Uitgever Sdu over de schreef met publiceren persoonsgegevens uit vonnis in eigen uitgave

Een op 28 november 2017 door Gerechtshof Den Haag gewezen uitspraak werd pas in april 2019 gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Uit dat vonnis blijkt dat juridisch uitgever Sdu in strijd handelde met de oude privacywetgeving door persoonsgegevens in een vonnis te laten staan, een vonnis dat werd gepubliceerd in een jurisprudentie uitgave. Daarmee maakte Sdu als juridisch uitgever een zeer slechte beurt. Ik neem aan dat de uitgever nu alle jurisprudentie uitgaven zal screenen op persoonsgegevens, om verdere problemen te voorkomen.

Publicatie uitspraak met persoonsgegevens in JBPr
De uitspraak die Sdu gepubliceerd heeft ging over een bestuurder van een auto, betrokken bij een aanrijding. Die uitspraak, over een geschil tussen de autobestuurder en een verzekeraar werd door Sdu geplaatst in het jurisprudentietijdschrift JBPr, met vermelding van de volgende persoonsgegevens van de bestuurder:

  • naam
  • woonplaats
  • geboortedatum
  • beroep autobestuurder
  • dat de autobestuurder een eigen praktijk heeft
  • de vestigingsplaats van de praktijk
  • dat er een auto ongeval heeft plaats gevonden waarbij de bestuurder letsel heeft opgelopen, in verband waarmee hij een financiële vergoeding heeft gekregen

De autobestuurder beschouwde de publicatie als een onrechtmatige inbreuk op zijn privacy en startte een procedure tegen Sdu.

Hof honoreert klachten autobestuurder
Het hof oordeelde in de zaak tussen autobestuurder en Sdu dat de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) op de verwerking door Sdu van de persoonsgegevens van de autobestuurder van toepassing is. Het hof constateert vervolgens dat verwerking van persoonsgegevens alleen is toegestaan is specifieke situaties, bijvoorbeeld als de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke (in de zaak Sdu), tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene (de autobestuurder) in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Vervolgens maakt het hof korte metten met het verweer van de juridisch uitgever (de autobestuurder wordt aangeduid als [appellant]):

19. Het hof is van oordeel dat SDU in dit geval na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot ongeanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot had mogen overgaan. Door de ongeanomimiseerde publicatie van het arrest en de noot, waarin onder meer is vermeld dat [appellant] door een auto ongeval letsel heeft opgelopen en in verband met verlies aan verdienvermogen een schadevergoeding heeft ontvangen is inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] . [appellant] heeft terecht aangevoerd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en (met name) subsidiariteit. Het met de gegevensverwerking en publicatie te dienen doel had in redelijkheid op een andere voor [appellant] minder nadelige wijze kunnen worden verwezenlijkt door de naam en woonplaats van [appellant] en de vestigingsplaats van zijn praktijk in neutrale termen te veranderen. De door SDU aangevoerde gronden die tot een andere uitkomst van de belangenafweging zouden moeten leiden gaan niet op. Het hof overweegt daartoe als volgt.

20. Artikel 6 EVRM heeft betrekking op het recht op een eerlijk proces. Onderdeel hiervan is dat de uitspraak in het openbaar moet plaatsvinden. Deze verplichting is eveneens vastgelegd in artikel 121 Gw en artikel 5 RO. Dat rechterlijke uitspraken in het openbaar moeten plaatsvinden brengt niet mee dat uitgevers als SDU in beginsel tot publicatie van ongeanonimiseerde uitspraken moeten kunnen overgaan, tenzij zwaarwegende belangen van partijen of een derde zich daartegen verzetten. Met dit standpunt wordt onvoldoende recht gedaan aan het onder de Wbp geldende toetsingskader zoals omschreven in r.o. 15, dat omvat dat toetsing aan de hier aan de orde zijnde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dient plaats te vinden.

21. Ratio van de verplichting om in het openbaar uitspraak te doen is de mogelijkheid voor de publieke opinie om de rechtspraak te controleren. SDU heeft niet, althans onvoldoende concreet op deze zaak toegespitst, toegelicht op welke gronden zij van mening is dat dit belang (wezenlijk) wordt geschaad bij de geanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot. Het gaat hier, zoals gezegd, om een juridische analyse over de doorbreking van een appelverbod bij een herstelvonnis. Dat het aan de publieke controle op de rechtspraak ten goede zou komen als de door SDU gepubliceerde uitspraak en noot ongeanonimiseerd kan worden doorgenomen valt niet in te zien (waarbij het hof nog aantekent dat al zeker niet kan worden gezegd dat ongeanonimiseerde publicatie daarvoor noodzakelijk is). Ook is hier niet aan de orde het door SDU genoemde belang dat het ongeanonimiseerd duiden van personen die vermeld worden in (veelal ingewikkelde) gerechtelijke uitspraken het de lezer makkelijker maakt om dezelfde persoon in verschillende hoedanigheden te volgen in het verloop van de procedure (zulks nog daargelaten of dit tot een andere belangenafweging zou moeten leiden). Het hof verwijst in dit verband naar de op rechtspraak.nl gepubliceerde geanonimiseerde uitspraak (inl. dagv. prod 1). SDU heeft niet (concreet) aangegeven op welke punten dit op rechtspraak.nl gepubliceerde arrest moeilijk leesbaar zou zijn. De stelling dat SDU niet is gebonden aan de anonimiseringsrichtlijn die geldt voor publicatie op rechtspraak.nl is in dit verband niet relevant. Bij pleidooi heeft SDU nog gewezen op artikel 28 lid 2 Rv. Deze bepaling geeft, kort gezegd, in beginsel recht op een ongeanonimiseerd afschrift van de gerechtelijke uitspraak in civiele zaken. Dit betekent echter niet dat SDU bij de beoordeling van de vraag of ongeanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot noodzakelijk is niet zou behoeven te toetsen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

22. SDU heeft voorts niet, althans onvoldoende concreet gemotiveerd toegelicht op welke gronden zij van mening is dat zij als juridisch tijdschrift een betere bijdrage levert aan de behoefte van het wetenschappelijk discours door zaken niet geanonimiseerd te duiden. Voor zover hier in zijn algemeenheid al enige rechtvaardiging in valt te vinden (zoals volgens SDU breed in de literatuur wordt gedragen) doet ook dit er niet aan af dat de hiervoor genoemde toetsing moet plaatsvinden. Dat een belangenafweging moet plaatsvinden lijkt SDU overigens ook te onderkennen met haar stelling dat uitspraken die straf -en familierecht betreffen worden geanonimiseerd en dat voor de overige zaken de noodzaak tot anonimisering per geval wordt beoordeeld. Volgens SDU is deze belangenafweging in dit geval ten nadele van [appellant] uitgevallen. Zoals hiervoor is overwogen volgt het hof deze uitkomst niet.

23. SDU heeft in dit verband ook een beroep gedaan op artikel 10 EVRM. Deze bepaling heeft betrekking op de vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat het recht om een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen en door te geven zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Anders dan SDU betoogt leidt ook het recht op vrijheid van meningsuiting in dit concrete geval niet tot een andere belangenafweging dan hiervoor is overwogen. In dit geval dient het grondrecht op privacy (art. 8 EVRM) te prevaleren boven het uit artikel 10 EVRM voortvloeiende grondrecht op het ontvangen en doorgeven van informatie, nu de inperking van laatstbedoeld recht van SDU bij anonimisering, zoals mede volgt uit hetgeen hiervoor onder 21 en 22 is overwogen, relatief gering moet worden geacht ten opzichte van de inbreuk op eerstbedoeld recht van [appellant] bij ongeanonimiseerde publicatie.

24. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat SDU met het geautomatiseerd verwerken van de persoonsgegevens van [appellant] en de ongeanonimiseerde publicatie daarvan in strijd heeft gehandeld met artikel 8 suf f Wbp en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] heeft geschonden. SDU heeft met deze handelwijze onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld.

 

Dit is een belangrijke uitspraak, ook relevant voor anderen die soms ongeanonimiseerde uitspraken publiceren, zoals de media.

Voor de privacy-site van Pellicaan Advocaten schreef ik een korte signalering van deze zaak.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/ ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Grondrechten, rechtsstaat e.d., ICT, privacy, e-commerce, Procesrecht, rechtspraak en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s