Beroepsorganisatie accountants enquêteert beroepsbeoefenaren inzake doelmatigheid WNT

Het zou vaker moeten gebeuren: onderzoek door burgers naar de doelmatigheid van wetgeving. Het is nl. niet voldoende dat de wetgever ‘goede bedoelingen’ heeft, zoals bij de Wet Normering Topinkomens (WNT) het geval is. Het middel mag niet erger zijn dan de kwaal.

Daarom is het een goede zaak dat de beroepsorganisatie van accountants, de NBA, een enquête houdt onder de accountants over de doelmatigheid van de WNT. Hierna volgt de aankondiging:

 

Enquête: validatie doelmatigheid WNT
30 april 2020

Dit jaar vindt de tweede evaluatie van de Wet Normering Topinkomen (WNT) plaats. De NBA heeft eerder een bijdrage geleverd aan deze evaluatie. Voor het onderdeel doelmatigheid van de WNT zijn we geïnteresseerd in de ervaringen van u als accountant en uw kantoor met de controle van de WNT.

Enquête
De vragen gaan over de duidelijkheid van de wet, de accountantscontrole, het WNT-toezicht en de accountantskosten die u gemiddeld doorberekend aan de WNT-instelling. Bij de vragen over de administratieve lasten vragen we u een inschatting te maken van de kosten die met de controle van de WNT door een accountant gepaard gaan.

De enquête loopt tot 15 mei. Het invullen van de enquête duurt ongeveer 20 minuten.

 

Andere berichten op dit blog over de WNT zijn via de WNT-rubriek te vinden.

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Wet Normering Topinkomens | Plaats een reactie

Een nieuwe stok om mee te slaan | naming & shaming in de sanctieregelgeving

De kerngedachte achter veel wetgeving afkomstig van het Ministerie van Financiën is dat ondernemers zich niet vrijwillig maatschappelijk  betamelijk gedragen en dat er altijd zware sancties en naming & shaming nodig zijn om ondernemers tot fatsoen te dwingen.

Datzelfde Ministerie is niet bereid om regelgeving van goede kwaliteit te maken, die is te doorgronden door de regelgevingssubjecten (de burger, de onderdaan, de ondernemer) en die praktisch uitvoerbaar is. Een onderscheid tussen grote en kleine ondernemingen wordt nauwelijks gemaakt. Een van de domeinen waarin dit speelt is die van de witwasbestrijding en sanctieregelgeving.

In de laatste wetgevingswensenbrief van DNB, die van 12 maart jl. dateert en onlangs bekend werd, blijkt dat DNB vraagt om de mogelijkheid om de overtreders van de sanctieregels te namen & shamen.

2.3 Introductie publicatieplicht in Sanctiewet
De Sanctiewet bevat momenteel geen publicatieregime. Dat betekent dat handhavingsmaatregelen die door DNB worden genomen op basis van de Sanctiewet niet worden gepubliceerd. Dit is niet wenselijk. In integriteitsonderzoeken worden met enige regelmaat schendingen van de Sanctiewet vastgesteld naast schendingen van de Wwft of de Wtt 2018. De Wwft en Wtt 2018 bevatten wel een publicatieregime. DNB wenst dit gelijk te trekken voor de Sanctiewet. Publicatie van deze handhavingsmaatregelen dient, evenals bij de publicatieregimes in de Wwft en de Wtt 2018, het doel van informeren van het publiek, van preventie alsook van inzicht in de handhavingspraktijk.

Wat mij betreft is dat de verkeerde volgorde.

Het is hoog tijd dat de kwaliteit van de regelgeving sterk wordt verbeterd en dat er minder vaak gewijzigd wordt. Het dringend nodig dat de overheid de voorlichting inzake witwasbestrijding en sanctieregelgeving sterk verbetert (onder meer door een goede database met sanctie informatie en witwasbestrijdingsinformatie) [*].

De wijze waarop het Ministerie van Financiën met ondernemingen omgaat, is een indicatie dat het toeslagen-schandaal bij de Belastingdienst geen incident is. Het maakt duidelijk dat cultuur en gedrag van het Ministerie van Financiën te wensen overlaten.

Het is tijd voor een maatschappelijk betamelijke overheid.

 

[*] Zie onder meer deel 1. van mijn consultatiereactie aan DNB van september 2019 en een bericht over gebruik van mijn tekst door NCI.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Sanctieregels | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Fiscale geschillen als grondslag voor witwasvermoedens | De Wwft als hefboom ter bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking

 

Voor het Tijdschrift voor Compliance schreef ik onderstaand artikel. Elementen zijn onder meer:

    • de onjuiste fiscale risico-indicatoren van DNB,
    • de rol van grondrechten bij beoordeling van buitenlandse fiscale verplichtingen (FATCA),
    • de vraag of van banken kan worden verwacht dat fiscale risico’s bij hun klanten worden beoordeeld en
    • een pleidooi voor een ingrijpende herziening van de internationale antiwitwaswetgeving.

Ik besluit met de opmerking dat monitoring van naleving van fiscale regelgeving niet thuis hoort bij ondernemingen met onvoldoende fiscale kennis.

Het artikel kan als pdf bestand worden gedownload.

 


Fiscale geschillen als grondslag voor witwasvermoedens

De Wwft als hefboom ter bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking

Trefwoorden: zelfwitwassen, fiscale motieven, fiscale integriteitsrisico’s, Accidental Americans

 

Van ondernemingen die de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moeten naleven (Wwft-plichtigen) wordt in toenemende mate verwacht dat zij zich verdiepen in de vraag of hun cliënten fiscale wet- en regelgeving naleven [1]. Als deze cliënten dat niet doen kunnen zij een fiscaal voordeel behalen dat op grond van het Wetboek van strafrecht (Sr.) als ‘zelfwitwassen’ kan worden aangemerkt, met gevolgen voor Wwft-plichtigen op grond van de Wwft [2]. De vraag is of – als een Wwft-plichtige vaststelt dat een cliënt mogelijk geschillen heeft met een belastingautoriteit – daar een vermoeden van witwassen kan worden ontleend.

Banken en fiscale betamelijkheid
Van banken en trustkantoren verwacht toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) niet alleen zij alert zijn op belastingfraude (‘belastingontduiking’), maar ook dat zij belastingontwijking (onder meer agressieve tax planning) bestrijden. Voor deze twee groepen Wwft-plichtigen komt dat heel expliciet tot uitdrukking in twee recent uitgebrachte ‘Good practices’-documenten die DNB heeft uitgebracht [3], die zowel op de Wwft als op de Wet op het financieel toezicht (Wft) en Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) gebaseerd zijn.

Opvallend aan beide good practices documenten is dat deze uit gaan van de veronderstelling dat bij banken en trustkantoren diepgaande fiscale kennis, zowel nationaal als internationaal, aanwezig is, aan de hand waarvan de fiscale structuur van cliënten kan worden beoordeeld. Het gaat hier niet alleen om fiscale advisering door banken en trustkantoren aan hun cliënten (onder Wtt 2018 is dat voor trustkantoren verboden), maar ook om het beoordelen van bij cliënten aanwezige structuren en geldstromen.

DNB schrijft in de Good practices voor banken dat de doorlopende controle op de transacties van cliënten ook de fiscale motieven en fiscale integriteitsrisico’s omvatten. DNB gaat er van uit dat banken hun zakelijke relaties kunnen indelen op basis van fiscale risicoprofielen, waarbij opvalt dat DNB dezelfde kenmerken noemt als ook in omloop zijn bij signalering van corruptie en witwassen. De veronderstelling is dat er typologieën ontwikkeld kunnen worden aan de hand waarvan belastingfraude en belastingontwijking herkend kunnen worden. Het is de vraag of dat meer is dan wensdenken. Lees in dit verband het recent bekend gemaakte rapport Beleid Bestrijding Terrorismefinanciering Effectiviteit en Effecten (2013-2016) [4] waarin wordt geconstateerd dat op het terrein van terrorismefinanciering geen bruikbare risicoprofielen, typologieën en indicatoren zijn ontwikkeld. De auteurs signaleren dat ondanks de kritiek op de typologieën-gedachte door de overheidspartijen [5] wordt doorgegaan op het spoor dat het mogelijk is om terrorismefinancieringsrisico’s te typeren en te herkennen aan kenmerken [6]. Het is goed mogelijk dat hetzelfde speelt bij de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.

DNB noemt bij good practices die bij een bank zijn waargenomen enige voorbeelden van fiscale risico-indicatoren, die hoogst merkwaardig aandoen, zoals de aanwezigheid van meerdere lagen in de eigendomsstructuur, een stichting administratiekantoor en de aanwezigheid van een commanditaire vennootschap. Dit zijn in de Nederlandse ondernemingsrechtpraktijk gebruikelijke situaties en rechtsvormen, die als zodanig geen risico-indicator zijn, laat staan een fiscale risico-indicator. De fiscale risico’s zitten meer in de manier waarop de vehikels worden ingezet.

DNB voegt belastingontwijking en belastingontduiking samen onder de noemer ‘fiscale integriteitsrisico’s’ maar laat zich er niet over uit wanneer de grens van belastingoptimalisatie naar belastingontwijking (die DNB niet integer acht) wordt overschreden. Zoals gebruikelijk put DNB zich uit in procesbeschrijvingen [7].

De hooggespannen verwachtingen van de overheid leiden er toe dat banken hun cliënten bombarderen met grote aantallen vragen, die er vervolgens toe leiden dat die cliënten hoge kosten moeten maken om de vragen te beantwoorden. En soms gaat het dramatisch mis, zoals bij de Accidental Americans.

Beschuldiging belastingfraude – de Accidental Americans
Oppassende burgers kunnen door banken worden beschuldigd van misleiding en belastingfraude vanwege een Amerikaanse wet. Dat komt door de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA), een Amerikaanse wet die sinds 2013 via door de Verenigde Staten (VS) gesloten verdragen doorwerkt in de hele wereld. Ook Nederland heeft op 18 december 2013 een verdrag met de VS [8], hierna: ‘FATCA-verdrag’, gesloten. Op basis van dat verdrag verschaft Nederland gegevens aan de Amerikaanse belastingdienst, de IRS, die afkomstig zijn van financiële instellingen, met name banken.

De gegevens betreffen niet alleen Amerikaanse ingezetenen (fiscale inwoners) met bezittingen in Nederland. De VS is een van de weinige landen in de wereld die op basis van geboorte in het land, of het hebben van een Amerikaanse ouder, aan mensen de Amerikaanse nationaliteit toekent; deze mensen – die geen enkele band met de VS hoeven te hebben – zijn door hun nationaliteit belastingplichtig in de VS over hun wereldinkomen, zij vallen in de categorie ‘U.S. Persons’. De mensen die in de VS zijn geboren, of buiten de VS geboren zijn en een Amerikaanse ouder hebben, en die geen band met de VS hebben en ook geen paspoort, worden wel ‘Accidental Americans’ genoemd. Velen van hen ontdekten pas na 2014 dat zij belastingplichtig zijn in de VS.

De Nederlandse Accidental Americans worden vanaf 2014 geconfronteerd met banken die van hen verlangen dat zij het nummer van het Amerikaanse BSN (‘TIN/SSN’) aan de bank verschaffen. Aan de hand daarvan wil de bank gegevens inzake de bankrekening(en) van betrokkene via de Nederlandse belastingdienst aan de Amerikaanse belastingdienst verschaffen. [9] Veel Accidental Americans hebben geen TIN, om begrijpelijke redenen, en hebben er bezwaar tegen om hoge kosten te maken voor het aanvragen van die TIN, het doen van belastingaangifte in de VS en het beëindigen van hun Amerikaanse nationaliteit.

Banken zijn nu bezig de bankrekeningen van de Accidental Americans zonder TIN op te zeggen wegens vermoedens van witwassen. De redenering is bij in de VS geboren Accidental Americans als volgt:

• De cliënt is in de VS geboren, dus is hij een U.S. Person (tenzij hij over een bewijs van verlies van nationaliteit beschikt).
• Als de cliënt geen TIN kan leveren aan de bank, betekent dit dat hij geen belastingaangifte doet in de VS.
• Het niet doen van belastingaangifte in de VS levert een vermoeden van witwassen op, ook al is het maar voor 1 dollar.
• Europese consumenten hebben recht op een basisbetaalrekening [10], in Nederland dat geïmplementeerd door middel van § 4.3.1.8. van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Zo’n basisbankrekening mag slechts in uitzonderlijke gevallen worden opgezegd.
• De banken zijn van mening dat zo’n uitzonderlijk geval zich voordoet bij de Accidental Americans zonder TIN, want zij maken zich vermoedelijk schuldig aan witwassen, al is het maar voor 1 euro.
• Soms worden de Accidental Americans beschuldigd van misleiding van de bank, als zij de vraag of zij fiscaal inwoner van een ander land met ‘nee’ hebben beantwoord. Overigens hebben zij die vraag correct beantwoord als het om de VS gaat, zij zijn geen fiscaal inwoner van de VS, maar belastingplichtig op grond van hun nationaliteit.

Het opmerkelijk is dat de Wwft hier wordt gebruikt als argument om de rekening van de Accidental Americans zonder TIN op te zeggen. Dat wordt veroorzaakt door de ruime definitie van het begrip witwassen en doordat in het systeem van de Wwft geen rekening wordt gehouden met de herkomst van de fiscale regels.

Juridisch is het nodige op het FATCA-standpunt van de banken aan te merken. Zo is de vraag of de opzegging door de banken wel in overeenstemming is met paragraaf 4.3.1.8 Wft. De vraag is of er wel een geldige juridische grondslag is voor het eisen van de TIN/SSN, nu er geen Nederlandse wettelijke bepaling is, waar dit uit blijkt. In het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen staat deze eis niet [11]. Het volgt ook niet uit de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB). De WIB in het leven geroepen ten behoeve van gegevensuitwisseling tussen Europese landen en andere aangewezen staten inzake fiscale inwoners. Voorts kan worden gesteld dat Nederland ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de uitzonderingen van artikel 14 WIB [12].

Ik ben de mening toegedaan dat de Nederlandse staat en de banken in strijd handelen met de Europese grondrechten, door Accidental Americans te dwingen een TIN/SSN aan te vragen, in de VS belastingaangifte te doen en afstand te doen van een nationaliteit waar ze niet om hebben gevraagd [13]. De grondrechten spelen hier een rol voor zover het de Nederlandse medewerking aan de Amerikaanse belastingautoriteiten betreft [14] en zijn ook relevant in de relatie tussen Wwft-plichtigen en hun cliënten. In dat verband is er een rol voor de AVG, bij verhoudingen binnen de EU voor het Handvest [15], alsmede voor het EVRM [16]. Art. 1 Protocol bij het EVRM bepaalt dat burgers recht hebben op ongestoord genot van hun eigendom. Die eigendomsrechten mogen slechts worden aangetast in het algemeen belang en onder voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht, waartoe behoort dat een staat belasting mag heffen. Hoewel belastingheffing niet snel in strijd met art. 1 van het Protocol zal zijn, is wel degelijk toetsing mogelijk [17].

Het laatste woord is hier nog niet gesproken, maar de problematiek van de Accidental Americans geeft aan dat ook nette burgers problemen met de Wwft kunnen ondervinden. De zorgplicht die Wwft-plichtigen hebben, vereist dat zij zorgvuldig omgaan met hun cliënten.

Poortwachtersrol en fiscaliteit
Gevolg van de rol van Wwft-plichtigen bij de bestrijding van belastingfraude en belastingontwijking is dat de discussies over naleving van fiscale regels niet alleen plaats vinden in de relatie tussen belastingdienst en belastingplichtige. Uiteraard houdt dat niet in de Wwft-plichtigen, zoals de bank, het werk van de belastinginspecteur over gaan doen, zoals J.A. Booij schrijft in zijn artikel Banken als belastinginspecteur? [18]. Booij is in het artikel optimistisch over de mogelijkheden van banken om risicofactoren op belastingfraude en niet-acceptabele ontwijking te ontwikkelen. Ik vraag me af of dat optimisme juist is.

Zelf ben ik in de praktijk tegengekomen dat banken in het kader van het cliëntenonderzoek vragen stelden aan hun cliënten, waaruit ondeskundigheid op ondernemingsrechtelijk gebied bleek. Ik vraag me af of banken en andere Wwft-plichtigen wel over voldoende fiscale deskundigheid beschikken om de rol te vervullen die de Nederlandse wetgever voor ogen heeft.

Een Wwft-plichtige die over onvoldoende fiscale deskundigheid beschikt [19] zou zijn cliënten onjuist kunnen beschuldigen van zelfwitwassen door middel van belastingfraude en zou zijn cliënten kunnen bewegen tot onnodige handelingen. De consequenties van de kwalificatie ‘witwassen’ kunnen aanzienlijk zijn: het ten onrechte beëindigen van de relatie, het melden van ongebruikelijke transacties op onjuiste gronden en het zonder goede grondslag plaatsen van personen op een zwarte lijst [20]. Een dergelijk opereren kan grote schade voor burgers veroorzaken. Helaas ontbreekt een goed systeem van rechtsbescherming tegen onjuist optreden van Wwft-plichtigen, al zal een en ander civielrechtelijk onrechtmatig zijn.

Het fiscale recht is een van de snelst veranderende rechtsgebieden. De komst van de Europese regelgeving ter bestrijding van belastingontwijking DAC 6 [21], die ook in Nederland wordt geïmplementeerd [22] maakt de positie van Wwft-plichtigen die geen belastingadviseur zijn er niet makkelijker op. Een aantal van hen, zoals banken, trustkantoren en notarissen, kunnen met de verplichtingen uit de DAC 6-regelgeving te maken krijgen als ‘hulpintermediair’. De Raad van State had veel kritiek op de open normen in de regelgeving en drong aan op maatregelen om nadeel voor de intermediairs (belastingadviseurs) en belastingplichtigen te voorkomen [23]. Het is de vraag hoe het in de praktijk gaat uitpakken.

Intussen wijzigt de witwasbestrijdingsregelgeving eveneens snel, M. Nelemans sprak vorig jaar over elkaar snel opvolgende richtlijnen, voorstellen, implementatiewetten en nieuwe agenda’s, als gevolg waarvan de anti-witwasregelgeving soms kenmerken van een kluwen heeft [24].

Tot slot
Wwft-plichtigen krijgen te maken met een toename van internationale uitwisseling van belastinggegevens, met ingewikkelde regelgeving ter bestrijding van financieel-economische criminaliteit waarvan belastingfraude en -ontwijking deel uitmaken en met een gamma aan informatiebronnen van wisselende kwaliteit. Het risico is groot dat zij belastingfraude en belastingontwijking niet tijdig in het vizier krijgen, wat het risico van handhavingsmaatregelen oplevert.

Als Wwft-plichtigen te snel van niet-integer fiscaal handelen beschuldigen en maatregelen nemen, is de kans aanwezig dat zij onrechtmatig handelen. Voor zowel Wwft-plichtigen als hun cliënten is het risico dat zij veel meer geld aan fiscale deskundigheid moeten gaan uitgeven, terwijl het de vraag is of dat proportioneel en effectief is.

Strafadvocaat Aldo Verbruggen zei onlangs in het FD dat de verwachting van de poortwachtersfunctie van de banken af en toe irreële vormen aanneemt en dat de grenzen van de verantwoordelijkheid van banken en financiële instellingen wel zijn bereikt. Hij vindt dat het te ver gaat als banken verantwoordelijk worden gesteld voor de fiscale integriteit van hun klanten [25].

Het is wat mij betreft hoog tijd dat de internationale witwasregelgeving ingrijpend wordt herzien en dat een systeem wordt ontwikkeld waarin private ondernemingen witwasopsporingstaken op zich kunnen nemen die passen bij het type onderneming. Monitoring van naleving van fiscale regelgeving hoort in zo’n systeem niet thuis bij ondernemingen met onvoldoende fiscale kennis.

 

Noten
[1] De definitie van witwassen in artikel 1 lid 1 Wwft verwijst naar de gedragingen strafbaar gesteld in de artikelen 420bis, 420bis.1, 420ter, 420quater en 420quater.1 van het Wetboek van strafrecht.
[2] Onder andere melding ongebruikelijke transactie, indeling in hoog-risico klasse dus nieuw cliëntenonderzoek (artikel 3 lid 5 sub c Wwft), beëindiging zakelijke relatie (artikel 5 lid 3 Wwft).
[3] Zie Good practices Fiscale integriteitsrisico’s voor Trustkantoren 2019. en de Good practices Fiscale integriteitsrisico’s bij cliënten van banken. Zie voorts de leidraad Wwft.
[4] Bijlage bij K. 31477, nr. 50.
[5] Zoals de partijen die deelnemen aan FEC.
[6] Zie de samenvatting in de laatste twee alinea’s van paragraaf 8.1, pagina 214 van het rapport, waarin naar hoofdstuk 8 wordt verwezen. In paragraaf 8.2 beschrijven de auteurs dat DNB er niet in slaagde typologieën op te stellen met betrekking tot transacties van twee terroristische organisaties. Ook een FEC project inzake uitreizigers mislukte omdat omdat uitreizigers geen statistisch significante verschillen in transactiepatronen lieten zien, ten opzichte van de controlegroep.
[7] Een goed voorbeeld daarvan is ook de Beleidsregel maatschappelijke betamelijkheid trustkantoren, die op 15 januari 2020 in het Staatsblad werd gepubliceerd (Stbl 2020,2288).
[8] Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America to improve international tax compliance and to implement FATCA, (Trb. 2014, 22).
[9] Dat levert ook nog een vraagstuk in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) op. De AVG vereist een wettelijke basis voor verschaffing van persoonsgegevens, de vraag is of die er hier is, en de AVG eist dat de wettelijke vereisten proportioneel zijn. Het is zeer de vraag of het FATCA-verdrag ten aanzien van de Accidental Americans wel de AVG-toetsing zal doorstaan.
[10] Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties.
[11] Er wordt zelfs aangegeven dat het heel verklaarbaar kan zijn als iemand geen buitenlands fiscaal identificatienummer heeft.
[12] Onder meer strijd met de openbare orde.
[13] Het Europees Parlement heeft op 5 juli 2018 een resolutie over FATCA aangenomen, waarin aandacht wordt gevraagd voor de Europese grondrechten van onder meer de Accidental Americans, P8_TA(2018)0316. In mei 2018 werd een onderzoeksrapport uitgebracht door een belastingrechtspecialist, Carlo Garbarino, in opdracht van de verzoekschriftencommissie van het Europees Parlement, PETI. Op 12 november 2019 was er een publieke hoorzitting in het Europese Parlement over FATCA in de EU.
[14] De VS is uiteraard vrij in het tot stand brengen van fiscale regelgeving. Waar het om gaat is of Nederland medewerking mag verlenen als grondrechten van burgers worden geschonden.
[15] Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
[16] Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
[17] Zie paragraaf 287 en verder van de Guide on Article 1 of Protocol No. 1 to the European Convention on Human Rights door het Europese hof.
[18] J.A. Booij , ‘Banken als belastinginspecteur?’, Ondernemingsrecht 2020/11, p. 51/52.
[19] Dit geldt uiteraard niet voor belastingadviseurs, die ook Wwft-plichtig zijn.
[20] In de financiële sector worden de zwarte lijsten ‘incidentenwaarschuwingssystemen’ genoemd.
[21] EU-richtlijn 2018/822 van 25 mei 2018 met betrekking tot verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies.
[22] Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, K. 35255.
[23] Advies Raad van State van 19 juni 2019, W06.19.0135/III.
[24] M. Nelemans, ‘Financieel strafrecht’, TBS&H 2019/3, p. 199.
[25] ‘Justitie laat het bedrijfsleven lelijk in de steek bij corruptiezaken’, Rob de Lange, FD 25 januari 2020.

Geplaatst in Belastingrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) bij Tweede Kamer ingediend

In de strijd tegen de misdaad is inbreuk op de principes van databescherming en privacy geoorloofd, zo schreef de Minister van Veiligheid vandaag in het nieuwsbericht over het wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer is ingediend. Doel van het voorstel is de gegevensuitwisseling binnen de overheid te bevorderen en ook uitwisseling tussen overheid en bedrijfsleven en binnen het bedrijfsleven makkelijker te maken.

De vraag is of dit gaat betekenen dat banken hun interne zwarte lijsten (‘Intern Verwijzingsregister‘, IVR) onderling gaan uitwisselen. Banken wisselen al gegevens uit via de externe zwarte lijst van financiële instellingen, het ‘Extern Verwijzingsregister‘ (EVR). Mij is uit ervaring bekend dat financiële instellingen niet altijd zorgvuldig omgaan met de plaatsing van mensen en organisaties op interne en externe zwarte lijsten en dat de rechtsbescherming onvoldoende is.

Organisaties die opkomen voor de mensenrechten dienen alert te zijn, omdat het risico bestaat dat grondrechten worden ondergraven.

De vraag is aan de orde of de wet wel nodig is en hoe er voor wordt gezorgd dat er geen onjuiste gegevens worden verspreid. Voorkomen moet worden dat onschuldige burgers worden benadeeld.

In De Groene verscheen op 14 april jl. een artikel van Kim van Keken en Dieuwertje Kuijpers, Minister van der Steur deelde gevoelig convenant niet met de Kamer, waaruit blijkt dat de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden een lange voorgeschiedenis heeft. Deze VVD-minister maakte in 2016 al vergaande afspraken met het bedrijfsleven over het delen van privacygevoelige data, zonder het parlement daar over te informeren. In dit artikel speelt de beveiligingsbranche een rol, daar is een andere prominente VVD’er, Tjibbe Joustra, voorzitter van de brancheorganisatie.

Ik ga het met belangstelling volgen.

 

Nieuwsbericht Ministerie van Veiligheid

Slimmere aanpak criminaliteit door betere uitwisseling van gegevens
Nieuwsbericht | 29-04-2020 | 08:00

Criminele netwerken en ondermijnende praktijken waarbij onder- en bovenwereld met elkaar dreigen te vermengen, kunnen slimmer worden aangepakt. Voorwaarde is dat overheidsorganisaties ruimere mogelijkheden krijgen om de informatie waarover zij beschikken met elkaar te delen, zodat ze deze gezamenlijk kunnen analyseren. Dit is de kern van het wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) van minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid dat vandaag, mede namens minister Dekker voor Rechtsbescherming, bij de Tweede Kamer is ingediend.

Minister Grapperhaus wil optimale gegevensuitwisseling mogelijk maken tussen overheidsinstanties, zoals gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. Voor de bestrijding van ernstige en ondermijnende criminaliteit moeten overheden die daarover informatie hebben, die gegevens met elkaar kunnen uitwisselen om effectiever op te treden.

Doordat nu een specifieke wettelijke grondslag voor onderlinge gegevensverwerking ontbreekt, is er in veel opzichten onduidelijkheid over de bestaande juridische mogelijkheden om informatie met meerdere overheidsorganisaties te delen en gezamenlijk te verwerken. Grapperhaus wil dat oplossen door met dit wetsvoorstel een duidelijk juridisch kader voor gezamenlijke gegevensverwerking neer te zetten. Waar dat echt noodzakelijk is, kan in beperkte mate ook informatie worden uitgewisseld met private partijen, bijvoorbeeld banken.

De legale economische structuren en goede infrastructuur van Nederland zijn ook voor criminelen aantrekkelijk om hun illegale handel te bedrijven en hun illegaal verkregen vermogen wit te wassen. Daarom is het noodzakelijk dat opsporingsorganisaties en andere overheidsinstanties onderling intensiever kunnen samenwerken – en soms ook met bedrijven en branches. Om grip te houden op de gegevensuitwisseling, vooral met het oog op bescherming van de privacy, gaat het wetsvoorstel gepaard met aanvullende waarborgen voor het gebruik van die gegevens.

Op dit moment hebben overheidsorganisaties slechts beperkte mogelijkheden om een gezamenlijke data-analyse uit te voeren met elkaars gegevens. Als het gaat om het tegengaan van de productie, handel en doorvoer van synthetische drugs, cocaïne, heroïne en hennep, het witwassen van de crimineel geld en de aanpak van fraude blijkt gezamenlijke, domein-overstijgende gegevensverwerking een belangrijk middel om snel criminele netwerken en hun sleutelfiguren in beeld te brengen. Verder kunnen in een gezamenlijk casusoverleg bepaalde personen en ondernemingen met elkaar in verband worden gebracht.

Ook bij de gegevensuitwisseling met private partijen zijn er knelpunten die moeten worden opgelost. Bijvoorbeeld om de kennis die er bij het bedrijfsleven is over nieuwe ontwikkelingen, risico’s en technieken, beter te benutten. Zo spelen banken bijvoorbeeld een cruciale rol bij de bestrijding van financieel-economische criminaliteit.

Het wetsvoorstel neemt deze knelpunten weg en geldt voor samenwerkingsverbanden die bij of krachtens deze wet zijn aangewezen. Dat betreft allereerst de gezamenlijke gegevensverwerking van een viertal bestaande samenwerkingsverbanden: het Financieel Expertisecentrum (FEC), de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV), de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s) en de Zorg- en Veiligheidshuizen (ZVH’s).

Zij werken samen voor de integrale aanpak van integriteitsrisico’s van het financiële stelsel, witwas- of fraudeconstructies, georganiseerde criminaliteit en complexe problemen rond personen op het vlak van zorg en veiligheid. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat niet alleen de informatieverstrekking aan, maar ook de verwerking van gegevens binnen die samenwerkingsverbanden makkelijker wordt. En ook de verstrekking van informatie vanuit zo’n verband aan een deelnemer of, onder specifieke voorwaarden, aan een derde.

Om flexibel te kunnen zijn, wil Grapperhaus ook nieuwe samenwerkingsverbanden makkelijker gegevens laten uitwisselen. Die worden dan bij algemene maatregel van bestuur (amvb) aangewezen. In zo’n amvb staat nauwkeurig omschreven wat het doel is van de samenwerking en welke specifieke regels gelden voor de verwerking van gegevens. Het parlement zal hierbij vooraf worden betrokken.

 

Parlementaire documenten
inzake het voorstel voor de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, zoals op de site van de rijksoverheid geplaatst:

 


Aanvulling 29 april 2020
Enkele reacties:

Bij voorbaat verdacht

 

Platform Bescherming Burgerrechten

 

Security.nl kondigde het voorstel aan.

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

DNB heeft iets bedacht voor trustkantoren | verbod op fiscaal advies

Het is een fascinerend te zien hoe er om de zoveel maanden nieuwe wetgevende ideeën voor de trustkantorensector worden gelanceerd. In januari van dit jaar werd door de Minister van Financiën meegedeeld dat DNB ontevreden was en het op de wensen van DNB gebaseerde wetsvoorstel ging in april in consultatie. Deze maand werd bekend dat de ubo van het trustkantoor getoetst gaat worden.

Het geeft aan dat regels in het domein van het Ministerie van Financiën met de snelheid van het licht kunnen veranderen, het regelgevingssubject heeft nauwelijks de vorige wijziging geïmplementeerd, of daar is de volgende wijziging al weer.

Nieuw idee van DNB

Uit de laatste wetgevingswensenbrief, die van 12 maart dateert en onlangs bekend werd, blijkt dat DNB iets nieuws heeft bedacht, iets waarvan ik me afvraag of het een serieus prangend probleem is. In ieder geval werd daar in het bericht van de Minister van januari jl. niet over gerept.

DNB vraagt in de wensenbrief om een algeheel belastingadviesverbod in de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018):

2.6 Algeheel verbod op het verstrekken van belastingadvies door een trustkantoor

Op grond van de Wtt 2018 is het voor een trustkantoor met zetel in Nederland verboden om trustdiensten te verlenen aan een cliënt die uitvoering geeft aan belastingadvies dat aan deze cliënt is verstrekt door ditzelfde trustkantoor. Het verbod beoogt de onafhankelijke uitvoering van het cliëntenonderzoek voorafgaand aan het aangaan van de zakelijke relatie of het verlenen van de trustdienst te waarborgen. Doordat het verbod thans is beperkt tot de combinatie van het verlenen van trustdiensten en het verstrekken van belastingadviezen aan één en dezelfde cliënt, is het voor DNB niet altijd vast te stellen of deze onafhankelijke uitvoering daadwerkelijk gewaarborgd is. Dit komt ook omdat er geen verplichting bestaat om een onafhankelijk belastingadvies op te nemen in een dienstverleningsdossier. DNB stelt voor om het verbod te vereenvoudigen door een algeheel verbod op te nemen op het verstrekken van belastingadvies door een trustkantoor. Hiermee wordt het uitvoeren van een onafhankelijk cliëntenonderzoek beter gewaarborgd.

De Wtt 2018 is op 1 januari 2019 in werking getreden, zodat er nog nauwelijks ervaring mee is. Uit het bericht van DNB blijkt niet dat er grote aantallen incidenten zijn geweest, die tot deze wijziging nopen.

Is dit misschien een oplossing voor een niet bestaand probleem? Of is de gedachte dat het goed is om de regelgeving ieder half jaar aan te passen, zodat de veranderingen alleen door ondernemingen met een grote juridische afdeling kunnen worden gevolgd?

Overigens is het belangrijk voor trustkantoren om over adequate fiscale kennis te beschikken, aangezien zij de door de belastingadviseurs van hun cliënten ontworpen structuren c.a. moeten beoordelen. Vanwege de rol van trustkantoren onder DAC6 is dat al helemaal belangrijk.

 

Dit bericht verscheen eerder op de site van Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Belastingrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Trustkantoren | Plaats een reactie

Maatschappelijke betamelijkheid, personentoetsing en administratieve verplichtingen | nieuwsbrief DNB voor trustkantoren

DNB heeft een nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht. De onderwerpen zijn:

  1. Beleidsregel maatschappelijke betamelijkheid voor trustkantoren > beleidsregel; feedback statement consultatiereacties.
  2. Uw organisatiegegevens in het Digitaal Loket Toezicht.
  3. Verder uitstel indientermijn ISI vragenlijst 2020.
  4. Wijzigingen beleidsregel geschiktheid.

 

Beleidsregel maatschappelijke betamelijkheid voor trustkantoren
DNB laat weten dat op basis van de evaluatie van de Beleidsregel maatschappelijke betamelijkheid voor trustkantoren wordt bepaald of ook voor instellingen die onder de Wet op het financieel toezicht vallen een beleidsregel maatschappelijke betamelijkheid opgesteld wordt.

Beleidsregel geschiktheid 2012
Deze beleidsregel geldt zowel voor trustkantoren als voor financiële instellingen. DNB deelt mee dat de Beleidsregel geschiktheid 2012 is gewijzigd naar aanleiding van wijzigingen in Europese en nationale wet- en regelgeving (zal niet trustkantoren betreffen) en de inwerkingtreding van Europese richtsnoeren. De gewijzigde beleidsregel is per 15 januari 2020 in werking getreden. Via het bericht van DNB zijn de nieuwe beleidsregel, het wijzigingsbesluit en de feedback statement consultatiereacties te vinden.
Het eerdere bericht over de wijziging van deze beleidsregel stond in de nieuwsbrief voor trustkantoren van juli 2019. Daarin wordt gemeld dat er geen specifieke wijzigingen zijn voor trustkantoren, anders dan verwijzing naar de nieuwe wet. Een aantal algemene punten zijn volgens het bericht wel van belang, nl.

  • Onafhankelijkheid van geest en voldoende tijd.
  • Diversiteit in het collectief.
  • Verduidelijking van de kring van beleidsbepalers

 

Dit bericht verscheen eerder op de site van Compliance Platform Trustkantoren. Op dit blog zijn andere berichten te vinden over maatschappelijke betamelijkheid in het toezicht op ondernemingen, personentoetsing en de Wet toezicht trustkantoren 2018.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Trustkantoren | Tags: , , , | Plaats een reactie

Financieel huiswerk voor het Openbaar Ministerie | witwassen

Het strafrechtelijk aanpakken van witwassen vergt een zorgvuldige voorbereiding, zo valt in een uitspraak van de Rechtbank Limburg te lezen. De strafzaak loopt mis voor het Openbaar Ministerie omdat onvoldoende onderzoek is gedaan.

Dit valt te lezen in paragraaf 3.3 van de uitspraak, zie onder meer:

Er zijn evenwel geen aanwijzingen dat de verdachte bij het oprichten van de vennootschappen en het openen van de bankrekeningen van plan was om wie dan ook te gaan oplichten of wetenschap had van het feit dat de vennootschappen en de bankrekeningen gebruikt zouden gaan worden voor (internet)oplichtingen

Een voor de hand liggend onderzoek naar de laptop en naar de herkomst van e-mail heeft niet plaats gevonden, aldus deze passage:

Bij de aangiftes hebben slachtoffers bestelbevestigingen en andere e-mails en whatsappberichten gevoegd die zij voorafgaand aan het bestelmoment hebben verstuurd en ontvangen. Die e-mails zijn niet afkomstig van het e-mailadres van de verdachte. De laptop van de verdachte, die hij naar eigen zeggen in gebruik had, is niet in beslag genomen of onderzocht. Onderzoek aan de laptop had wellicht resultaten kunnen opleveren die van belang waren voor dit onderzoek.

Bovendien is niet komen vast te staan vanuit welk IP-adres de e-mails en bestelbevestigingen zijn verzonden. Gelet op het tijdsverloop tussen de oplichting, aangiftes en de start van het onderzoek is thans niet meer te achterhalen van welke IP-adressen een en ander afkomstig was.

Ook is niet onderzocht wie de beschikking had over het telefoonnummer dat in de whatsappconversaties is gebruikt en waar de gebruiker van dat telefoonnummer zich bevond. Het betreft in ieder geval niet het telefoonnummer waarvan vaststaat dat het bij de verdachte in gebruik was. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte nog een ander telefoonnummer tot zijn beschikking had. De rechtbank kan niet vaststellen dat het de verdachte was die ten tijde van de oplichting met de aangevers berichten heeft gewisseld en hun bestellingen heeft geaccepteerd.

Informatie van de bank speelt een belangrijke rol in deze zaak en ook hier zijn er allerlei aspecten die onvoldoende zijn onderzocht. Zo zegt de Rechtbank onder meer:

Er zijn geen andere aanknopingspunten waaruit de rechtbank de betrokkenheid van de verdachte bij het betalingsverkeer op de rekeningen kan afleiden. Zo is er bijvoorbeeld geen onderzoek gedaan naar wie de overeenkomsten met de payment service providers (PSP’s) heeft gesloten. Er is ook geen onderzoek gedaan naar andere overschrijvingen vanaf de zakelijke rekeningen om verdachte aan deze rekening te (kunnen) koppelen. Daarbij had bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan onderzoek naar de ten behoeve van de oplichtingen gebruikte (adressen van) kantoorlocaties.

De Rechtbank komt tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat de verdacht zich zelf aan oplichting heeft schuldig gemaakt, dan wel nauw heeft samengewerkt met een ander of anderen die hebben opgelicht. Ook medeplichtigheid aan oplichting kan niet worden vastgesteld. Witwassen vanwege ontvangst van criminele opbrengsten op bankrekeningen is niet aan de orde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte inzage had in of de beschikking had over de bewuste bankrekeningen.

De verdachte wordt vrijgesproken.

De zware kritiek door de Rechtbank doet de vraag rijzen waarom deze zaak überhaupt aan de rechter is voorgelegd. Had het Openbaar Ministerie de capaciteit niet beter voor iets anders kunnen inzetten…

 

Meer informatie:

 


Aanvulling 5 juni 2020
Andere zaak waarin het mis ging voor de opsporing, lees paragraaf 4.3:

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 4 juli 2018 een e-mail heeft gestuurd naar de Belastingdienst. In deze e-mail schrijft verdachte dat hij de fraude samen met [medeverdachte] heeft gepleegd. Dit heeft verdachte op 21 januari 2020 bevestigd tijdens een verhoor bij de FIOD. Ter zitting op 18 mei 2020 heeft verdachte verklaard dat zijn eerdere bekentenissen vals zijn en dat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij de ten laste gelegde handelingen.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte van 21 januari 2020 inconsequent en op punten aantoonbaar onjuist is en daarom niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende ander bewijs in het dossier aanwezig, waaruit de daadwerkelijke en actieve betrokkenheid van verdachte kan blijken. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de ten laste gelegde feiten.

 

Aanvulling 10 november 2020
In een Wwft-zaak tegen een makelaar reed het Openbaar Ministerie een scheve schaats door de makelaar pas op 13 oktober 2020 het appelschrift toe te zenden, terwijl dat document al op 9 januari 2019 bij het hof was ingediend; ook op 13 oktober 2020 trok het Openbaar Ministerie het eerdere appelschrift in en voerde een andere reden voor hoger beroep aan. Dit leidt er toe dat – nu de makelaar niet eerder met justitie in aanraking is gekomen en het feit lang gelden heeft plaats gevonden – dat het hof afziet van strafoplegging.

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Strafrecht | Tags: , , , | Plaats een reactie

Kennis is geen product | rapport Rathenau Instituut

Het Rathenau Instituut publiceerde het rapport Kennis, kunde, beleidskeuzes over het kennismanagement door Nederlandse ministeries. Het is een interessant rapport, niet alleen voor de rijksoverheid.

De auteurs van het rapport signaleren dat de ministeries tot een aantal jaren terug veel kennis in eigen huis hadden en dat dit nu veel minder het geval is. De afgelopen decennia domineerde bij de rijksoverheid het idee dat kennis een ‘product’ is dat kan worden gekocht als je het nodig hebt. Die opvatting schiet tekort als het gaat om het maken van goed geïnformeerde beleidskeuzes, zo meldt het rapport. Kennis is namelijk ook een kunde. Investeren in die kunde loont, aangezien het zal leiden tot beter geïnformeerde beleidskeuzes. Lees uit de conclusie:

We hebben in dit rapport drie aspecten van deze kunde geïdentificeerd.

Het eerste aspect is het vermogen om de verschillende soorten beleidsopgaves en de uiteenlopende rollen van kennis hierin te kunnen onderscheiden. De rol van kennis in beleid is immers altijd variabel: kennis alleen bepaalt nooit welk beleid gewenst of legitiem is. Dat laatste vraagt in onze democratische samenleving altijd om een politieke afweging. De overwegingen die leiden tot het invoeren of afschaffen van beleidsmaatregelen zullen helder en transparant tot uitdrukking moeten komen.

Het tweede aspect is het vermogen om te onderscheiden bij welke beleidsopgave behoefte is aan ‘kennis als product’ en wanneer aan ‘kennisontwikkeling als coproductie’.

Het derde aspect betreft de vaardigheid om kennisontwikkeling als coproductie te initiëren, te sturen, en er aan deel te nemen. Dit vraagt van beleidsambtenaren dat zij in staat zijn om verschillende vormen van kennis te betrekken, waarderen en combineren. Daarbij gaat het om wetenschappelijke kennis, maar ook om kennis vanuit de praktijk, de (impliciete) dossierkennis van beleidsmakers van verschillende overheidslagen en de (ervarings)kennis van belanghebbenden uit de samenleving. Deze verschillende vormen van kennis dragen bij aan de opbouw van een gedeelde en dynamische kennisbasis die relevant is voor een bepaalde beleidsopgave.

Ministeries, zo stellen wij vast, zullen expliciet aandacht moeten besteden aan het bouwen en onderhouden van deze gedeelde kennisbasis, om tot goed geïnformeerde beleidsopties te komen. Deze opties moeten, tot slot, op het juiste moment weer terugkeren in de juiste politieke context, zodat daar de noodzakelijke politieke afweging gemaakt kan worden.

Al deze vermogens zijn van belang, en winnen zelfs aan gewicht, naarmate we meer van de overheid verwachten dat ze keuzes maakt en richting geeft, dat ze missiegericht beleid voert en transities op gang brengt. Aan onze rondgang binnen de departementen hebben wij de indruk overgehouden dat de kunde om ook ‘kennisontwikkeling als coproductie’ te incorporeren in de beleidsprocessen essentieel is, maar dat dit een blinde vlek in de organisatiecultuur van vrijwel alle departementen vormt.

 

Meer informatie:

  • Bericht op de site van het Rathenau Instituut met onder meer de conclusie, 25 maart 2020.
  • Rapport Rathenau Instituut (pdf).

 


Aanvulling 2 juli 2020
Lees ook het opiniestuk van drie AWTI-raadleden – Tim van der Hagen, Ellen Moors en Roshan Cools, Ministeries en politici moeten op eigen kennis kunnen varen.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , | Plaats een reactie

Actualisering van de artikelen over de coronanoodwet en rechtspersonen

De twee artikelen over elektronisch vergaderen bij rechtspersonen en andere wijzigingen op grond van de coronanoodwet, zijn geactualiseerd naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet:

 

De artikelen over de coronanoodwet inzake het rechtspersonenrecht zijn hier te vinden.

Geplaatst in Coöperatie, Jaarverslaggeving, Kapitaalvennootschappen, Rechtspersonenrecht, Stichting en vereniging | Tags: , | Plaats een reactie

Witwasbestrijding doorschuiven naar private partijen is onverstandig, aldus Unger | Wwft

De Minister van Financiën herhaalde onlangs bij de behandeling in de Eerste Kamer weer eens een bekende tekst over de geschiktheid van private ondernemingen als witwasbestrijders:

Internationaal wordt gezien dat zo’n stelsel van poortwachters het meest effectief is. Die poortwachters hebben namelijk als eerste contact met de klant of cliënt, voor zover die een zakelijke relatie aangaan. Ze hebben ook vaak doorlopend contact en ze zijn ook vaak goed in staat om te beoordelen wanneer een transactie wel of niet past binnen het profiel.

Deze tekst komt vele malen voor in parlementaire stukken over witwasbestrijding voor.

Ander geluid
Een ander geluid over het hobby-speuren van banken en andere witwasbestrijdingsplichtigen is te vinden in een artikel dat Lex van Almelo schreef over zijn interview met hoogleraar Economie van de publieke sector mevrouw Brigitte Unger, die ook hofleverancier van de overheid is op het gebied van economische witwasbestrijdingsrapporten. Hij citeert Unger met de tekst

De bestrijding van witwassen is vooral een overheidstaak, die niet in handen moet worden gegeven van bedrijven. Wel moet de overheid overleggen met de private sector

Over de bestrijding zegt ze dat de overheid te klein is. Ook zegt ze

Witwasbestrijding was altijd een overheidstaak, net als veiligheid. Maar die taak is steeds meer doorgeschoven naar private partijen en dat vind ik niet wenselijk. Er zouden meer fraudeonderzoekers moeten komen bij de overheid, die een betere ict-opleiding en hogere salarissen zouden moeten krijgen, zodat het aantrekkelijker wordt om bij de overheid te werken.

Dat is een heel ander geluid dan we uit de burelen van het Ministerie van Financiën horen. Al klinkt het gevaarlijk als Unger bepleit dat fraudeonderzoekers een deel van de opgespoorde opbrengst zouden moeten krijgen. Dat is een typisch voorbeeld van een perverse prikkel.

Het zou goed zijn als het afgelopen is met de hobby-opsporing door banken en andere Wwft-plichtigen.

Ontbreken tegenspraak
Overigens blijft het ontbreken van parlementaire tegenspraak inzake de concepten achter de witwasbestrijding, zowel op nationaal als op Europees niveau, opmerkelijk. Dat is ook af te leiden uit het verslag van de vergadering van de Eerste Kamer, waaruit ik hierboven citeerde.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , , , | 2 reacties