Veel ubo’s weten nog nog niets van het register | Wwft, ubo-register

Op 11 juli jl. werden uitkomsten van een onderzoek naar bekendheid bij ondernemingen van het in aantocht zijnde ubo-register bekend gemaakt. Niet verrassend is dat de meerderheid van de toekomstig geregistreerden niet weet dat hij of zij in een register komt.

Dat komt omdat door het ministerie van financiën in de publiciteit wordt gesuggereerd dat alleen uiteindelijk belanghebbenden bij ‘brievenbusmaatschappijen’ in het register komen. Verder wordt door het ministerie de indruk gewekt dat alle geregistreerden een economisch belang bij hun entiteit hebben, terwijl ook dat onjuist is.

Zo komen alle statutair bestuurders van de not-for-profit organisaties Privacy First en Bits of Freedom in het ubo-register.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Ubo-register | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Hoe poortwachters elkaar bij de les houden | NBA en de trustkantoren

In december jl. plaatste ik hier een bericht over de discussie die accountantsorganisatie NBA aan wilde gaan met de trustkantorensector.

In juni jl. verscheen op de site van de NBA een afrondend memo over dit poortwachtersproject, “Open brief Trustkantoren ‘Poortwachters’ – afronding project” dat belangstellenden hier (pdf) kunnen vinden. Bij het memo zit als bijlage een reactie van Holland Quaestor.

Overigens vraag ik me af hoe de NBA bij de drie ‘observaties’ (zie pagina 3 van het rapport) komt. Die observaties zijn (met daarna mijn korte reactie):

  • Maatschappelijke verantwoording is nog onderbelicht” > gezien alle aandacht voor trustkantoren en de nieuwe regels lijkt me dit onjuist.
  • Integere bedrijfsvoering is meer dan een handboek” > dat is een open deur.
  • Ook de accountant past een poortwachtersrol” > weten accountants niet dat zij poortwachter zijn?

 

Dit bericht verscheen eerder op de site van Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Trustkantoren | Plaats een reactie

Inloggen met Facebook bij de Nederlandse overheid?

De Nederlandse overheid is nog steeds met IT aan het tobben. In dat verband is het opmerkelijk dat ik een bericht op security.nl van 8 juli jl. lees dat de overheid het makkelijker wil maken voor private ondernemingen om de zgn. ‘inlogmiddelen’ aan te bieden. Voorstel voor de Wet digitale overheid zal daarom worden aangepast, zo lees ik in een kamerbrief.

In het licht van de waarschuwingen door Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) dat Nederland grote digitale risico’s loopt, maakt dit een merkwaardige indruk.

Is dit een bezuiniging van de rijksoverheid waardoor de burger extra cybersecurity risico zal gaan lopen? Om daar achter te komen zal ik de plannen beter moeten bestuderen.

Onlangs heb ik mee gedaan aan een internetconsultatie over het ontwerp voor een Besluit bedrijfs- en organisatiemiddel Wdo, waarin ik heb geklaagd dat enige vorm van integriteitstoetsing ontbreekt rondom de private partijen die  een rol spelen bij het inloggen bij de overheid en het digitaal verrichten van handelingen in het publieke domein.

 

Een ander overheidsplan wat onlangs bekend werd gemaakt, nl. dat mensen gemakkelijker gegevens aanwezig bij de overheid aan private partijen mogen geven, klinkt uit oogpunt van cybersecurity ook niet verstandig.

We gaan zien wat er van komt.

 

Meer informatie:

Inlogmiddelen; cybersecurity:

Digitale kluis en gegevens delen:


Aanvulling 8 november 2019
De Cyber Security Raad bepleit veilige inlogmiddelen om te voorkomen dat mensen via advertentiebedrijven als Facebook gaan inloggen.

Geplaatst in Bestuursrecht, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

De hulpintermediair moet zijn onschuld bewijzen | MDR, DAC6

De positie van belastingadviseurs wordt aanzienlijk verbeterd door de Europese regels, die wel bekend staan onder “Mandatory Disclosure Rules” (MDR), een verplichting voortvloeiend uit een Europese richtlijn die vaak als DAC6 wordt aangeduid. Op grond van MDR zijn belastingadviseurs verplicht om agressieve fiscale constructies te melden. De MDR-regels zijn zeer ingewikkeld en eigenlijk alleen door internationaal actieve belastingadviseurs te doorgronden.

MDR vergt veel fiscale kennis, zodat het is te hopen dat er voldoende fiscalisten zijn om aan de regels uitvoering te geven.

Nederlands wetsvoorstel
Op 12 juli jl. heeft het Nederlandse kabinet het Nederlandse wetsvoorstel bekend gemaakt. Het wetsvoorstel draait rondom het begrip ‘constructie’, waarover in de memorie van toelichting staat vermeld:

De begrippen ‘constructie’ en ‘meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie’ zijn bewust niet gedefinieerd. Het werd niet nodig geacht noch wenselijk bevonden om een definitie van die begrippen, of van ‘agressieve fiscale planning’, op te nemen. Dit hangt mede samen met het feit dat agressieve fiscale planningsconstructies in de loop der jaren steeds complexer zijn geworden en constant worden gewijzigd en aangepast in reactie op defensieve tegenmaatregelen van de belastingautoriteiten.

Dat is opmerkelijk, zeker nu de reikwijdte van de regelgeving zo groot is en niet-naleving grote consequenties heeft.

Intermediair
De regelgeving richt zich primair tot degenen die de constructies bedenken, de ‘intermediairs’ zijn primair degenen:

die doorgaans betrokken zijn bij het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of het beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie

Dat zijn mensen met kennis van belastingrecht, want alleen zij overzien of een constructie de kenmerken van een “meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie” heeft.

Hulpintermediair
Daarnaast kent de Europese regeling ook een fenomeen, dat in de memorie van toelichting als ‘hulpintermediair‘ wordt aangeduid en wordt omschreven als degene die bij een “meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie” hulp, bijstand of advies verstrekt. Over de hulpintermediair staat in de memorie van toelichting onder meer:

Ten aanzien van laatstbedoeld type intermediair, hierna ook wel aangeduid met de term hulpintermediair, geldt dat enkel sprake is van een intermediair als die persoon, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, weet of redelijkerwijs kon weten dat hij heeft toegezegd rechtstreeks of via andere personen hulp, bijstand of advies te verstrekken met betrekking tot de hiervoor bedoelde werkzaamheden. Elke persoon heeft hierbij het recht bewijs te leveren van de ‘onwetendheid’ van de potentiële hulpintermediair van diens betrokkenheid bij de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, waarbij die persoon alle relevante feiten en omstandigheden, beschikbare informatie en zijn relevante deskundigheid en begrip ervan kan vermelden. [23] Indien de bewijsvoering slaagt, kan een dergelijke persoon dus niet worden aangemerkt als (hulp)intermediair.

In beginsel zijn alle betrokken intermediairs, waaronder begrepen de hulpintermediairs, verplicht een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie te melden.

[23] Zie artikel 3, eenentwintigste lid, derde zin, Richtlijn 2011/16/EU. 

Op een latere pagina staat over de hulpintermediair:

Zoals aangegeven kan een persoon alleen als hulpintermediair worden gekwalificeerd als die persoon, kort gezegd, wist of redelijkerwijs kon weten dat hij heeft toegezegd hulp, bijstand of advies te verstrekken met betrekking tot het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Hierbij heeft elke persoon het recht bewijs te leveren van het feit dat de (potentiële) hulpintermediair niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat deze op een dergelijke wijze bij de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is betrokken. Daartoe kan die persoon alle relevante feiten en omstandigheden, beschikbare informatie en zijn relevante deskundigheid en begrip ervan vermelden. Als het bewijs slaagt, kwalificeert de betreffende persoon niet als hulpintermediair en heeft hij logischerwijs ook geen meldingsplicht. Of een persoon hulpintermediair is, is dus afhankelijk van het antwoord op de vraag of die persoon, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, weet of redelijkerwijs kon weten dat hij heeft toegezegd om rechtstreeks of via andere personen de betreffende hulp of bijstand of het advies te verstrekken. [132] Hieruit volgt dat de potentiële hulpintermediair geen onderzoeksplicht heeft, inhoudende dat een persoon niet is gehouden om extra informatie te verzamelen om te kunnen beoordelen of hij kwalificeert als hulpintermediair, als dat niet nodig is om de betreffende dienst – rekening houdend met de deskundigheid die en het begrip dat daarvoor nodig is – te kunnen verstrekken. De bepaling aangaande de hulpintermediair is in zekere mate geobjectiveerd door het gebruik van de woorden ‘redelijkerwijs kon weten’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat niet doorslaggevend is of een individuele medewerker feitelijk weet dat sprake is van (het verstrekken van hulp bij) een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Van belang is of diegene gelet op ‘de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om de diensten (die diegene uit hoofde van zijn functie verstrekt) te verstrekken’, redelijkerwijs kan weten dat daarmee de hier bedoelde hulp of bijstand of het advies wordt verstrekt.

Voor de intermediair geldt het element “weet of redelijkerwijs kon weten” niet. Een persoon die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie bedenkt, aanbiedt, opzet of beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert, is per definitie intermediair.

Mijn interesse gaat uit naar de hulpintermediairs, aangezien dat betrokkenen kunnen zijn met een beperkte fiscale kennis, zoals trustkantoren (= bestuurders), banken, accountants en notarissen.

Het lijkt er op dat als een meldingsplichtige constructie wordt ontdekt, die niet is gemeld, de hulpintermediair zijn onschuld moet bewijzen. Boeiend is dat hij daarbij onder meer moet bewijzen dat hij geen relevante deskundigheid heeft. Ik ben benieuwd hoe dat moet.

Kunnen hulpintermediairs voorkomen dat zij gestraft worden voor niet door hen bedachte structuren? Mogelijke oplossingen:

  • Alle structuren standaard melden.
  • Niet meer mee werken aan handelingen met een internationaal karakter.
  • Verzoeken om een MDR-opinie van de belastingadviseur die de structuur heeft bedacht.
  • Verzoeken om een MDR-opinie door een andere belastingadviseur dan degene die de structuur heeft bedacht.

Aan al deze oplossingen zitten haken en ogen. Zo  is niet altijd te overzien of een handeling een internationaal karakter heeft. Aan MDR-opinies kunnen hoge kosten verbonden zijn en de vraag is of op de opinies kan worden afgegaan.

Lex certa?
Interessant is dat een paragraaf over de AVG in de memorie van toelichting in wordt opgemerkt dat de uitwisseling van persoonsgegevens op grond van MDR gerechtvaardigd is omdat de regels kenbaar en voorzienbaar zouden zijn:

voor het voor burgers kenbaar en voorzienbaar is dat een inmenging kan plaatsvinden en onder welke omstandigheden dat het geval is.

terwijl uit de memorie van toelichting blijkt dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) kritiek heeft op de onduidelijkheid van de begrippen, nu (aldus de memorie van toelichting):

intermediairs in de praktijk moeite kunnen hebben met het vaststellen van het al dan niet meldingsplichtig zijn van concrete constructies. De ATR adviseert om in dat kader kenmerken van niet-meldingsplichtige constructies te expliciteren.

Volgens de memorie van toelichting wordt dit opgelost door middel van een leidraad:

Met betrekking tot dit adviespunt is het relevant om op te merken dat een leidraad zal worden opgesteld waarin nadere inkleding wordt gegeven aan de verplichtingen die volgen uit Richtlijn (EU) 2018/822. In de leidraad zal onder andere – ter illustratie – ten aanzien van een aantal concrete constructies worden aangegeven of zij wel of juist niet aan (een van) de wezenskenmerken voldoen, teneinde intermediairs en relevante belastingplichtigen, waar mogelijk, te ontlasten

Die leidraad is vast nuttig voor de primaire intermediair, de belastingadviseur, maar gaat het de hulpintermediair wel helpen? Die hulpintermediair heeft veelal een te beperkte kennis om de leidraad überhaupt te kunnen lezen.

De Afdeling advisering van de Raad van State schrijft in paragraaf 2 over de open normen, die niet duidelijk zullen zijn voor belastingadviseurs. De Afdeling constateert dat – ondanks de nog op te stellen leidraad – ook bij inwerkingtreding de begrippen nog niet (volledig) duidelijk zullen zijn. In de kabinetsreactie wordt naar aanleiding daarvan alleen gesproken over de strafmaat en niet over het principe dat een verplichting kenbaar moet zijn voor de betrokken burger.

 

Onmogelijke positie hulpintermediairs
Mijn voorlopige conclusie is dat hulpintermediairs door de MDR in een onmogelijke positie komen te verkeren, nu zij over één kam worden geschoren met belastingadviseurs.

Naar verwachting zullen de kosten van notarissen, accountants, niet-fiscale advocaten en banken verder toenemen om aan MDR te kunnen voldoen, bijvoorbeeld door fiscalisten in dienst te nemen of vaker fiscaal advies in te winnen. Een oplossing zou zijn om gereguleerde dienstenaanbieders zonder fiscale adviespraktijk uit te sluiten, maar dat is iets wat er gezien de algemene politieke stemming niet in lijkt te zitten.

Op de positie van hulpintermediairs is van toepassing wat iemand schreef die reageerde op een artikel over de Wwft:

Ik word hier wel verdrietig van. Want de regels zijn inderdaad dermate vaag dat, om aan de zekere kant te blijven, alles waar ook maar iets op aan te merken zou kunnen zijn, dient te worden onderzocht. Ik, als dienstverlenend boekhouder, kom daarmee in een moeilijk parket. Mij ontbreekt tijd, kennis en geld om de wet dusdanig na te leven dat ik geen risicoos loop.

 

Meer informatie:

 


Aanvulling 3 november 2020
Uit latere informatie zou blijken dat de hulpintermediair zijn onschuld niet zou hoeven te bewijzen. Het zal me benieuwen of dit werkelijk zo zal zijn.

Aanvulling 16 maart 2021
Hoe in de praktijk met de niet-fiscalist wordt omgegaan, moet nog worden afgewacht. In juni 2020 is de Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies gepubliceerd door het Ministerie van Financiën (oorspronkelijke versie, actuele versie op overheid.nl). In de leidraad staat een aparte paragraaf 3.2 over de hulpintermediair. De tekst per 16 maart 2021 luidt:

Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies
Geldend van 01-07-2020 t/m heden

3.2 Hulpintermediair

Voor de kwalificatie als hulpintermediair dient allereerst sprake te zijn van het verstrekken van hulp, bijstand of advies met betrekking tot het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of het beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie.

Of een persoon hulpintermediair is, is voorts afhankelijk van het antwoord op de vraag of die persoon, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, weet of redelijkerwijs kon weten dat hij heeft toegezegd om rechtstreeks of via andere personen de betreffende hulp, bijstand of advies te verstrekken met betrekking tot de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie.

De vraag of sprake is van een hulpintermediair moet op individueel niveau worden beantwoord. De bepaling is evenwel geobjectiveerd door de woorden ‘redelijkerwijs kon weten’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat niet doorslaggevend is of een individuele medewerker feitelijk weet dat sprake is van (het verstrekken van hulp, bijstand of advies bij) een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Van belang is of diegene gelet op ‘de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om de diensten (die diegene uit hoofde van zijn functie verstrekt) te verstrekken’, redelijkerwijs kan weten dat daarmee de hier bedoelde hulp of bijstand of het advies wordt verstrekt. Dit laatste houdt in dat een persoon die vanwege de aard van zijn dienst niet beschikt over de kennis en kunde om de constructie te duiden aan de hand van de wezenskenmerken opgenomen in bijlage IV bij Richtlijn 2011/16/EU, niet kwalificeert als hulpintermediair.

De potentiële hulpintermediair heeft geen onderzoeksplicht. Dat wil zeggen dat een persoon niet is gehouden om extra informatie te verzamelen om te kunnen beoordelen of hij kwalificeert als hulpintermediair, als die extra informatie niet nodig is om de betreffende dienst – rekening houdend met de deskundigheid die en het begrip dat daarvoor nodig is – te kunnen verstrekken.

) Overigens bestaat er ook geen onderzoeksplicht voor de intermediair om de gegevens en inlichtingen zoals opgenomen in artikel 10h, tweede lid, onderdelen a tot en met i, WIB volledig te kunnen verstrekken. Een intermediair (of hulpintermediair) hoeft immers alleen de gegevens te verstrekken waar hij kennis of bezit van of controle over heeft.)

Een potentiële hulpintermediair beschikt soms over meer informatie dan nodig is om de betreffende dienst te kunnen verstrekken. Te denken valt bijvoorbeeld aan een advocaat die een volledig dossier krijgt opgestuurd van een cliënt, terwijl hij slechts over één aspect uit dat dossier adviseert. In een dergelijk geval kan de advocaat zich voor de beoordeling of sprake is van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie in beginsel beperken tot de feiten en omstandigheden en informatie uit het dossier die nodig zijn om het desbetreffende advies te verstrekken. De advocaat is dus niet verplicht kennis te nemen van de overige beschikbare (fiscale) informatie in het dossier om vast te stellen of mogelijk sprake is van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Een potentiële hulpintermediair die geen kennis heeft genomen van de aanwezige informatie, terwijl die informatie wel van belang is voor het verstrekken van de betreffende dienst, wordt evenwel geacht redelijkerwijs weet te hebben van die informatie.

Het gaat om de beschikbare informatie op het moment van het verstrekken van de hulp, bijstand of het advies. Als een persoon een bepaalde dienst levert ten aanzien waarvan op dat moment voor die persoon geen meldingsplicht geldt – omdat die persoon niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat sprake was van het verstrekken van hulp, bijstand of advies met betrekking tot een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie – dan ontstaat nadien niet alsnog een meldingsplicht als op basis van nadere informatie of kennis blijkt dat de destijds geleverde dienst betrekking had op een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie.

Overigens betekent het enkele feit dat een potentiële hulpintermediair door bijvoorbeeld een verschoningsgerechtigde intermediair wordt gewezen op een (mogelijke) meldingsplicht niet dat deze potentiële hulpintermediair daarmee de beschikbare informatie heeft om (redelijkerwijs) te weten dat sprake is van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie.

Geplaatst in Belastingrecht, Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Europa, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

For U.S. Persons there is more than FATCA

In an earlier blogpost I explained the way the United States is ruling over people who do not live in the US nor have the US nationality. These persons in US legislation are called ‘U.S. Persons‘. Recently I discovered that being a U.S. Person entails more than filing tax returns with IRS or being ‘protected’ by the Dod Frank Act.

According to this article reporting obligations under US sanctions law are or will be extended to all U.S. Persons.

 

More information:

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Sanctieregels | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Nieuwsbrief DNB voor trustkantoren uitgebracht

DNB heeft een nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht, waarin de consultatie inzake de beleidsregel Maatschappelijke Betamelijkheid en de consultatie inzake de beleidsregel geschiktheid worden gemeld. Verder wordt de sector herinnerd aan het vereiste van twee dagelijks beleidsbepalers en meldt de Bank dat de risico’s ten aanzien van financiële stabiliteit toenemen.

 

Dit bericht verscheen eerder op de site van Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Trustkantoren | Tags: , , , | Plaats een reactie

GCV adviseert over concept Implementatiebesluit registratie UBO’s

KNB liet weten dat de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) van KNB en NOvA heeft geadviseerd over het concept Implementatiebesluit registratie UBO’s:

GCV adviseert over concept Implementatiebesluit registratie UBO’s
04-07-2019

Rechtspersonen en ondernemingen zelf laten beoordelen welke documenten zij aan het Handelsregister geven om het economisch belang van een UBO te onderbouwen. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) stelt voor deze beoordelingsvrijheid in de tekst van het voorstel zelf naar voren te laten komen. Verder stelt de GCV voor om de nodeloos strenge eis voor UBO’s om onder het afschermingsregime van het UBO-register te kunnen vallen, te verruimen.

Met deze aanbevelingen reageert (pdf) de GCV op het voorstel voor het Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten. In het voorstel wordt een verdere invulling gegeven aan het wetsvoorstel Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten dat op 3 april bij de Tweede Kamer is ingediend.

Documentatie
Rechtspersonen en ondernemingen zijn op grond van de Implementatiewet verplicht hun UBO’s in het Handelsregister te registreren. In het voorstel wordt uitgewerkt welke documentatie overgelegd moet worden ter onderbouwing van de aard en omvang van het economisch belang van een UBO. Uit de toelichting blijkt dat het aan de inschrijvingsplichtige rechtspersoon of onderneming zelf is te beoordelen welke documenten moeten worden gedeponeerd. Hierbij is ruimte voor een zekere beoordelingsvrijheid zolang daaruit de aard en omvang van het economisch belang maar blijkt.

Hanteren van bandbreedtes
De GCV is het eens met het vermelden van bandbreedtes in plaats van het exacte economische belang van de UBO. Exacte economische belangen kunnen regelmatig wijzigen en het steeds moeten opgeven en bijhouden van deze wijzigingen leidt tot hogere lasten en administratieve druk.

Afschermingsregime
Volgens het voorstel is alleen in bepaalde uitzonderlijke situaties afscherming van de gegevens van de UBO in het UBO-register mogelijk. De hiervoor geldende eis in het voorstel gaat verder dan de eis voor afscherming die in de richtlijn wordt genoemd. De GCV vindt de aanwezigheid van een UBO op specifieke lijsten – zoals personen voor wie de politie persoonsbeveiliging verzorgt en personen die op lijsten staan vermeld bij de minister van Justitie en Veiligheid of hoofdofficieren van justitie – een nodeloos strenge eis en stelt voor om de tekst in het artikel beter aan te laten sluiten bij de norm die volgt uit de vierde anti-witwasrichtlijn, namelijk blootstelling aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidaties.

Curatele
De GCV vraagt zich af of ook gegevens van UBO’s van wie het vermogen onder bewind is gesteld, moeten worden afgeschermd. De gegevens van UBO’s die onder curatele zijn gesteld, worden namelijk wel afgeschermd in het voorstel.

Bewaartermijn
De GCV ziet graag een verduidelijking van de keuze voor de tienjarige bewaartermijn van gegevens van UBO’s van uitgeschreven vennootschappen of juridische entiteiten. Het is de vraag of de bewaartermijn van tien jaar niet te lang is, gelet ook op de normale bewaartermijn van vijf jaar in de WWFT. Daarnaast raadt de GCV aan om duidelijk in het voorstel op te nemen wat het proces is rondom de vernietiging van de persoonsgegevens van de UBO.

 

Dit bericht verscheen eerder op het ondernemingsrechtweblog.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Ubo-register | Tags: , , , | Plaats een reactie

Pas op: wantrouwen brengt de samenleving ernstige schade toe!

Onder de titel “Pas op: wantrouwen brengt de samenleving ernstige schade toe!” schreef Rob Wijnberg op de De Correspondent een mooi artikel over de wantrouwende overheid.

Net als ik, verbaast hij zich over de merkwaardige ‘dreigingsniveau’ meldingen die periodiek door de overheid aan de burgers bekend worden gemaakt, op pseudo-wetenschappelijke wijze en zonder dat iemand kan duidelijk maken waar die meldingen goed voor zijn.

 


Aanvulling 30 april 2021
Lees Ombudsman van Amsterdam Arre Zuurmond: het hele systeem zit vol met wantrouwen, NRC 29 april 2021 (betaalmuur).

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , | Plaats een reactie

Dienstweigering | opzegging door de bank vanwege de Wwft

Al eerder signaleerde ik dat de privatisering van de criminaliteitsbestrijding via de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) er toe leidt dat ondernemingen die criminaliteit moeten opsporen (‘Wwft-plichtigen’) cliënten sneller afwijzen respectievelijk wegsturen.
Dat is gebaseerd op het cliëntenonderzoek dat Wwft-plichtigen, zoals banken en accountantskantoren, moeten uitvoeren.

Steeds vaker zeggen banken de relatie op omdat ze vinden dat de informatie die ze van hun klant ontvangen onvoldoende is. Soms wordt er opgezegd omdat de bank geen zin meer heeft in een bepaald type ondernemingen.

Op de zwarte lijst van de bank
De banken zeggen soms niet alleen de relatie op maar delen hun klant ook mee dat zij gedurende lange periode in een interne zwarte lijst (het ‘Intern Verwijzingsregister’, IVR) worden opgenomen. Nog schadelijker is het als de bank betrokkenen in het Extern Verwijzings Register (EVR) opneemt, een zwarte lijst van de banken gezamenlijk.

Rabobank zegt ten onrechte op
Die opzegging is soms onterecht, zoals in deze uitspraak. Daarin werd de Rabobank veroordeeld om de relatie met de klant voort te zetten. In de uitspraak laat de rechter blijken dat banken de relatie niet zo maar mogen opzeggen:

4.3. De vraag is aan de orde of voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat Rabobank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruikt heeft gemaakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarbij komt gewicht toe aan de zorgplicht op grond waarvan Rabobank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen, waarin ook het belang van betalingsverkeer voor de rekeninghouder(s) wordt meegewogen. Evenzeer komt gewicht toe aan de verplichting van [eisers bij dagvaarding] om ingevolge artikel 2 lid 2 ABV eraan mee te werken dat Rabobank aan haar verplichtingen jegens (onder meer) toezichthouders kan voldoen en om geen misbruik van haar diensten te (laten) maken, bijvoorbeeld door middel van activiteiten die schadelijk zijn voor de reputatie van Rabobank en die de werking van de betrouwbaarheid van het financiële stelsel kunnen schaden. [eisers bij dagvaarding] dienen mee te werken aan het klantenonderzoek van Rabobank. Dit brengt een zekere inspanningsverplichting mee voor [eisers bij dagvaarding] om bij Rabobank bestaande onduidelijkheden weg te nemen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het voor rechtspersonen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Bij opzegging van een bancaire relatie brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid, in verband met de zorgplicht van de bank zoals is neergelegd in artikel 2 lid 1 ABV, dan ook mee dat opzegging enkel mogelijk is op een daarvoor in de gegeven omstandigheden voldoende zwaarwegende grond.

 

Vervolgens beoordeelt de rechter de door de bank aangedragen feiten, die volgens de Rabobank ‘concrete indicaties van betrokkenheid bij witwassen’ zouden opleveren en is van oordeel dat de bank het standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. De rechter overweegt onder meer (‘instelling’ = Wwft-plichtige):

Artikel 3 Wwft bevat bepalingen over het door instellingen te verrichten cliëntenonderzoek. De centrale gedachte in de antiwitwaswetgeving is dat risico’s op het meewerken aan witwaspraktijken door instellingen worden teruggedrongen doordat de instelling zijn cliënt identificeert, ondersteund met documenten. Het gaat erom dat duidelijk is wie er achter de klant zit (in dit geval: [eiser bij dagvaarding sub 2] achter [eiser bij dagvaarding sub1] ), niet wie er achter de klanten van de klant zit. Bovengenoemde eis van Rabobank is dus niet op de wet gebaseerd en is, zonder concrete aanwijzingen dat er met ook maar één leverancier, één afnemer of één transactie van [eiser bij dagvaarding sub1] daadwerkelijk iets mis is, buitenproportioneel. Een algemene notie dat deze branche een hoog risicoprofiel heeft is niet voldoende om deze eisen te stellen. Overigens is niet gebleken dat bij [eiser bij dagvaarding sub1] sprake is van intercontinentale geldstromen met transacties die worden gesloten via platforms waarbij partijen elkaar niet kennen – volgens Rabobank een van de indicatoren voor witwassen – integendeel, in haar brief van 28 februari 2019 schrijft Rabobank immers dat de grootste afnemers en leveranciers in Nederland gevestigd lijken te zijn.

 

De rechter komt tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is geworden dat op grond van hetgeen Rabobank heeft aangevoerd de opzegging van de bankrelatie en dus ook het opnemen van de cliënten in interne of externe incidentenregisters als het IVR of het EVR in een eventuele bodemprocedure geen stand zal houden.

Know Your Bank
Over het cliëntenonderzoek door banken anno 2019 schreef Michiel van Eersel het artikel Klantonderzoek na de ING boete: Know Your Bank (KYB).

Dienstweigering door Wwft-plichtigen
Naar verwachting zal het aantal Wwft-plichtigen dat cliënten weigert gaan toenemen, alleen al omdat het cliëntenonderzoek bewerkelijk is. Zie over dat onderwerp eerdere berichten op dit blog, onder meer:

Lees over de zwarte lijsten van de banken, ook wel incidentenregisters genoemd, dit bericht uit 2013 (dat mogelijk niet meer geheel up to date is) met de aanvullingen.

Over weigering van diensten vanwege de compliance verplichtingen van organisaties en ondernemingen zijn op dit blog berichten te vinden via de tag compliance-uitsluiting.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Einde aan anoniem bellen door bedrijven en organisaties

In een nieuwsbericht van 4 juli jl. maakt de staatssecretaris van EZ bekend dat maatregelen worden genomen tegen telemarketing overlast: “Concept wetsvoorstel voor einde aan telemarketing-irritatie“. Onderdeel daarvan is dat bedrijven niet meer anoniem mogen bellen.

De overlast die mensen ondervinden, wiens persoonsgegevens via het handelsregister te vinden zijn (zoals zzp’ers) zal niet alleen via deze maatregelen maar ook via de handelsregisterregels moeten worden aangepakt.

Nieuwsbericht:

Concept wetsvoorstel voor einde aan telemarketing-irritatie
Nieuwsbericht | 04-07-2019 | 08:00

Staatssecretaris Mona Keijzer (Economische Zaken en Klimaat) heeft haar wetsvoorstel gepubliceerd om voor consumenten en ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid (zoals een eenmanszaak) een einde te maken aan telemarketing-irritatie. Bedrijven of organisaties mogen Nederlanders straks alleen nog benaderen via de telefoon als zij daar zelf expliciet toestemming voor hebben gegeven. Telemarketeers mogen bovendien niet meer anoniem bellen: het telefoonnummer van de afzender moet zichtbaar zijn.

De conceptwijziging van de Telecommunicatiewet gaat vandaag voor een periode van zes weken in internetconsultatie en is één van de belangrijke thema’s in de afgelopen najaar door staatssecretaris Keijzer gepubliceerde Consumentenagenda.

Staatssecretaris Mona Keijzer (EZK): “Ook uit nieuw onderzoek blijkt dat Nederlanders zich in overgrote meerderheid ergeren aan ongevraagde, telefonische verkoop: ongeacht de organisatie die er achter zit. Daarom ga ik dit wettelijk verbieden. Alleen als je zelf expliciet toestemming geeft (opt-in), kun je nog gebeld worden. Dat geldt straks voor álle natuurlijke personen, niet alleen consumenten.”

Nederlanders stellen geen prijs op ongevraagde telemarketing
Uit een nieuw onderzoek (Kantar, april 2019) in opdracht van het ministerie van EZK onder meer dan 1.100 Nederlanders blijkt opnieuw dat zij in overgrote meerderheid ongevraagde telefonische verkoop niet op prijs stellen. Dit varieert van 89% die zich stoort aan commerciële telefoontjes van uitgevers tot 96% als het gaat om loterijen. Consumenten stellen ook telefonische verkoop door goede doelen (88%) niet op prijs.

Ook beperking termijn waarin bestaande klanten gebeld mogen worden
Het kabinet wil ook telemarketing richting bestaande klanten beperken, door een maximale termijn vast te stellen waarbinnen nog contact mag worden opgenomen voor een nieuw aanbod. Bedrijven die telemarketing inzetten, willen deze beperking van de termijn met zelfregulering organiseren. Wanneer dit onvoldoende werkt, kan staatssecretaris Keijzer alsnog een wettelijke termijn instellen via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).

Bescherming natuurlijke personen ‘achter’ een telefoonnummer
Niet alleen degene op wiens naam het telefoonabonnement staat, krijgt bescherming. Ook natuurlijke personen die hiervan gebruik maken vallen hier onder. Voorbeelden zijn huisgenoten van een abonnee, bewoners die een centraal nummer van een zorginstelling met rechtspersoonlijkheid gebruiken en werknemers die hun zakelijk abonnement tevens voor privédoeleinden gebruiken. Doordat er bijvoorbeeld niet anoniem gebeld mag worden, kan toezichthouder ACM de voorgenomen wettelijke regels straks ook beter handhaven.

De internetconsultatie voor de wijziging van de Telecommunicatiewet is vandaag gestart. Belanghebbenden kunnen zes weken reageren op het ontwerp. Aan het einde van dit jaar dient staatssecretaris Keijzer de voorgestelde wetswijziging in bij de Raad van State en vervolgens bij de Tweede Kamer.

Documenten
Rapport Kantar Public Telemarketing 2019
Rapport | 04-07-2019

Geplaatst in Contractenrecht, privaatrecht algemeen, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Handelsregister | Tags: , , , , , | Plaats een reactie