Ha weer een register! | Transparantieregister Zorg

Op 29 april jl. is een internetconsultatie van start gegaan over weer een nieuw register. Een lid van de Tweede Kamer heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend, waarin moet worden geregeld dat “alle transacties groter dan vijftig euro, tussen farmaceutische – en hulpmiddelenindustrie enerzijds en beroepsbeoefenaar of patiëntenvereniging” moeten worden gemeld in een openbaar register. Het ‘melden‘ is nog steeds zeer in de mode bij de wettenmakers.

Ik zag bij een snelle blik op het concept wetsvoorstel dat er mooie vage teksten in voorkomen, met een hoog ZuidAs-gehalte, dus voor gewone mensen niet te lezen.

De kern is de tekst van een voorgesteld artikel 96b lid 3 Geneesmiddelenwet, waarin de volgende fraaie tekst is te lezen:

3. In het register wordt iedere transactie opgenomen tussen de houder van een handelsvergunning of parallelhandelsvergunning of de fabrikant en een beroepsbeoefenaar of patiënten- consumentenorganisatie, die al dan niet plaatsvindt door tussenkomst van een of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen en die bestaat uit geld of op geld waardeerbare diensten of goederen, inclusief het niet in rekening brengen van kosten, met een waarde van € 50,- of meer, ontvangen door of niet in rekening gebracht bij:
a. een beroepsbeoefenaar;
b. een natuurlijke persoon of rechtspersoon gelieerd aan een beroepsbeoefenaar, vanwege een prestatie van die beroepsbeoefenaar; of
c. een patiënten-consumentenorganisatie.

Gelijksoortige teksten worden voorgesteld voor de Wet op de medische hulpmiddelen en de Wet medische hulpmiddelen (zie artikelen II en III, zijn dat inderdaad twee verschillende wetten?).

Geweldig is dat een ‘transactie‘ wordt omschreven als “geld of op geld waardeerbare diensten of goederen, inclusief het niet in rekening brengen van kosten“.

Wat zou de regeldruk-waakhond ATR hier van vinden?

 

Meer informatie:

Geplaatst in Bestuursrecht, Grondrechten | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Hoe gezond is het internet?

Of IT gezond is voor mensen, is een grote vraag, waarop ik een negatief antwoord verwacht. Of het internet gezond is, wordt door Mozilla onderzocht, in het “Internet Health Report“. Onlangs werd de editie 2019 uitgebracht. De rapporteurs stellen de volgende vragen:

  • Is het veilig?
  • Hoe open is het?
  • Wie is welkom?
  • Wie kan slagen?
  • Wie heeft zeggenschap?

Het wordt uitgewerkt in een groot aantal losse artikelen, die een gemengd beeld geven.

 

Meer informatie:

 

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: | Plaats een reactie

De sensor samenleving | dashcams bodycams biomonitoring drones

Één van de onomkeerbare trends in de digitalisering is dat iedereen elkaar gaat filmen. Burgers filmen hun omgeving met slimme deurbellen. Op de autoweg filmen zij het verkeer met dashcams. Of de privacy regels van de AVG de mens daartegen gaat beschermen is de vraag.

Bodycams
Burgers nemen politiemensen op die aan het werk zijn, wat er vervolgens toe leidt dat die politiemensen met bodycams worden uitgerust.

Misschien heeft iedere mens straks een bodycam die in verbinding staat met de Centrale Computer van de Wereld.

 

 

Lees over bodycams ook De toegevoegde waarde van een bodycam voor de politie en de maatschappij door Engelfriet, hij meldt dat agenten door bodycams strenger worden voor de burger, omdat de agenten worden beoordeeld aan de hand van de camerabeelden.

Dashcams
Steeds meer automobilisten laten dashcams monteren, dat zijn camera’s die op auto’s zijn gemonteerd, waarmee het verkeer kan worden gefilmd.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) schrijft in beleidsregels uit 2016 dat de privacyregels gelden zodra personen herkenbaar worden gefilmd en als kentekens leesbaar worden opgenomen, aangezien “kentekens van motorvoertuigen persoonsgegevens zijn voor degenen die toegang hebben tot het kentekenregister van de Rijksdienst voor het Wegverkeer“. Het is volgens AP voor particulieren toegestaan om te filmen in verband met bewijslevering bij verkeersongelukken. Als het daar bij zou blijven…

Biomonitoring
Intussen heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken aan de SER advies gevraagd over “biomonitoring”, het met sensors meten in welke mate werkenden worden blootgesteld aan schadelijke stoffen. Iets dergelijks is voor iedereen nuttig, want ik wed dat in woningen en kantoren ook schadelijke stoffen rondzweven.

Drones
Ook drones zijn een mooie manier om mensen te filmen en op te meten. Ik verwacht dat in de toekomst in woonwijken burger-drone-afweer groepen actief zullen worden.

 

 

De sensor-samenleving is in aantocht en de ene sensor leidt weer tot de andere sensor. Misschien komt er als nieuw product wel de “sensor-vrije omgeving”.

 

Meer informatie:

Bodycam

Dashcam

Digitale deurbel, buurtpreventie

Biomonitoring

Autoriteit Persoonsgegevens

  • Beleidsregels cameratoezicht, 28 januari 2016.
  • Gebruik van dashcams kan leiden tot de verplichting om een data protection impact assessment (DPIA) uit te voeren, lees deze pagina.
Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Uitgever Sdu over de schreef met publiceren persoonsgegevens uit vonnis in eigen uitgave

Een op 28 november 2017 door Gerechtshof Den Haag gewezen uitspraak werd pas in april 2019 gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Uit dat vonnis blijkt dat juridisch uitgever Sdu in strijd handelde met de oude privacywetgeving door persoonsgegevens in een vonnis te laten staan, een vonnis dat werd gepubliceerd in een jurisprudentie uitgave. Daarmee maakte Sdu als juridisch uitgever een zeer slechte beurt. Ik neem aan dat de uitgever nu alle jurisprudentie uitgaven zal screenen op persoonsgegevens, om verdere problemen te voorkomen.

Publicatie uitspraak met persoonsgegevens in JBPr
De uitspraak die Sdu gepubliceerd heeft ging over een bestuurder van een auto, betrokken bij een aanrijding. Die uitspraak, over een geschil tussen de autobestuurder en een verzekeraar werd door Sdu geplaatst in het jurisprudentietijdschrift JBPr, met vermelding van de volgende persoonsgegevens van de bestuurder:

  • naam
  • woonplaats
  • geboortedatum
  • beroep autobestuurder
  • dat de autobestuurder een eigen praktijk heeft
  • de vestigingsplaats van de praktijk
  • dat er een auto ongeval heeft plaats gevonden waarbij de bestuurder letsel heeft opgelopen, in verband waarmee hij een financiële vergoeding heeft gekregen

De autobestuurder beschouwde de publicatie als een onrechtmatige inbreuk op zijn privacy en startte een procedure tegen Sdu.

Hof honoreert klachten autobestuurder
Het hof oordeelde in de zaak tussen autobestuurder en Sdu dat de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) op de verwerking door Sdu van de persoonsgegevens van de autobestuurder van toepassing is. Het hof constateert vervolgens dat verwerking van persoonsgegevens alleen is toegestaan is specifieke situaties, bijvoorbeeld als de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke (in de zaak Sdu), tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene (de autobestuurder) in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Vervolgens maakt het hof korte metten met het verweer van de juridisch uitgever (de autobestuurder wordt aangeduid als [appellant]):

19. Het hof is van oordeel dat SDU in dit geval na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot ongeanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot had mogen overgaan. Door de ongeanomimiseerde publicatie van het arrest en de noot, waarin onder meer is vermeld dat [appellant] door een auto ongeval letsel heeft opgelopen en in verband met verlies aan verdienvermogen een schadevergoeding heeft ontvangen is inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] . [appellant] heeft terecht aangevoerd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en (met name) subsidiariteit. Het met de gegevensverwerking en publicatie te dienen doel had in redelijkheid op een andere voor [appellant] minder nadelige wijze kunnen worden verwezenlijkt door de naam en woonplaats van [appellant] en de vestigingsplaats van zijn praktijk in neutrale termen te veranderen. De door SDU aangevoerde gronden die tot een andere uitkomst van de belangenafweging zouden moeten leiden gaan niet op. Het hof overweegt daartoe als volgt.

20. Artikel 6 EVRM heeft betrekking op het recht op een eerlijk proces. Onderdeel hiervan is dat de uitspraak in het openbaar moet plaatsvinden. Deze verplichting is eveneens vastgelegd in artikel 121 Gw en artikel 5 RO. Dat rechterlijke uitspraken in het openbaar moeten plaatsvinden brengt niet mee dat uitgevers als SDU in beginsel tot publicatie van ongeanonimiseerde uitspraken moeten kunnen overgaan, tenzij zwaarwegende belangen van partijen of een derde zich daartegen verzetten. Met dit standpunt wordt onvoldoende recht gedaan aan het onder de Wbp geldende toetsingskader zoals omschreven in r.o. 15, dat omvat dat toetsing aan de hier aan de orde zijnde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dient plaats te vinden.

21. Ratio van de verplichting om in het openbaar uitspraak te doen is de mogelijkheid voor de publieke opinie om de rechtspraak te controleren. SDU heeft niet, althans onvoldoende concreet op deze zaak toegespitst, toegelicht op welke gronden zij van mening is dat dit belang (wezenlijk) wordt geschaad bij de geanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot. Het gaat hier, zoals gezegd, om een juridische analyse over de doorbreking van een appelverbod bij een herstelvonnis. Dat het aan de publieke controle op de rechtspraak ten goede zou komen als de door SDU gepubliceerde uitspraak en noot ongeanonimiseerd kan worden doorgenomen valt niet in te zien (waarbij het hof nog aantekent dat al zeker niet kan worden gezegd dat ongeanonimiseerde publicatie daarvoor noodzakelijk is). Ook is hier niet aan de orde het door SDU genoemde belang dat het ongeanonimiseerd duiden van personen die vermeld worden in (veelal ingewikkelde) gerechtelijke uitspraken het de lezer makkelijker maakt om dezelfde persoon in verschillende hoedanigheden te volgen in het verloop van de procedure (zulks nog daargelaten of dit tot een andere belangenafweging zou moeten leiden). Het hof verwijst in dit verband naar de op rechtspraak.nl gepubliceerde geanonimiseerde uitspraak (inl. dagv. prod 1). SDU heeft niet (concreet) aangegeven op welke punten dit op rechtspraak.nl gepubliceerde arrest moeilijk leesbaar zou zijn. De stelling dat SDU niet is gebonden aan de anonimiseringsrichtlijn die geldt voor publicatie op rechtspraak.nl is in dit verband niet relevant. Bij pleidooi heeft SDU nog gewezen op artikel 28 lid 2 Rv. Deze bepaling geeft, kort gezegd, in beginsel recht op een ongeanonimiseerd afschrift van de gerechtelijke uitspraak in civiele zaken. Dit betekent echter niet dat SDU bij de beoordeling van de vraag of ongeanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot noodzakelijk is niet zou behoeven te toetsen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

22. SDU heeft voorts niet, althans onvoldoende concreet gemotiveerd toegelicht op welke gronden zij van mening is dat zij als juridisch tijdschrift een betere bijdrage levert aan de behoefte van het wetenschappelijk discours door zaken niet geanonimiseerd te duiden. Voor zover hier in zijn algemeenheid al enige rechtvaardiging in valt te vinden (zoals volgens SDU breed in de literatuur wordt gedragen) doet ook dit er niet aan af dat de hiervoor genoemde toetsing moet plaatsvinden. Dat een belangenafweging moet plaatsvinden lijkt SDU overigens ook te onderkennen met haar stelling dat uitspraken die straf -en familierecht betreffen worden geanonimiseerd en dat voor de overige zaken de noodzaak tot anonimisering per geval wordt beoordeeld. Volgens SDU is deze belangenafweging in dit geval ten nadele van [appellant] uitgevallen. Zoals hiervoor is overwogen volgt het hof deze uitkomst niet.

23. SDU heeft in dit verband ook een beroep gedaan op artikel 10 EVRM. Deze bepaling heeft betrekking op de vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat het recht om een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen en door te geven zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Anders dan SDU betoogt leidt ook het recht op vrijheid van meningsuiting in dit concrete geval niet tot een andere belangenafweging dan hiervoor is overwogen. In dit geval dient het grondrecht op privacy (art. 8 EVRM) te prevaleren boven het uit artikel 10 EVRM voortvloeiende grondrecht op het ontvangen en doorgeven van informatie, nu de inperking van laatstbedoeld recht van SDU bij anonimisering, zoals mede volgt uit hetgeen hiervoor onder 21 en 22 is overwogen, relatief gering moet worden geacht ten opzichte van de inbreuk op eerstbedoeld recht van [appellant] bij ongeanonimiseerde publicatie.

24. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat SDU met het geautomatiseerd verwerken van de persoonsgegevens van [appellant] en de ongeanonimiseerde publicatie daarvan in strijd heeft gehandeld met artikel 8 suf f Wbp en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] heeft geschonden. SDU heeft met deze handelwijze onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld.

 

Dit is een belangrijke uitspraak, ook relevant voor anderen die soms ongeanonimiseerde uitspraken publiceren, zoals de media.

Geplaatst in Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Procesrecht, rechtspraak | Tags: , , | Plaats een reactie

De niet-bestaande ‘terugval’ optie van de pseudo-ubo

Het blijft apart zoals de Nederlandse en Europese overheid met het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende‘ (ubo) in de criminaliteitsbestrijding omgaan. Europa heeft besloten dat als een rechtspersoon of andere entiteit geen ‘echte’ ubo heeft (zoals een aandeelhouder die 25% of meer van de aandelen houdt), de leden van het statutaire bestuur ‘ubo’ zijn.

Waar dat goed voor is, wil Europa niet uitleggen.

Terugvaloptie | minister verschaft onjuiste informatie aan de Tweede Kamer
De Minister van Financiën beweerde tijdens de parlementaire behandeling van een wijziging van de Nederlandse antiwitwaswet, de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) dat statutair bestuurders slechts bij uitzondering ubo zouden zijn. Het zou volgens de minister een ‘terugvaloptie’ zijn. Daarmee verschafte de minister onjuiste informatie, want naar verwachting is een groot deel van de ubo’s statutair bestuurder.

Dat komt omdat de meeste stichtingen, verenigingen en coöperaties geen ‘echte’ ubo hebben. Ook bij veel kapitaalvennootschappen is dat het geval, nl. in situaties met veel aandeelhouders die allen minder dan 25% van de aandelen houden.

Fallback option van DNB
Het onjuiste ‘terugvaloptie’ verhaal wordt ook door De Nederlandsche Bank (DNB) aan het publiek verteld, zo blijkt uit een recent bekend gemaakte Engelstalige presentatie over de wijzigingen in de Wwft. Daarin wordt gesproken over “UBO and the fallback option; pseudo-UBO“.

 

Het illustreert dat de overheid zelf een belangrijke producent van nepnieuws is. Jammer.

Een open foutencultuur bij de Nederlandse en Europese overheid zou tot correctie moeten leiden, maar daarvan is nog  niets zichtbaar.

 

Tip: zorg er voor dat in alle EU-landen goede handelsregisters zijn, waarin alle statutair bestuurders zijn ingeschreven. En stop met die pseudo-ubo-onzin.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Not-for-profit, Ubo-register | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Minister van Veiligheid voelt niet voor wijziging systeem bestuursrechtelijke sancties

Op 18 april jl. stuurde de Minister van Veiligheid een brief aan de Tweede Kamer, waarin hij aangaf te willen blijven bij het huidige systeem van bestuurlijke boetes. Opvallende elementen in de brief:

  • De eerdere systematiek bij de keuze voor bestuurlijke of strafrechtelijke sancties wordt losgelaten. In plaats daarvan zal de keuze voor zowel een strafrechtelijke als een bestuursrechtelijk punitieve handhaving worden onderbouwd aan de hand van “alle relevante factoren“. Onder speelt een rol of er gespecialiseerde handhavers zijn die voldoende kennis van die doelgroep hebben.
  • Opvallend is dat voor de keuze voor een bestuurlijke boete pleit als het gaat om veel voorkomende of betrekkelijk lichte overtredingen die eenvoudig zijn vast te stellen of waarbij verwacht mag worden dat in de praktijk doorgaans geen rechterlijk oordeel zal worden ingeroepen. Op dit moment geldt bij veel financieel-economische wetgeving dat zeer hoge boetes kunnen worden opgelegd voor overtredingen die niet ‘betrekkelijk licht’ kunnen worden genoemd.
  • Bij bepaling van de hoogte van bestuurlijke boetes zal worden aangesloten bij het strafrecht. Ook bij verjaringstermijnen wordt het straffende bestuursrecht op het strafrecht aangesloten.
  • De Minister meent dat een andere rol van het bestuursrecht er toe mag leiden dat zware sancties niet door de rechter worden opgelegd maar door een gespecialiseerd bestuursorgaan, met toetsing door de rechter achteraf. (Ik blijf van mening dat dit bij zware sancties een ongewenst systeem is.) Wel schrijft de Minister “Dat neemt niet weg dat ongerechtvaardigde verschillen in rechtspositie tussen de justitiabelen in het strafrecht en het bestuursrecht aandacht behoeven. Waar dat gerechtvaardigd is, worden initiatieven genomen om die weg te nemen, of wordt nader onderzoek verricht naar de achtergronden daarvan“.
  • Ook het bewijsrecht komt in de brief aan de orde. De Minister schrijft onder meer:

Ook de Awb kent wel degelijk bewijsrechtelijke bepalingen. Zo volgt uit artikel 3:46 Awb dat een besluit – dus ook een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete – dient te berusten op een deugdelijke motivering. Deze eis van een deugdelijke motivering omvat onder meer de eis van een juiste feitelijke grondslag. Het bestuursorgaan mag dus geen bestuurlijke boete opleggen, zolang het niet de overtuiging heeft dat de overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het bestuursorgaan zal zich er dus steeds, maar in ieder geval bij gemotiveerde betwisting, terdege van moeten vergewissen dat daarvoor voldoende bewijs bestaat. Indien beroep wordt ingesteld, zal het bestuur zo nodig de rechter van de juistheid van de aan de boetebeschikking ten grondslag gelegde feiten moeten overtuigen. Dit volgt uit het gegeven, dat in het Nederlandse bestuursproces in beginsel de materiële waarheidsvinding centraal staat, met het oog waarop de bestuursrechter de feitelijke grondslag van het bestreden besluit volledig kan toetsen. Een en ander betekent, dat reeds toepassing van het algemene bestuurs(proces)recht er in overeenstemming met artikel 6, tweede lid, EVRM toe leidt, dat geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd als de overtreding niet, zo nodig ten genoegen van de rechter, is bewezen. Volgens vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding en dat, in geval van twijfel, aan de betrokkene het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Uit artikel 3:2 Awb volgt voorts dat het onderzoek naar de feiten op een zorgvuldige wijze moet plaatsvinden. Gelet daarop zijn nadere regels omtrent de bewijsgaring en de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen niet nodig. Ook in de beroepsfase is er geen reden om voor bestuurlijke boeten een inbreuk te maken op de traditioneel in het bestuursprocesrecht geldende vrije bewijsleer. Als er in de beroepsfase nog bewijs moet worden geleverd, moet dat gebeuren door die partij die dat ook in de primaire of bezwaarfase moest doen. De beoordeling van de toereikendheid van het bewijs is aan de rechter. Ditzelfde geldt voor de vraag of het bewijs rechtmatig is verkregen. De vrijheid van de bestuursrechter ten aanzien van de bewijswaardering brengt mee dat het aan de rechter is te beoordelen in hoeverre bewijsmateriaal bij de vergaring waarvan enig voorschrift is geschonden, aan het bewijs van de overtreding kan bijdragen.

  • De brief besluit met een plan van aanpak. Daarin zijn diverse voornemens opgenomen. Een ingrijpende herziening van het systeem van bestuursrechtelijke sanctionering behoort daar niet toe.

Aanleiding voor aandacht voor dit onderwerp is een ongevraagd advies van de Afdeling advisering van de Raad van State uit 2015.

 

Meer informatie:

Voorgeschiedenis:

Op dit blog:

Geplaatst in Bestuurlijke boete, Bestuurlijke sancties, Bestuursrecht, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , | Plaats een reactie

Het belang van toezicht op surveillance bevoegdheden

In toenemende mate vindt surveillance van burgers en organisaties plaats. Surveillance betekent hier dat activiteiten in detail digitaal worden gevolgd, bijvoorbeeld doordat financiële transacties worden geanalyseerd door banken of doordat bewegingen van mensen worden gevolgd op een vliegveld en door middel van kunstmatige intelligentie geanalyseerd. Ook overheden hebben diverse surveillance bevoegdheden, zoals de Nederlandse overheid op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, de ‘sleepwet’.

Uit recente berichten naar aanleiding van het jaarverslag van de Wiv toezichthouder blijkt het belang van toezicht op surveillance.

Het AD schreef op 25 april jl. “Waakhond blokkeert plan voor mega-hack van geheime diensten“. Daarin wordt beschreven dat een geheime dienst de klantgegevens van miljoenen Nederlanders wilde downloaden om zicht te krijgen op een geringer aantal doelwitten. Dat mocht niet van de toezichthouder, de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB).

 

Meer informatie:

Ronald Prins, één van de leden van de TIB, schrijft op twitter:

 

Aanvulling 3 mei 2019
Zie over surveillance ook “Wie smart technology koopt, krijgt controle er gratis bij” door Marc Schuilenburg in het NRC. Intro: “In plaats van Chinese bedrijven in de ban te doen, kunnen we beter kijken hoe westerse techreuzen onze vrijheid al langer inperken“.

Het boek van Zuboff wordt besproken op Emerce in Leven in tijden van spionagekapitalisme (overigens grabbelt Emerce ook het nodige bij elkaar).

Geplaatst in Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Tuchtrechter beslist over valsheid in geschrifte [2]

Eerder schreef ik over de merkwaardige situatie dat bij banken een tuchtrechter over valsheid in geschrifte beslist. Uit een bericht van de NOS van 24 april jl. blijkt dat inmiddels aan 61 medewerkers van ABN Amro een beroepsverbod is opgelegd.

Een antwoord op mijn vraag waarom dit niet door de strafrechter wordt beslist, heb ik nog nergens gevonden. Weet één van de lezers het antwoord?

En ik ben ook heel benieuwd hoe de strafrechter oordeelt over dit soort zaken.

 

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Strafrecht | Tags: , , | 2 reacties

1 april-grap slimme meter? | ACM visiedocument inzake slimme meter

Op Emerce stond op 1 april het bericht “ACM wil een soort PSD2 voor data uit slimme meter“.

Het lijkt geen 1 april-grap te zijn, want op de site van de Autoriteit Consument & Markt vond ik  een bericht van 29 maart 2019, “Geef de energieconsument de regie over zijn eigen slimme-meterdata“. Daarin schrijft de ACM:

Geef de energieconsument de regie over zijn eigen slimme-meterdata
29-03-2019

Energieconsumenten moeten zelf toestemming kunnen geven aan dienstverleners zoals energiebesparingsdiensten voor het gebruik van data uit hun slimme meter. Met deze diensten kunnen consumenten hun slimme meter beter benutten en een bijdrage leveren aan de energietransitie.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) stelt dit in haar ‘Visie datagovernance energie’, die zij op 29 maart 2019 heeft gepubliceerd. Met deze visie wil de ACM bijdragen aan een beter beheer en een betere benutting van energiedata.

Onafhankelijk beheer
De data uit de slimme meters moeten volgens de ACM op een onafhankelijke manier worden beheerd. De bedoeling is dat alle marktpartijen onder gelijke voorwaarden toegang tot de data hebben. Ze mogen per consument echter alleen de data inzien en gebruiken als die consument daar expliciet toestemming voor heeft gegeven.

Privacy staat voorop
De ACM noemt verschillende organisaties die het onafhankelijke beheer van de data zouden kunnen inrichten, zoals netbeheerders en commerciële partijen. Naast de betrouwbaarheid, de betaalbaarheid en de veiligheid van het systeem, staat de privacy van de consument bij het databeheer voorop.

 

Er wordt verwezen naar een visiedocument datagovernance energie (pdf).

Het verhaal van de ACM klinkt sympathiek, de vraag is of het in de praktijk wel uitvoerbaar is. De consument en het MKB hebben nauwelijks enige datagovernance op welk terrein dan ook en of zij dit ooit zullen krijgen, is de vraag.

Daar komt nog bij dat in 2016 een ernstig datalek bij een groot aantal energiebedrijven is bekend geworden. Ik vraag me nog steeds af of deze sector wel cybersecure kan werken. Het zou een vooruitgang zijn als burgers tools tot hun beschikking kregen om dat te controleren.

 

Meer informatie:

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Trustkantoor scheert langs de rand van de afgrond

Trustkantoor TMF scheerde langs de rand van de afgrond in een zaak waarin op 30 maart jl. door de Hoge Raad uitspraak is gedaan. In deze zaak werd TMF niet verantwoordelijk geacht voor niet-naleving door een medebestuurder van de entiteit van de Nederlandse toezichtwetgeving. In paragraaf 3.5.2 overweegt de Hoge Raad dat onder omstandigheden het houden van onvoldoende toezicht op de uitoefening van een taak persoonlijke aansprakelijkheid met zich kan meebrengen, maar dat dit in de behandelde casus niet aan de orde is:

3.5.2 Op zichzelf is juist dat ook het houden van onvoldoende toezicht op de uitoefening van een taak door een medebestuurder onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan meebrengen. Het hof heeft dit evenwel niet miskend. Het heeft het daarop betrekking hebbende verwijt van [eisers] immers onderzocht en is tot het oordeel gekomen dat [eisers] geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat TMF Management heeft geweten of redelijkerwijs heeft behoren te weten (waarmee het hof kennelijk heeft bedoeld: wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen) dat [betrokkene 2] c.s. in strijd met de Nederlandse regelgeving hebben gehandeld (rov. 3.6.4). Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat de vestiging van TMF Management op de British Virgin Islands en de omstandigheid dat de bedrijfsvoering van TMF Management bestond uit het verlenen van management- en administratieve services, belangrijke redenen zijn geweest om TMF Management ten behoeve van de op die eilanden gevestigde vennootschappen in te zetten, en dat ook niet is gebleken dat zij andere dan – kort gezegd – administratieve werkzaamheden heeft verricht. Het oordeel dat TMF Management onder die omstandigheden niet persoonlijk een ernstig verwijt ervan kan worden gemaakt dat zij niet actief erop heeft toegezien dat de vennootschappen de art. 3 en 7 (oud) Wte 1995 naleefden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

 

Het maakt voor bestuursverantwoordelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid niet uit of de bestuurder een trustkantoor is. Uiteraard kan de taakverdeling tussen bestuurders worden meegewogen, maar complete onoplettendheid hoort gesanctioneerd te worden.

Ik blijf vinden dat de politiek en DNB te weinig aandacht geven aan de bestuursrol van trustkantoren respectievelijk de personen die door hen worden ingezet, zie daar over een eerder artikel.

Dit artikel schreef ik oorspronkelijk voor het Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Bestuurdersaansprakelijkheid, Rechtspersonenrecht, Trustkantoren | Plaats een reactie