Minister van Veiligheid voelt niet voor wijziging systeem bestuursrechtelijke sancties

Op 18 april jl. stuurde de Minister van Veiligheid een brief aan de Tweede Kamer, waarin hij aangaf te willen blijven bij het huidige systeem van bestuurlijke boetes. Opvallende elementen in de brief:

  • De eerdere systematiek bij de keuze voor bestuurlijke of strafrechtelijke sancties wordt losgelaten. In plaats daarvan zal de keuze voor zowel een strafrechtelijke als een bestuursrechtelijk punitieve handhaving worden onderbouwd aan de hand van “alle relevante factoren“. Onder speelt een rol of er gespecialiseerde handhavers zijn die voldoende kennis van die doelgroep hebben.
  • Opvallend is dat voor de keuze voor een bestuurlijke boete pleit als het gaat om veel voorkomende of betrekkelijk lichte overtredingen die eenvoudig zijn vast te stellen of waarbij verwacht mag worden dat in de praktijk doorgaans geen rechterlijk oordeel zal worden ingeroepen. Op dit moment geldt bij veel financieel-economische wetgeving dat zeer hoge boetes kunnen worden opgelegd voor overtredingen die niet ‘betrekkelijk licht’ kunnen worden genoemd.
  • Bij bepaling van de hoogte van bestuurlijke boetes zal worden aangesloten bij het strafrecht. Ook bij verjaringstermijnen wordt het straffende bestuursrecht op het strafrecht aangesloten.
  • De Minister meent dat een andere rol van het bestuursrecht er toe mag leiden dat zware sancties niet door de rechter worden opgelegd maar door een gespecialiseerd bestuursorgaan, met toetsing door de rechter achteraf. (Ik blijf van mening dat dit bij zware sancties een ongewenst systeem is.) Wel schrijft de Minister “Dat neemt niet weg dat ongerechtvaardigde verschillen in rechtspositie tussen de justitiabelen in het strafrecht en het bestuursrecht aandacht behoeven. Waar dat gerechtvaardigd is, worden initiatieven genomen om die weg te nemen, of wordt nader onderzoek verricht naar de achtergronden daarvan“.
  • Ook het bewijsrecht komt in de brief aan de orde. De Minister schrijft onder meer:

Ook de Awb kent wel degelijk bewijsrechtelijke bepalingen. Zo volgt uit artikel 3:46 Awb dat een besluit – dus ook een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete – dient te berusten op een deugdelijke motivering. Deze eis van een deugdelijke motivering omvat onder meer de eis van een juiste feitelijke grondslag. Het bestuursorgaan mag dus geen bestuurlijke boete opleggen, zolang het niet de overtuiging heeft dat de overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het bestuursorgaan zal zich er dus steeds, maar in ieder geval bij gemotiveerde betwisting, terdege van moeten vergewissen dat daarvoor voldoende bewijs bestaat. Indien beroep wordt ingesteld, zal het bestuur zo nodig de rechter van de juistheid van de aan de boetebeschikking ten grondslag gelegde feiten moeten overtuigen. Dit volgt uit het gegeven, dat in het Nederlandse bestuursproces in beginsel de materiële waarheidsvinding centraal staat, met het oog waarop de bestuursrechter de feitelijke grondslag van het bestreden besluit volledig kan toetsen. Een en ander betekent, dat reeds toepassing van het algemene bestuurs(proces)recht er in overeenstemming met artikel 6, tweede lid, EVRM toe leidt, dat geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd als de overtreding niet, zo nodig ten genoegen van de rechter, is bewezen. Volgens vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding en dat, in geval van twijfel, aan de betrokkene het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Uit artikel 3:2 Awb volgt voorts dat het onderzoek naar de feiten op een zorgvuldige wijze moet plaatsvinden. Gelet daarop zijn nadere regels omtrent de bewijsgaring en de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen niet nodig. Ook in de beroepsfase is er geen reden om voor bestuurlijke boeten een inbreuk te maken op de traditioneel in het bestuursprocesrecht geldende vrije bewijsleer. Als er in de beroepsfase nog bewijs moet worden geleverd, moet dat gebeuren door die partij die dat ook in de primaire of bezwaarfase moest doen. De beoordeling van de toereikendheid van het bewijs is aan de rechter. Ditzelfde geldt voor de vraag of het bewijs rechtmatig is verkregen. De vrijheid van de bestuursrechter ten aanzien van de bewijswaardering brengt mee dat het aan de rechter is te beoordelen in hoeverre bewijsmateriaal bij de vergaring waarvan enig voorschrift is geschonden, aan het bewijs van de overtreding kan bijdragen.

  • De brief besluit met een plan van aanpak. Daarin zijn diverse voornemens opgenomen. Een ingrijpende herziening van het systeem van bestuursrechtelijke sanctionering behoort daar niet toe.

Aanleiding voor aandacht voor dit onderwerp is een ongevraagd advies van de Afdeling advisering van de Raad van State uit 2015.

 

Meer informatie:

Voorgeschiedenis:

Op dit blog:

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/ ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Bestuurlijke boete, Bestuurlijke sancties, Bestuursrecht, Grondrechten, rechtsstaat e.d., Strafrecht en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s