezellige vergaderomgevingen waarin de betrokken personen lekker gewichtig kunnen doen en ons gemeenschapsgeld verspillen, lees bijvoorbeeld: “Partijen werken steeds intensiever samen, zoals in het Financieel Expertise Centrum (FEC) en het Anti Money Laundering Centre (AMLC). Tevens zijn nieuwe vormen van samenwerking ontstaan, zoals de pilot Serious Crime Task Force en de Fintell Alliance, een samenwerkingsvorm tussen de FIU-Nederland en de vier grootbanken. Bovendien spraken we de betrokken publieke en private partijen de afgelopen jaren regelmatig over de voortgang van het plan van aanpak witwassen“. Natuurlijk gun ik de vergadertijgers hun podia, maar dan verwacht ik wel dat zij dat gratis doen. Tenslotte moeten de Wwft-plichtigen het werk voor de overheid ook gratis doen.
  • Het ubo-register en het oneindig verzamelen van persoonsgegevens en andere vertrouwelijke gegevens van klanten door Wwft-plichtigen zou volgens het Ministerie van Financiën de manier zijn waarop misdaad kan worden bestreden. In werkelijkheid leidt de datahonger van overheid en Wwft-plichtigen tot nieuwe criminele mogelijkheden en tot grote cybersecurity- en veiligheidsrisico’s voor burgers. Digitalisering maakt de wereld onveilig voor mensen.
  • Er bestaat een oneindig geloof in het analyseren van alle mogelijke data en een heilig vertrouwen dat de ijverige overheidsdienaren nooit fouten maken. Dus moet de Autoriteit Persoonsgegevens niet zeuren over controle, waarborgen en rechtsbescherming.  Vooral de banken moeten zoveel mogelijk gegevens krijgen en uitwisselen, waarbij gemakshalve wordt vergeten dat de rechtsbescherming de burger ten opzichte van de banken zeer pover is.
  • In het kader van de tech-religie van het Ministerie van Financiën meent men dat geaggregeerde informatie over witwasrisico’s, typologiën en fenomenen kan worden gecreëerd die behulpzaam zou zijn voor de poortwachters. Het is kennelijk nog niet tot het ministerie doorgedrongen dat IT dom is. Lees daar Kate Crawford maar op na: “she shows how the new infrastructures of AI reflect the beliefs and perspectives of a small group of people and serve the interests of the few at the expense of the many” (over haar nieuwe boek). Data-analyse is het tech-speeltje van de witte machthebbers.

De surveillance maatschappij komt er onherroepelijk aan en het betalingsverkeer speelt daarin een hoofdrol. Voor de mens is dan geen plaats meer, alleen als robot kun je nog overleven.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Strafrecht | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie