Sanctieregelgeving: DNB adviseert schadeverzekeraars om de AVG te overtreden

Een van de opvallende kenmerken van de privatisering van de criminaliteitsbestrijding naar bedrijven (‘witwasbestrijding’) en de sanctieregelgeving is dat bedrijven er door de overheid toe bewogen worden enorme hoeveelheden persoonsgegevens van en in verband met hun klanten te verzamelen. Die bedrijven zijn op zoek zijn naar de criminele speld in de hooiberg, wat grote gegevensbeschermingsrisico’s voor nette mensen oplevert.

Bij financiële instellingen (FI’s), zoals banken en verzekeraars, zijn de risico’s voor mensen nog groter omdat zij datalekken niet aan betrokkenen hoeven te melden (artikel).

Zeer zorgelijk is dat De Nederlandsche Bank (DNB) financiële instellingen er in de Leidraad Wwft en Sw [1] toe aanmoedigt om zich niet te houden aan de verplichting tot dataminimalisatie in de AVG, zoals hierna wordt toegelicht.

Leidraad DNB
In die leidraad worden twee verschillende juridische regimes besproken die leiden tot het verzamelen van persoonsgegevens door onder meer financiële instellingen:

  • Wwft (Nederlandse wet): een groot aantal bedrijven is verplicht om criminaliteit op te sporen en ‘ongebruikelijke transacties’ [2] te melden op grond van anti-witwaswet Wwft [3], hierna ook ‘Wwft-plichtigen’. Onder meer banken, notarissen en accountants hebben een dergelijke overheidstaak. Bij deze overheidstaak hoort een uitvoerig klantenonderzoek dat ook onderzoek naar de ‘uiteindelijk belanghebbenden’ (ubo’s) van rechtspersonen omvat.
  • Sanctieregelgeving: de sanctieregelgeving, gebaseerd op rechtstreeks werkend Europees recht, richt zich zowel tot Wwft-plichtigen als tot overige bedrijven, maar kent andere begrippen en andere regels. Één van de belangrijkste verplichtingen op grond van deze regelgeving is dat ‘relaties’ van de klanten moeten worden vastgesteld en moet worden nagegaan of die relaties op een Europese of Nederlandse sanctielijst staan [4]. Het begrip ‘relatie’ omvat de eigenaar van rechtspersonen, wat iets anders is dan de ‘uiteindelijk belanghebbende’ van rechtspersonen van de Wwft.

Schadeverzekeraars
Schadeverzekeraars vallen niet onder de Wwft, dus hoeven geen Wwft-klantenonderzoek te doen. Zij moeten echter wel de ‘relaties’ van hun klanten vaststellen en nagaan of die relaties op een relevante sanctielijst staan.
Voor hen is de wettelijke grondslag om persoonsgegevens te verzamelen ten behoeve van het onderzoek naar gesanctioneerde personen uitsluitend de Europese regelgeving.

Eigendom of zeggenschap geliste personen
In de Europese regelgeving is opgenomen dat alle tegoeden en economische middelen die “toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan” van op de sanctielijsten geplaatste natuurlijke personen en organisaties (‘geliste personen’) worden ‘bevroren’. De bevriezingsplicht geldt ook voor tegoeden en economische middelen van natuurlijke personen en organisaties die met geliste personen ‘verbonden’ zijn.
In de EU Best Practices for the effective implementation of restrictive measures [5] wordt uitgelegd wat wordt verstaan onder “toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan“. Bij toebehoren aan/eigendom is vermeld:

The criterion to be taken into account when assessing whether a legal person or entity is owned by another person or entity is the possession of more than 50% of the proprietary rights of an entity or having majority interest in it

In de Best Practices is verder een uitleg over zeggenschap (‘control’) te vinden. Het is een uitleg die los staat van de witwasbestrijdingsregels.

Opvallend is dat DNB de onder haar toezicht staande FI’s adviseert om meer persoonsgegevens op te vragen dan voor de screening aan de sanctielijsten nodig is en dat DNB adviseert af te wijken van de Europese juridische grondslag.

Uitleg DNB
DNB volgt in de leidraad niet de Europese regelgeving. Lees in dat verband paragraaf 7.3 van de Leidraad van DNB [6]. Daarin wordt uitgelegd dat er sprake is van indirect ter beschikking stellen van financiële middelen of diensten in het geval dat er 50% of meer eigendomsrechten zijn van een persoon in een structuur, wat onjuist is, want in de Best Practices spreekt over meer dan 50% eigendomsrecht.
Verder wijkt de passage in de leidraad over ‘zeggenschap’ af van wat er in de Best Practices van de Commissie staat.
Merkwaardig is dat DNB in paragraaf 7.3 het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ (ubo) gebruikt, wat suggereert dat het ubo-begrip van de Wwft relevant zou zijn, terwijl het begrip ubo in de Europese sanctieregelgeving niet voorkomt.

Er is een aparte factsheet van DNB voor schadeverzekeraars, waaraan opvalt dat de terminologie van de Europese regelgeving evenmin wordt gevolgd. Het lijkt er op alsof DNB het begrip ‘relaties’ uit de sanctieregelgeving heeft vervangen door ‘ubo’s’, wat juridisch onjuist is.

Gevolg van de uitleg van DNB is dat een te grote groep mensen als relatie wordt aangemerkt.

Persoonsgegevens verzamelen van te veel personen ‘voor de veiligheid’
Nog erger is dat DNB de FI’s adviseert zonder grondslag in de Europese regelgeving nog meer persoonsgegevens te verzamelen:

In de praktijk kunnen instellingen ook bij eigendomspercentages onder 50% de UBO in kaart brengen. Zo is het aan te raden dat instellingen gebruik maken van de definitie van UBO in de Wwft en derhalve alle UBO’s die 25% of meer eigendomsrechten hebben, kennen. Immers, het is ook verboden om tegoeden ter beschikking te stellen aan personen of entiteiten, waarover een gesanctioneerde persoon zeggenschap heeft.

DNB schrijft “kunnen ook bij eigendomspercentages onder 50% de UBO in kaart brengen” terwijl de wettelijke Europese grondslag ontbreekt. Dus dit mag niet! Natuurlijk is juist dat het mogelijk is dat er zeggenschap is ook al heeft iemand niet (in)direct meer dan 50% van de aandelen, maar ‘veiligheidshalve’ maar allerlei persoonsgegevens opvragen zonder noodzaak, is in strijd met het principe van dataminimalisatie van de AVG.

Een FI kan natuurlijk wel gegevens over de structuur vragen om er achter te komen wie de ‘relaties’ zijn, maar dat betekent nog niet dat er persoonsgegevens mogen worden verwerkt van mensen die dat niet zijn.

Vreemd genoeg denkt DNB dat er een uitzondering is voor beursgenoteerde ondernemingen [7].

Welke persoonsgegevens?
De volgende stap is de vraag welke gegevens dan mogen worden opgevraagd door de FI. Vertrekpunt is dat het om identificerende gegevens gaat, dat zijn voornamen, achternaam en geboortedatum. Het woonadres is niet relevant, aangezien in de sanctielijsten weinig adressen voorkomen en deze meestal niet zullen kloppen. In de Europese sanctielijst van 17 mei 2023 kwam maar twee keer een adres in Nederland voor [8].

Schadeverzekeraars en de sanctieregelgeving, mijn standpunt

Schadeverzekeraars dienen de ‘relaties’ in de zin van de Europese sanctieregels in kaart te brengen. Dat maakt het logisch dat bij cliënten en prospects wordt gekeken naar vertegenwoordigers en gemachtigden (kan uit het KvK-uittreksel worden gehaald zoals DNB ook aangeeft) en dat naar de structuur wordt gevraagd. Dat betekent echter niet dat er persoonsgegevens mogen worden verwerkt van mensen die geen relatie zijn volgens de Europese definitie.

Voorbeeld:
bv X heeft vier aandeelhouders (natuurlijke personen) A, B, C en D die ieder 25% houden. Alleen C en D zijn statutair bestuurder van bv X. Er zijn volgens de Europese definitie geen personen die kwalificeren als eigenaar want er is niemand die meer dan 50% van de aandelen heeft. Vanwege de ruime betekenis van ‘zeggenschap’ zijn de statutair bestuurders C en D van bv X ‘relatie’, wat betekent dat de schadeverzekeraar hun persoonsgegevens mag opvragen.
De gegevensverstrekking door C en D kan beperkt blijven tot voornamen, achternaam en geboortedatum, nu op de sanctielijsten weinig adressen voorkomen en al helemaal niet uit Nederland.

DNB doet er goed aan de teksten die zij openbaar maakt over de sanctieregelgeving volledig te herschrijven en te laten aansluiten bij de Europese juridische grondslag, zodat FI’s er niet toe worden bewogen om het begrip relatie onjuist te gebruiken en ten onrechte persoonsgegevens te verwerken van mensen die geen relatie zijn in de zin van de sanctieregelgeving.

Gevolgen van het verzamelen van teveel persoonsgegevens

Als bedrijven in het verleden ten onrechte persoonsgegevens verzameld hebben, zullen zij die zo spoedig mogelijk moeten verwijderen.

Het is mij bekend dat Wwft-plichtigen soms ook van een te ruime groep mensen persoonsgegevens verwerken, vanwege een eigen te ruime en angstige interpretatie van de regels. Het zou goed zijn als de Autoriteit Persoonsgegevens onderzoek zou instellen naar de praktijk van het onderzoek op grond van Wwft en sanctieregelgeving.

 

Noten

[1] Te vinden via de DNB-pagina over de leidraad.
[2] Transacties waarvan vermoed wordt dat daarmee crimineel geld wordt uitgegeven (‘witwassen’) of waarmee terrorisme wordt gefinancierd.
[3] Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
[4] Bedrijven waarop recht van buiten de EU van toepassing is, moeten ook checken aan de hand van de sanctielijsten van de niet-EU landen. Een voorbeeld zijn de Amerikaanse sanctielijsten.
[5] Hier te vinden.
[6] Te vinden via de DNB-pagina over de leidraad.
[7] DNB schrijft “Voor cliënten die slechts gedeeltelijk beursgenoteerd zijn is het, in het kader van de naleving van de sanctieregelgeving, van belang dat voor het niet-beursgenoteerde gedeelte de UBO bekend te zijn.“, terwijl een dergelijke uitzondering voor zover mij bekend niet in de Europese sanctieregelgeving staat. FI’s zullen ook bij beursvennootschappen moeten nagaan wie de eigenaar is en wie zeggenschap heeft, eveneens bij het wel beursgenoteerde gedeelte.
[8] De actuele lijst is op deze locatie te vinden. Een Nederlands adres komt in de Europese sanctielijst van 17 mei 2023 maar twee keer voor: bij één natuurlijke persoon staat bij adres alleen ‘Nederland’ en bij de andere persoon (rechtspersoon) staat het adres op de datum van listing vermeld.

 


Aanvulling 23 mei 2023, 21:28 uur
Zie ook de reactie van Bökkerink onder dit bericht.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Sanctieregels | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Consultatie Regeling goed verhuurderschap over informatieverplichtingen voor verhuurders c.s. die huurovereenkomsten langer zullen gaan maken

Tot en met 4 juni a.s. loopt de internetconsultatie over de Regeling goed verhuurderschap. Volgens de aankondiging gaat het om de op de Wet goed verhuurderschap gebaseerde verplichting van verhuurders en verhuurbemiddelaars om huurders van woon- en verblijfsruimten te informeren over hun rechten en plichten, voor zover deze rechten en plichten niet zijn opgenomen in de huurovereenkomst.

In de regeling staan voorschriften over informatievoorziening, die je eerder in het Burgerlijk Wetboek dan in een bestuursrechtelijke regeling zou verwachten. Zo staat in artikel 1 van het concept onder meer:

De verhuurder verstrekt aan de huurder, voor zover dit niet in de huurovereenkomst is opgenomen, schriftelijk informatie over:
a. de verplichting van de huurder om de woon- of verblijfsruimte te gebruiken conform hetgeen hierover is afgesproken in de huurovereenkomst en over wat de mogelijke gevolgen zijn indien de woon- of verblijfsruimte voor andere doelen wordt gebruikt;
b. het feit dat de verhuurder gedurende de periode van de huurovereenkomst uitsluitend met toestemming van de huurder de woon- of verblijfsruimte mag betreden, tenzij:

(waarna een aantal uitzonderingen op het betredingsverbod volgt).

Dit gaat leiden tot huurovereenkomsten waarin al de in artikel 1 van het consultatiedocument genoemde regelgeving zal worden overgeschreven, zodat de overeenkomsten nog langer en onleesbaarder worden.

Ik geloof er niets van dat dit zinvol is.

 

Meer informatie:

Deze consultatie:

Eerder schreef ik over de consultatie inzake het uitvoeringsbesluit:

 

 


Aanvulling 15 december 2025
In de kamerbrief van 11 december 2025 wordt deze wet genoemd:

De afgelopen jaren hebben gemeenten meer handhavende taken gekregen op het gebied van huurwetgeving. Met de inwerkingtreding van de Wet goed verhuurderschap (Wgv) op 1 juli 2023 hebben gemeenten meer mogelijkheden gekregen om op te treden tegen verschillende vormen van ongewenst verhuurgedrag, zoals bijvoorbeeld intimidatie, woondiscriminatie, onredelijke servicekosten of te hoge waarborgsommen. De op 1 juli 2024 in werking getreden Wet betaalbare huur (Wbh), en de op 23 april 2024 ingegane verlenging van de Wet maximering huurprijsverhoging geliberaliseerde huurovereenkomsten (Wmhgh) hebben deze handhavingstaken uitgebreid met de handhaving op te hoge huren en huurprijsverhogingen.

De passage laat zien dat er een onoverzichtelijk juridisch breiwerkje is ontstaan. Over de handhaving op grond van de Wgv staat er het volgende:

Tijdens het vragenuur van 11 maart 2025 is gesproken over de handhavingsmogelijkheden die gemeenten sinds 1 juli 2023 hebben op grond van de Wet goed verhuurderschap. Daarbij werd mij gevraagd hoeveel boetes er door gemeenten zijn opgelegd. Ik heb toen toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in gesprek zou gaan om cijfers te achterhalen van uitgedeelde boetes op basis van de Wet goed verhuurderschap en dit te delen met Uw Kamer.

De VNG heeft daarop laten weten dat het lastig is om concrete cijfers te achterhalen, omdat er geen verplichting is voor gemeenten om hun boetebesluiten op één centrale plek te publiceren. Daarnaast geldt dat het uitdelen van boetes niet het doel is van de Wet goed verhuurderschap. Het doel is om malafide verhuurpraktijken tegen te gaan en het is ook de bedoeling dat vanuit de wetgeving een preventieve werking uitgaat. Gemeenten hebben daartoe een bestuursrechtelijke escalatieladder tot hun beschikking, die proportioneel dient te worden ingezet. Een waarschuwing kan ook al tot een gedragsaanpassing leiden.

Om toch meer inzicht te krijgen in de handhaving van de Wet goed verhuurderschap, ben ik dit jaar gestart met een halfjaarlijkse uitvraag onder een kleine en diverse groep gemeenten; de Signalering meldpunten Wet goed verhuurderschap. Door middel van een periodieke rondgang onder deze groep gemeenten probeer ik een grofmazig beeld te krijgen van de praktijkwerking van de wet, en meer in het bijzonder de meldpunten. Het is op dit moment nog te vroeg om uit de opgehaalde informatie conclusies te kunnen trekken. Ik zal bezien in hoeverre ik de opbrengsten van deze halfjaarlijkse signalering kan betrekken bij de wetsevaluatie die in 2026 plaatsvindt. In dat evaluatieonderzoek zal uitgebreid worden gekeken naar de doeltreffendheid van de Wet goed verhuurderschap, evenals de werking daarvan in de praktijk.

1 Voor het onderzoek zijn 16 gemeenten geïnterviewd.

Geplaatst in Bestuursrecht, Contractenrecht, privaatrecht algemeen | Tags: , , , | Plaats een reactie

Verzekeraars en pensioenfondsen vullen SBA NFR vragenlijsten onjuist in

DNB schreef onlangs [1] dat bij een aantal verzekeraars en pensioenfondsen de ingevulde vragenlijsten Sector Brede Analyse Niet Financiële Risico’s (SBA NFR) [2] “verbetering behoeven”. Aanleiding is het onderzoek van DNB naar het invullen van de vragenlijsten, aldus het bericht. Hoewel de tekst van het bericht suggereert dat DNB de vragenlijsten wil gaan verbeteren, lijkt het niet daar over te gaan. Want verder op in het bericht blijkt dat de verzekeraars/pensioenfondsen niet konden bewijzen de vragenlijsten juist te hebben ingevuld, door DNB omschreven als “aantoonbaar maken” (raar Nederlands). Over de vragen inzake beheersing financiële risico’s staat er:

DNB heeft de verificatie uitgevoerd door bij de geselecteerde verzekeraars specifieke documentatie op te vragen die de gegeven antwoorden in de vragenlijst moet ondersteunen/onderschrijven, eventueel aangevuld met een toelichtend gesprek.
DNB verwacht dat gegeven antwoorden van de ingevulde vragenlijst door middel van onderliggende (beleids)documenten, rapportages aantoonbaar gemaakt kunnen worden.
De uitkomst van de uitgevoerde verificatie was dat de antwoorden op vragen over de beheersing van financiële risico’s niet in alle gevallen een realistisch beeld gaven van de werkelijke situatie bij de verzekeraars.

De volgende generieke observaties komen voort uit de validatie:
1. Verzekeraars hebben niet altijd aantoonbaar kunnen maken dat een periodieke risicomanagementrapportage is opgesteld.
2. Verzekeraars hebben niet altijd aantoonbaar kunnen maken dat actueel schriftelijk beleid beschikbaar is van alle te onderscheiden risicogebieden.
3. Verzekeraars hebben niet altijd aantoonbaar kunnen maken dat schriftelijk evaluaties m.b.t. de beheersing van prudentiële risico’s zijn vastgelegd.

Moet punt 1 niet gewoon zijn dat sommige verzekeraars niet hebben voldaan aan vereiste van het periodiek opstellen van risicomanagementrapportages? Enzovoorts.

Een ander onderwerp van het bericht is informatiebeveiliging, wat voor financiële instellingen een uitermate belangrijk onderwerp is, zeker nu zij datalekken niet aan betrokkenen hoeven te melden. Er blijken financiële instellingen te zijn die dit niet op orde hebben. DNB formuleert het als volgt:

Uit de validatie blijkt dat bij een aantal van de geselecteerde instellingen de niveaus verschillend zijn geïnterpreteerd en dat instellingen hun volwassenheidsniveau op het gebied van informatiebeveiliging en cybersecurity te optimistisch rapporteren. In veel gevallen is sprake van een onvoldoende kritische en onafhankelijke blik doordat de tweede en of derde lijn niet betrokken zijn bij de beoordeling van de volwassenheidsniveaus in het self-assessment.

De toezichthouder besluit met de opmerking dat het bestuur moet zorgen voor juiste informatievoorziening aan DNB, “DNB benadrukt dat het bestuur eindverantwoordelijk is voor de inhoudelijke juistheid van de rapportage middels het self-assessment over de volwassenheidsniveaus“.

Jammer is dat DNB de nadruk legt op het juist rapporteren [3], in plaats van op het correct naleven van regelgeving en het beschermen van de klanten.

 

Noten

[1] Bericht met de cryptische kop ‘Verificatie ingevulde vragenlijsten SBA NFR 2022’.
[2] DNB kondigde in maart de uitvraag 2023 aan, in SBA NFR & IRAP Uitvraag 2023. Uit het bericht blijkt dat de SBA NFR uitvraag van 2023 niet meer via Excel spreadsheets zal verlopen, maar dat de uitvragen via een portal van DNB zullen plaats vinden. Dat lijkt ook te betekenen dat het publiek geen inzicht meer heeft in de vragenformulieren van DNB (die in het verleden op de website van DNB te vinden waren), wat jammer is in het kader van de noodzaak van toezichthouderstransparantie.
[3] “Onderdeel van beheerste bedrijfsvoering en gedegen risicomanagement, is dat de volwassenheidsniveaus aantoonbaar zijn en dat een interne en kritische onafhankelijke beoordeling plaatsvindt voordat de uitkomsten van het self-assessment worden gerapporteerd.“

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Levert jouw blog ook materiaal voor machine learning van Amerikaanse internetgiganten? | AI, ChatGPT

In de Washington Post stond een artikel [*] waarin wordt beschreven hoe de taalsystemen met kunstmatige intelligentie (AI chatbots, zoals ChatGPT) worden gemaakt door zeer grote hoeveelheden menselijke teksten te oogsten van het internet. De software ‘leert’ van al die teksten (‘machine learning’) wat mensen zeggen en schrijven en kan op basis daarvan zelf teksten maken.

De makers van het artikel deden een onderzoek naar de tekstbronnen die door de software wordt gebruikt en kwamen tot een indeling in elf categorieën tekstbronnen die gebruikt worden om de kunstmatige intelligentie te trainen.

Daartoe behoren ook persoonlijke blogs, zoals dit blog, zo wordt in het artikel beschreven onder het kopje ‘A trove of personal blogs‘ en zie ook ‘Is your website training AI?‘. Dus ik hoop binnenkort aan alle makers van taalsystemen maandelijks een factuur van 1000 euro te kunnen gaan sturen en misschien dat ze een goed voorstel kunnen doen voor het gebruik van mijn teksten de afgelopen vijf jaar.

 

[*] Inside the secret list of websites that make AI like ChatGPT sound smart, Szu Yu Chen en Nitasha Tiku 19 april 2023.

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , | Plaats een reactie

Blokkering van de betaling aan een Nederlandse v.o.f. met een Syrische plaatsnaam in de naam van het bedrijf | Wwft

Bij het College voor de Rechten van de Mens kwam een zaak over een Nederlandse bedrijf met een Syrische plaatsnaam in de naam van het bedrijf (‘de VOF’) terecht, zo valt in dit artikel te lezen. De de beslissing van het College is hier te vinden en gaat over de Citibank, de bank van de klant van de VOF, die een betaling aan de VOF tegenhield vanwege de naam.

Opvallend aan de beslissing is dat Citibank een betaling van €210 tegenhoudt. Het gaat dus om kruimelwerk!

Tegengehouden betaling
De VOF is een catering- en patisseriebedrijf dat Syrische gerechten verkoopt en dat aan haar klant een factuur van €210 stuurt die niet betaald lijkt te worden. De VOF komt er achter dat Citibank weigert de betalingsopdracht van haar klant uit te voeren. De bank stelde aanvullende vragen over de transactie, volgens de beslissing:

Deze vragen zijn:
* Detailed purpose of payment
* Full name, legal Address, company Registration number including Country of Registration for [. . .]
* Please list all locations of the business and provide attestation that transaction does not have direct nor indirect flow to Syria
* Please provide owner(s) (and ownership if possible), owner nationalities, and if owner(s) are identified as Syrian: – please provide documentary evidence in English confirming residency outside of the sanctioned jurisdiction (e.g. Permanent resident ID/ passport)
* Please provide attestation in English confirming the address of owner(s) (and documentation if possible to support this – e.g. Utility bill, rental agreement).

NB Het maakt duidelijk dat banken hun tijd aan het verdoen zijn met flauwekulactiviteiten.

De klant van de VOF besluit de vragen van Citibank niet te beantwoorden en betaalt zonder problemen via een andere bank.

Klacht VOF
De VOF is boos over de gang van zaken en beklaagt zich bij Citibank die daar niet op reageert afgezien van een kort mailbericht zonder inhoudelijke reactie. Daarna stapt de VOF naar het College.

Het verweer van Citibank is dat zij niet heeft gediscrimineerd. Zij beweert het volgende:

Er is geen onderscheid gemaakt op grond van verzoeksters nationaliteit. De maatregelen zijn getroffen vanwege de plaatsnaam [. . . .] in de bedrijfsnaam. Voor zover hiermee onderscheid zou zijn gemaakt, dan geldt dat dit niet verboden is. Verweerster moet zich houden aan nationale, Europese en internationale wet- en regelgeving, die haar op straffe van hoge boetes verplicht om deze controles uit te voeren. De werkwijze van verweerster is passend en noodzakelijk om het doel van de sanctiemaatregelen te bereiken, en het doel kan niet op een minder ingrijpende manier worden bereikt.

Het College oordeelt (4.6) dat de de handelwijze van verweerster leidt tot indirect onderscheid op grond van nationaliteit. Vervolgens gaat het College na of er een wettelijke uitzondering of objectieve rechtvaardiging is voor deze discriminatie.

Wettelijke grondslag?
Citibank voert aan dat zij zich aan de internationale sanctieregelgeving tegen Syrië moet houden [1], daarover zegt het College:

4.10 Het College overweegt als volgt over het beroep dat verweerster doet op het Raadsbesluit en de sanctiemaatregelen van de VS en VN. Weliswaar leggen deze internationale wetten en regels aan bancaire instellingen de verplichting op om te voorkomen dat er transacties worden uitgevoerd die ten gunste kunnen komen van het Syrische regime, maar deze schrijven niet de wijze voor waarop banken aan deze verplichting moeten voldoen. Banken zoals verweerster hebben vrijheid om beleid te vormen om aan deze internationale maatregelen te voldoen. De manier waarop verweerster deze verplichting invult, en de screening en controle van de transactie aan de vof van verzoekster wordt als zodanig niet voorgeschreven in de algemeen verbindende voorschriften. Het College oordeelt dat het beroep van verweerster op artikel 2, vijfde lid, AWGB niet slaagt.

Passend middel?
Vervolgens gaat het College op zoek naar een objectieve rechtvaardiging en merkt op dat sanctiescreening in beginsel legitiem is (4.13). Vervolgens is de vraag of het middel dat Citibank inzet passend is:

4.16 Het middel dat verweerster inzet om het doel te bereiken is de transactiescreeningsmethode, die de omschrijving of tenaamstelling van elke overschrijving op verschillende trefwoorden controleert. Deze lange lijst met trefwoorden bestaat uit woorden die kunnen duiden op een verband met Syrië. Zodra het systeem één van deze trefwoorden registreert, wordt de betaling tegengehouden, en worden aanvullende vragen gesteld aan de opdrachtgever van de transactie. Zonder schriftelijke beantwoording van deze vragen wordt de betaling niet doorgezet.

Na deze tekst komt een zeer aparte conclusie van het College (markering door mij):

Het College oordeelt dat deze transactiescreening zonder meer bijdraagt aan het voorkomen van directe of indirecte betalingen aan ingezetenen van Syrië. Het middel is dan ook geschikt om het doel te bereiken.

Het is een onbegrijpelijk oordeel, nu het gaat om betalingen aan ingezetenen van Syrië. De naam van de ontvanger heeft daar niets mee te maken

Noodzakelijk?
De volgende stap is de noodzakelijkheidstoets. Citibank beroept zich op de draconische straffen die de toezichthouders kunnen opleggen, houdt er een omslachtig verhaal bij [2] en roept dat het zo duur is [3]. De reactie van het College is dat het taalkundige sleepnet van Citibank (4.19):

een grote kans oplevert dat ook niet-verdachte transacties worden geblokkeerd. Daardoor worden individuele rekenhouders ten onrechte benadeeld. Het College oordeelt dat verweerster een verantwoordelijkheid heeft richting deze rekeninghouders. Verweerster moet er voor waken dat haar screening een groep rekeninghouders, zoals verzoekster, disproportioneel benadeelt.

Ook de klacht van Citibank dat een andere werkwijze te duur is wordt door het College verworpen (4.20):

Het College overweegt dat bedrijfseconomische redenen als zodanig onvoldoende zijn om onderscheid te rechtvaardigen. De ratio daarachter is dat veel vormen van onderscheid hun oorzaak hebben in bedrijfseconomische belangen. Indien enkel financiële argumenten een dergelijk onderscheid zouden kunnen rechtvaardigen, dan zou de gelijkebehandelingswetgeving veel van haar betekenis verliezen (zie ook HVJ EG 24 februari 1994, C-343/92 ECLI:EU:C:1994:71 (Roks e.a.), overwegingen 35 en 36 en College voor de Rechten van de Mens 9 februari 2017, 2017-11, overweging 4.29).

Echter, volgens het College zou Citibank voldoende hebben onderbouwd dat minder onderscheid makende middelen voor haar niet haalbaar zijn:

Naar het oordeel van het College heeft verweerster in dit specifieke geval, ook met het oog op de strikte toezichthoudende organen, voldoende onderbouwd dat de door verzoekster voorgestelde minder onderscheid makende middelen voor haar niet haalbaar zijn. Ook anderszins is niet gebleken dat er een middel is waarmee verweerster het beoogde doel kan bereiken. Dat maakt dat het College oordeelt dat de screeningsmethode van verweerster voldoet aan het vereiste van subsidiariteit.

Bizar. Onbegrijpelijk.

Het College besluit dit onderdeel met:

4.21 Het College oordeelt eveneens dat de screeningsmethode voldoet aan het vereiste van proportionaliteit. Het staat vast dat verzoekster zowel persoonlijk als commercieel nadeel heeft ondervonden van de screeningsmethode. Hiertegenover staan de belangen van verweerster om verplichtingen uit de sanctiemaatregelen na te leven. Het College oordeelt dat de belangen van verweerster zwaarder wegen. Daarvoor acht het College van doorslaggevend belang dat verzoeksters vof, zodra eenmaal is aangetoond dat een betaling aan de onderneming niet verdacht is, niet meer in de geautomatiseerde screening betrokken wordt. Hierdoor blijft het nadeel voor verzoekster door de screening van verweerster in beginsel beperkt tot een eenmalige blokkering.

4.22 Het College oordeelt dat het door verweerster gemaakte indirecte onderscheid op grond van nationaliteit objectief gerechtvaardigd is. Het indirecte onderscheid dat verweerster jegens verzoekster heeft gemaakt, door de betaling te blokkeren en een extra controle uit te voeren vanwege de naam van de onderneming, is dan ook niet verboden.

Niet reageren op klachten is fout
Vervolgens maakt het College wel korte metten met het niet door Citibank reageren op de klacht van de VOF, die zelfs na meerdere herinneringen van haar kant geen enkele inhoudelijke reactie had gekregen.

Tot slot
Het is een onbevredigende uitspraak over een kruimelbetaling, die geen halt toeroept aan disproportioneel optreden door financiële instellingen.

 

Noten

[1] De beslissing, Citibank is verweerster: “4.9 Verweerster voert aan dat de screeningsmethode die zij gebruikt voorgeschreven wordt door nationale, Europese en internationale wet- en regelgeving. Verweerster verwijst naar sancties die zijn uitgevaardigd door de Europese Unie (EU), de Verenigde Naties (VN) en de Verenigde Staten van Amerika (VS). Desgevraagd beroept verweerster zich in het bijzonder op het besluit van de Raad van de EU van 31 mei 2013, met nummer 2013/255/GBVB (hierna: het Raadsbesluit) en op regelgeving uit de VS. Hieruit vloeit voor haar een verbod voort om transacties naar Syrië te faciliteren.“. Dat maakt duidelijk dat een Syrische plaatsnaam in de naam van de ontvanger van een betaling niet relevant is.

[2] Citibank komt volgens de beslissing met een enorm verhaal zonder in te gaan op het feit dat de naam van een Nederlands bedrijf niets zegt over ingezetenschap van Syrië: “4.18 Verweerster stelt dat het doel niet met minder onderscheid makende middelen kan worden bereikt. Het toezicht op de uitvoering van de sanctiemaatregelen is uitzonderlijk strikt. Toezichthouders zoals De Nederlandsche Bank (DNB) hanteren een zerotolerance-beleid, waarbij elke overtreding van de sanctiemaatregelen door financiële instellingen wordt bestraft. Dat houdt in dat verweerster risico loopt op hoge boetes, sancties of vergunningsverlies, als zij een betaling doorzet die ten goede komt van een ingezetene van Syrië. Daar komt bij dat er een risico is op misbruik of omzeiling van de sanctiemaatregelen. Om dat te voorkomen, is screenen op een groot aantal trefwoorden volgens verweerster onvermijdelijk. Als een partij eenmaal is gescreend en er zijn geen risico’s geconstateerd, komt deze op een lijst van ‘goedgekeurde partijen’. Verzoekster voert aan dat er wel degelijk andere middelen voorhanden zijn. Verweerster zou bijvoorbeeld de website van de onderneming kunnen controleren op betrouwbaarheid. Ook is het mogelijk om de onderneming op te zoeken in het register van de Kamer van Koophandel (KvK), en na te gaan wie de uiteindelijke belanghebbende (UBO) is van de onderneming. Verzoekster stelt dat van verweerster kan worden gevergd dat zij een meer informeel, individueel onderzoek doet in plaats van de huidige geautomatiseerde blokkering van de transactie. Zij is nu op zowel persoonlijk als commercieel vlak de dupe van de screeningsmethode van verweerster.”

[3] Uit de beslissing: “4.20 Ter zitting heeft verweerster desgevraagd toegelicht dat de door verzoekster voorgestelde maatregelen vanwege bedrijfseconomische overwegingen voor haar niet haalbaar zijn. Verweerster erkent dat verzoekster veel last heeft ondervonden van de geautomatiseerde screening. Gelet op het grote aantal te controleren transacties, levert het echter een te grote administratieve en personele last op om per mogelijk verdachte transactie een individueel onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de betrokkenen, zoals verzoekster voorstelt. Verweerster voert bovendien aan dat er beperkingen zijn in de toegang tot de registers van de KvK. Zij kan daarom haar onderzoek naar een mogelijk verdachte transactie niet baseren op de informatie uit deze registers.“.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Sanctieregels | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Het acceptatiebeleid van de Rabobank inzake de not-for-profit sector | Wwft, de-risking

Op dit moment ontbreekt een volwassen rechtsbescherming tegen het optreden van financiële instellingen in het kader van hun overheidstaken op het gebied van criminaliteitsbestrijding, bekend onder de naam ‘witwasbestrijding’ en bestrijding van terrorismefinanciering. Het is hoog tijd voor gespecialiseerde onafhankelijke rechtspraak en voor een nationale financiële ombudsman die zich ook met Wwft-geschillen bezig houdt.

Gevolg van het ontbreken van die volwassen rechtsbescherming is dat geschillen zich over allerlei vaak minder gespecialiseerde instanties verdelen, De zaken komen terecht bij het College voor de Rechten van de Mens, bij de private geschillenbeslechtingsinstantie van de financiële sector, de stichting Klachteninstituut financiële dienstverlening (Kifid), en bij de burgerlijke rechtspraak.

Op 4 april jl. werden een besluit van het College bekend gemaakt, waarin nationaliteitsdiscriminatie [1] aan de orde komt, maar waarin het acceptatiebeleid van een bank inzake stichtingen een belangrijke rol speelt.

Acceptatiebeleid van de Rabobank

Het gaat om de beslissing van 22 februari en gaat over een Nederlandse stichting die een bankrekening wil openen bij de Rabobank. De achtergrond wordt in de inleiding als volgt beschreven:

Een vrouw is voorzitter van een Nederlandse stichting binnen de non-profit sector. De vrouw heeft de Surinaamse nationaliteit en is woonachtig in Suriname. De vrouw wil voor de stichting een zakelijke bankrekening openen bij Rabobank. Doordat de stichting niet voldoet aan de voorwaarden uit het acceptatiebeleid, laat Rabobank weten dat zij geen zakelijke bankrekening kan openen. De eerste voorwaarde heeft te maken met het feit dat de stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft. Daarnaast hanteert Rabobank als voorwaarde dat ten minste twee bestuurders van de stichting een woonadres hebben in Nederland en een privérekening bij Rabobank: één bestuurder op het moment van de klantacceptatie en de tweede bestuurder uiterlijk binnen één jaar na klantacceptatie.

De onderbouwing van het beleid van de bank is uitermate vaag, er staat in de beslissing niet meer dan dat de bank aan de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moet voldoen, een open deur dus. Het acceptatiebeleid wordt wel in de uitspraak vermeld maar wordt niet toegelicht. Dus waarom dat acceptatiebeleid relevant zou zijn voor het Wft-/Wwft-klantenonderzoek blijft schimmig, het beleid wordt als volgt beschreven:

Tijdens het acceptatieproces is gebleken dat de stichting niet voldeed aan twee voorwaarden uit het acceptatiebeleid van verweerster. Allereerst de voorwaarde dat de stichting een ANBI-status of CBF-erkenning dient te hebben. Als tweede de voorwaarde dat ten minste twee bestuurders van de stichting een woonadres in Nederland hebben en een privérekening bij verweerster: waarvan één bestuurder op het moment van de klantacceptatie en de tweede bestuurder uiterlijk binnen een jaar na klantacceptatie.

Dat de bank wil dat bestuursleden privérekeningen bij dezelfde bank hebben, vind ik eveneens een hoogst merkwaardige voorwaarde. Ook ten aanzien van de voorwaarde van een ANBI-status of CBF-erkenning is de vraag of die wel gesteld mag worden, maar het is de vraag of die onderwerpen bij het College thuis horen.

Onderscheid op basis van woonadres

De vrouw zegt dat de bank op nationaliteit zou discrimineren, wat door de bank wordt tegen gesproken. Het College brengt in herinnering dat de bank bij het aanbieden van diensten geen onderscheid op grond van nationaliteit mag maken [2].

Onderscheid op nationaliteit
Het College meent dat het maken van onderscheid op basis van woonadres indirect een onderscheid op nationaliteit inhoudt (6.7):

Het College overweegt dat de voorwaarde, met betrekking tot het woonadres, geen direct onderscheid maakt op grond van nationaliteit. In Nederland wonen immers zowel personen met de Nederlandse nationaliteit als personen die een andere nationaliteit hebben. Dit neemt echter niet weg dat personen met een Nederlands woonadres overwegend personen zijn die de Nederlandse nationaliteit hebben. Personen met een niet-Nederlandse nationaliteit zullen daardoor vaker dan personen met de Nederlandse nationaliteit niet kunnen voldoen aan deze voorwaarde uit het acceptatiebeleid van verweerster. De groep personen die niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt, wordt door deze voorwaarde dan ook bijzonder getroffen. Het College stelt daarom vast dat de voorwaarde met betrekking tot het woonadres van bestuurders indirect onderscheid maakt op grond van nationaliteit.

Dat vind ik nog al wat, want mij lijkt dat ook een Nederlander die buiten Nederland woont met dit  beleid van de bank te maken kan krijgen.

Objectieve rechtvaardiging?
Vervolgens gaat het College na of er een objectieve rechtvaardiging is van het gemaakte onderscheid (6.8 en verder), waarbij allereerst wordt geconstateerd dat criminaliteitsbestrijding een legitiem doel is (6.9, 6.11). Vervolgens merkt het College over het woonadres op (verweerster is de bank) (6.10):

Een middel is passend als het geschikt is om het doel te bereiken. Verweerster hanteert als middel de voorwaarde dat (kort gezegd) ten minste twee bestuurders van de stichting een woonadres hebben in Nederland. Verweerster stelt dat het middel geschikt is om het doel te bereiken. Hiervoor voert zij aan dat artikel 3, tweede lid, sub c, van de Wwft voorschrijft dat de aard en het doel van een zakelijke relatie moet kunnen worden aangetoond, wil een prospect klant worden bij een bank in Nederland. Verweerster verwacht dat stichtingen zonder sterke binding met Nederland over het algemeen meer buitenlands betalingsverkeer hebben. Voor stichtingen in de goededoelensector met veel buitenlands betalingsverkeer, is het risico op betrokkenheid bij witwassen en/of terrorismefinanciering, over het algemeen groter. De vraag die verweerster daarom stelt is: wat is de reden dat een klant voor verweerster kiest? Voor klanten in de goededoelensector die in Nederland actief zijn, zijn de aard en het doel van de zakelijke relatie makkelijker en sneller vast te stellen dan voor klanten die in het buitenland actief zijn of die geen enkele binding hebben met Nederland. Gelet daarop stelt verweerster aan haar klanten de eis dat zij een woonadres hebben in Nederland.

De argumentatie dat de bank beter zicht heeft op stichtingen met bestuurders in Nederland, vind het College acceptabel (6.11).

De hele goededoelensector is volgens DNB hoog risico
Vervolgens bespreekt het College of de voorwaarde noodzakelijk is. Het is interessant om te lezen wat de merkwaardige opvattingen van DNB over het risicoprofiel van de goededoelensector zijn (markering door mij):

6.13 Verweerster herhaalt in dit verband dat zij in het kader van haar poortwachtersfunctie voorwaarden stelt aan klanten die opereren in de goededoelensector. De goededoelensector is een risicovolle sector waarvan algemeen onderkend is dat er een verhoogd risico bestaat op misbruik ten behoeve van witwassen of terrorismefinanciering. De toezichthouder heeft aan bancaire instellingen (zoals verweerster) de opdracht gegeven om risico’s in te schatten en maatregelen te hanteren om die risico’s te mitigeren. Verweerster heeft dit in haar acceptatiebeleid op zo een zorgvuldig mogelijke wijze proberen te doen door objectieve criteria vast te stellen. De voorwaarde met betrekking tot het woonadres is er daar één van.

Vervolgens wordt beweerd dat het onderzoek bij stichtingen zou duur zou zijn en dat het beleid van de bank daarom acceptabel is:

Het uitvoeren van de verplichtingen uit de Wwft brengt een grote werkdruk met zich mee en kost verweerster veel tijd, geld en menskracht. Met het hanteren van een acceptatiebeleid met objectieve criteria beoogt verweerster de hoeveelheid werk in balans te houden. Een ander niet- of minder onderscheidmakend middel is volgens verweerster niet voorhanden.

6.14 Het College kan het standpunt van verweerster, dat het uitvoeren van de opdracht die zij krijgt van de wetgever en de toezichthouder veel tijd, expertise en geld vergt, volgen. Het is daarom niet onlogisch dat verweerster – door voorwaarden te stellen in haar acceptatiebeleid – heeft gezocht naar een voor haar werkbare balans tussen het mitigeren van de risico’s enerzijds en het bieden van mogelijkheden voor stichtingen in de goededoelensector om te bankieren anderzijds.

Schokkend is dat er financiële instellingen zijn die een totale klantenstop op goededoelen hebben ingesteld:

Verweerster heeft in dit verband toegelicht dat zij – in tegenstelling tot sommige andere banken – er bewust voor heeft gekozen geen algehele klantenstop te zetten op de goededoelensector, juist omdat verweerster zich ervan bewust is dat stichtingen in deze sector een cruciale rol vervullen in de maatschappij. Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat zij bereid is nader onderzoek te doen naar een prospect op het moment dat deze, naar aanleiding van een afwijzing, een klacht indient of anderszins in bezwaar gaat tegen de beslissing van verweerster om geen zakelijke bankrekening te openen. Zodoende wordt volgens verweerster voorzien in een additionele controle en wordt voorkomen dat een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op het belang van een prospect (ofwel een stichting binnen de goededoelensector) om een zakelijke rekening te kunnen openen.

Noodzakelijkheid ontbreekt
Het College is het niet eens met het beleid van de bank:

6.15 Het College begrijpt dat verweerster de balans zoekt tussen haar eigen belangen (zowel risicomitigatie als het in de hand houden van de kosten daarvan) en het maatschappelijk belang dat wordt gediend door de goededoelensector. Verweerster heeft hierbij een mate van beleidsvrijheid. Zij heeft voor het woonplaatsvereiste gekozen omdat hiermee relaties worden uitgesloten waarbij de kans op oneigenlijk gebruik hoger is. Toepassing van dit vereiste leidt automatisch tot afwijzing van prospects die hier niet aan voldoen. Nader onderzoek vindt slechts plaats indien de prospect een klacht indient of anderszins bezwaar maakt tegen de beslissing van verweerster. Het College is echter van oordeel dat de automatische afwijzing van een aanvraag, wanneer niet aan het woonplaatsvereiste voldaan is, verder gaat dan noodzakelijk is om het doel van verweerster te bereiken. Verweerster zou ervoor kunnen kiezen om actief prospects die niet aan het woonplaatsvereiste voldoen te informeren over het doel van dit vereiste, en hen uit te nodigen om op andere wijze aan te tonen dat de aard en het doel van de beoogde zakelijke relatie legitiem zijn. Het College is zich ervan bewust dat hiermee toch een extra onderzoekslast op verweerster wordt gelegd. Deze onderzoekslast is echter beperkt, omdat het in de eerste plaats aan de prospect is om feiten aan te voeren waaruit de legitieme aard van de relatie blijkt. De hier voorgestelde werkwijze is bovendien enkel aangewezen wanneer de afwijzing van een aanvraag gebaseerd is op een vereiste dat, zoals het woonplaatsvereiste, indirect onderscheid maakt op één van de in de AWGB beschermde gronden, in dit geval nationaliteit. Het College concludeert dat het beleid van verweerster in de huidige vorm niet voldoet aan het subsidiariteitsvereiste en daarom de noodzakelijkheidstoets niet volstaat

Het College concludeert dat de bank een verboden onderscheid heeft gemaakt jegens de vrouw op grond van nationaliteit en zijn werkwijze moet aanpassen. Uit het artikel blijkt dat de Rabobank haar beleid heeft aangepast.

Naschrift

Het is interessant of banken hun acceptatiebeleid kunnen onderbouwen. Deze beslissing en de geciteerde passages van de Rabobank hebben me niet veel wijzer gemaakt.

Het is mij niet duidelijk waarom de woonplaats van bestuurders soms wel (bij stichtingen) en soms niet (bij bv’s) relevant is. Bij besloten vennootschappen komt regelmatig voor dat de rechtspersonen buitenlandse bestuurders hebben. Ik heb niet gehoord dat die bv’s geen rekeningen kunnen openen, dus het lijkt er op dat de eis van een Nederlands woonadres alleen aan stichtingen wordt gesteld.

Ook de eisen van een ANBI-keurmerk en CBF-certificering zijn hoogst twijfelachtig [3], want in de beslissing lees ik dat de stichting ‘Stichting Boekenportaal Suriname’ heet, zodat het goed mogelijk is dat de organisatie zichzelf kan bedruipen met de opbrengsten van de verkoop van boeken in de Surinaamse taal in Nederland en Suriname [4].

Ronduit schokkend is dat de bank – in navolging van DNB – beweert dat de hele goededoelensector een hoog risico op witwassen en terrorismefinanciering zou opleveren, wat mij grote kolder lijkt, ook al wordt het 1000x herhaald door allerlei opsporingsmensen zonder kennis van de not-for-profit. Het is hoog tijd dat de not-for-profit sector het onjuiste standpunt van DNB aan de kaak stelt!

 

Noten

[1] Gisteren schreef ik al over nationaliteitsdiscriminatie in het algemeen en over de beslissingen van het College voor de Rechten van de Mens. Het College heeft al een groot aantal zaken over dergelijke discriminatie behandeld, onder meer de Alex uitspraak die ik in 2014 heb besproken maar niet meer op de site van het College is te vinden.
[2] Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 van deze wet.
[3] In het artikel wordt abusievelijk over ‘ANBI-keurmerk’ gesproken, terwijl het geen keurmerk is.
[4] Niet nagekeken of dat zo is, uit de uitspraak wordt het niet duidelijk.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Stichting en vereniging | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Het denken van financiële instellingen: iemand die zijn verklaring herziet is een fraudeur

Verzekeraars gaan niet altijd zorgvuldig met  hun klanten om. Zo worden mensen soms ten onrechte op de zwarte lijst geplaatst (zie de hierna genoemde blogs). Een illustratie wordt gegeven in de uitspraak van rechtbank Gelderland, waarin Achmea/Centraal Beheer de verzekerde van opzettelijke misleiding beschuldigde, terwijl in de werkelijkheid sprake was van een misverstand.

In paragrafen 2.2 tot en met 2.4 van de  uitspraak worden telefonische contacten met de verzekerde geciteerd. Naar aanleiding van die telefonische contacten is Achmea/Centraal Beheer van mening dat sprake is van verzekeringsfraude en deelt mee dat verzekerde op de zwarte lijst (Extern Verwijzingsregister ‘EVR’, registratie bij Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars) wordt geplaatst (2.5). De verzekeraar meent dat verzekerde zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding met het doel om een uitkering te krijgen waarop geen recht bestond, verzekerde is het daar niet mee eens.

Over de vermeende fraude oordeelt de rechtbank als volgt (markering door mij, de verzekerde is als [eiser] aangeduid):

4.2 (…) Centraal Beheer heeft aangevoerd dat zij niet is gehouden om tot schade uitkering over te gaan, omdat [eiser] meerdere keren een onwaarachtige en tegenstrijdige verklaring heeft afgelegd over waar en hoe de schade is ontstaan met het doel een uitkering te krijgen. (…)

4.3. De verzekeringsovereenkomst heeft een bijzonder vertrouwenskarakter, nu de verzekeraar niet alleen bij het sluiten maar ook bij de uitvoering van een verzekeringsovereenkomst in sterke mate afhankelijk is van de betrouwbaarheid van de verzekerde en ter beoordeling van een schadeclaim erop moet kunnen vertrouwen dat de verzekerde juiste en zo volledig mogelijke informatie ter zake verstrekt. Dit is een zwaarwegende verplichting van de verzekerde tegenover de verzekeraar, waarop, bij niet nakoming daarvan, een rigoureuze sanctie in de zin van verval van het recht op uitkering is gezet. Uit vaste rechtspraak volgt dat het in artikel 7:941 lid 5 BW voor verval van recht benodigde opzet moet worden gezien als opzet in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW: bedrog, een handelen of nalaten met het oogmerk een ander te misleiden. De verzekerde moet onjuist hebben voorgelicht met het oogmerk een hogere uitkering te verkrijgen, respectievelijk een uitkering te verkrijgen waarop hij bij kennis van de ware stand van zaken geen recht zou hebben gehad. De vergaande gevolgen voor de dekking die op grond van artikel 7:941 lid 5 BW aan handelen met opzet tot misleiding worden verbonden, rechtvaardigen dat strenge eisen mogen worden gesteld aan de vaststelling of het handelen van de verzekerde was ingegeven door het opzet tot misleiden van de verzekeraar. Uitgangspunt bij een beroep op het verval van uitkering bij bedrog, is dat de verzekeraar dat bedrog stelt en bewijst (…). Het is Centraal Beheer die zich beroept op bevrijding van haar verplichting tot uitkering onder de polis en het is daarom op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan haar om aan te voeren, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat [eiser] als verzekerde haar onjuist heeft voorgelicht omtrent een voorgevallen schade met het oogmerk een uitkering te verkrijgen waarop hij bij kennis van de ware stand van zaken geen recht zou hebben gehad.

4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet vast komen te staan dat [eiser] heeft getracht om Centraal Beheer opzettelijk te misleiden met als doel een uitkering te krijgen waar hij bij werkelijke kennis van feiten geen recht op zou hebben. Daarbij acht de kantonrechter het volgende van belang.

4.5. De opzettelijke misleiding zit volgens Centraal Beheer in, kort gezegd, het veranderen van zijn verklaring over waar de schade is ontstaan, nadat voor [eiser] duidelijk werd dat hij niet verzekerd is indien de gestelde schade is ontstaan buiten de woning. (…)

4.7. In gesprek 1 is het volgende van belang. [eiser] wordt gevraagd of de schade in de woning is ontstaan en hij antwoordt daarop: ‘Ja, tijdens het vervoeren’. Vervolgens maakt de medewerker van Centraal Beheer in zijn daarop volgende vragen van het woord ‘vervoeren’ het woord ‘transport’ en vraagt of de schade aan het hoofdbord van het bed is ontstaan tijdens het transport. [eiser] antwoordt daarop: ‘yes’. Op de vraag van de medewerker van Centraal Beheer of er tijdens het transport ook nog iets met de eettafel is gebeurd, antwoordt [eiser] dat hij vermoedt dat de eettafel is gevallen tijdens transport en zo zijn bed heeft geraakt. Uit dit gesprek blijkt naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval dat [eiser] op de vraag of de schade in de woning is ontstaan ‘ja’ heeft geantwoord. Deze ‘ja’ is opgevolgd door de woorden ‘tijdens het vervoeren’. Niet valt uit te sluiten dat [eiser] daarmee, zoals hij betoogt, heeft bedoeld het uit elkaar halen van de inboedel om deze naar de voordeur te brengen om uiteindelijk in de verhuiswagen te zetten. In ieder geval is het niet zo, zoals Centraal Beheer ten onrechte stelt, dat [eiser] hiermee heeft aangegeven dat het niet in de woning is gebeurd omdat het tijdens het vervoeren is gebeurd. Hiermee miskent Centraal Beheer dat met vervoeren ook verplaatsen kan worden bedoeld. Vervolgens maakt Centraal Beheer zelf van het woord ‘vervoeren’ het woord ‘transport’. Het is de medewerker die in het gesprek tot de conclusie komt dat het gaat om schade tijdens het verhuizen dan wel schade die buiten de woning is ontstaan en die aangeeft [eiser] door te kunnen verbinden met een andere afdeling om te kijken of de schade wellicht op een andere polis is gedekt. Tijdens dit eerste gesprek is vanuit Centraal Beheer niet concreet doorgevraagd waar de schade precies is ontstaan. Van een verzekeraar mag verwacht worden dat deze nauwgezet navraag doet waar de schade precies is ontstaan. De verwarring ontstaat doordat de medewerker van Centraal Beheer bij het gebruik van het woord vervoeren zelf uitgaat van vervoer buiten de woning maar die veronderstelling niet checkt bij [eiser] , terwijl de eerste vraag of de schade in de woning is ontstaan wel bevestigend door hem is beantwoord.

4.8. Tijdens gesprek 2 gebruikt de medewerker van Centraal Beheer de bewoordingen ‘verplaatsen van de spullen’. Dit ‘verplaatsen’ kan ook in de woning plaatsvinden. Het enige wat [eiser] wellicht verweten kan worden in dit gesprek is dat hij de medewerker van Centraal Beheer niet corrigeert als deze zegt dat de schade buiten de woning is ontstaan. Hij heeft het daarentegen ook niet bevestigd, maar daarop enkel gevraagd om weer terug doorverbonden te worden.

4.9. In gesprek 3 wordt vervolgens eerst door [eiser] weer gesproken over ‘verplaatsen van de inboedel’, wat in principe ook binnen kan plaatsvinden. Vanuit Centraal Beheer wordt daarop gevraagd waar de schade precies is ontstaan. [eiser] antwoordt daarop: ‘tijdens het inladen’. Hiervan heeft [eiser] in deze procedure gesteld dat hij daarmee doelde op het hele proces van het uit elkaar halen van de meubels, het klaarzetten in de hal van de meubels voor het vervoer en het ten slotte inladen van de meubels in de verhuiswagen. In het gesprek stelt de medewerker van Centraal Beheer vervolgens twee vragen achter elkaar, namelijk 1) of het bij de woning is gebeurd en 2) waar de boel is ingeladen. [eiser] antwoordt met ‘bij mijn woning’ en ‘op de oprit’. Met het antwoord ‘op de oprit’ kan ook worden gedoeld op waar de inboedel in de verhuiswagen is gezet en wil niet direct zeggen dat bedoeld is dat de schade daarmee op de oprit is ontstaan. De medewerker van Centraal Beheer concludeert dit echter wel (‘op de oprit is de schade ontstaan’). Ook dan corrigeert [eiser] de medewerker niet, maar bevestigt diens conclusie evenmin. Uit het verdere verloop van het gesprek blijkt dat [eiser] het niet goed begrijpt, nu hij na de uitleg dat schade aan de inboedel die buiten de woning is ontstaan niet is verzekerd, vraagt of hij daar nu wel of niet voor is verzekerd. Kort daarop belt [eiser] terug en geeft dan aan dat er niet naar hem is geluisterd en dat de schade in de woning is ontstaan en niet op de oprit (gesprek 4).

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake is van een misverstand dat kon ontstaan omdat [eiser] zich minder duidelijk of exact over de toedracht van de schade heeft uitgelaten en Centraal Beheer daar niet concreet op heeft doorgevraagd maar daaraan wel conclusies heeft verbonden. Het direct terugbellen van [eiser] (gesprek 4) ziet de kantonrechter dan ook niet als een poging om te misleiden om alsnog een uitkering te krijgen, maar juist als een poging van [eiser] om het misverstand uit de weg te ruimen en duidelijkheid te verschaffen over het ontstaan van de schade. Het is niet onaannemelijk dat het besef van een misverstand pas bij [eiser] doordrong na afronding van de aaneengesloten gesprekken 1 tot en met 3. Daarbij betrekt de kantonrechter de gemotiveerde stelling van [eiser] dat hij dacht tussen het werk door ‘snel’ de schademelding telefonisch door te kunnen geven en hij er in die zin niet met zijn volle aandacht bij was. Zijn antwoorden in gesprek 5 doen daar niet aan af, reeds omdat hem daarin ten onrechte is voorgehouden dat hij in het eerste gesprek zou hebben verklaard dat het niet in de woning is gebeurd. Duidelijk komt verder naar voren dat [eiser] in de veronderstelling verkeerde dat hij overal voor verzekerd is met zijn allrisk polis, zodat ook daarom niet gezegd kan worden dat hij heeft getracht Centraal Beheer te bewegen om hem een uitkering te verstrekken waarvan hij weet dat hij die in het geval dat de schade buiten is ontstaan, niet zou hebben gekregen. De vaststelling dat sprake is van een misverstand brengt met zich dat de onder 4.3 opgenomen strenge eisen die worden gesteld aan de vaststelling of het handelen van de verzekerde was ingegeven door het opzet tot misleiden van de verzekeraar in ieder geval niet worden gehaald. (…)

Achmea/Centraal Beheer probeert zich onder de verantwoordelijkheid uit te draaien door te zeggen dat de tegenstrijdige verklaringen voor haar nadelig zijn geweest, maar daar is de rechter niet gevoelig voor:

4.14. Centraal Beheer verwijst hiervoor naar de artikelen 30 en 31 van de Voorwaarden Inboedel en artikel 7:941 lid 4 BW en voert aan dat de tegenstrijdige verklaringen voor haar nadelig zijn geweest en zij daardoor onderzoek heeft moeten doen en kosten heeft moeten maken.

4.15. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door Centraal Beheer als tegenstrijdig bestempelde verklaringen van [eiser] niet zodanig dat daarmee gezegd kan worden dat dit nadelig is geweest voor Centraal Beheer. Zoals reeds overwogen berust de geconstateerde discrepantie in de verklaringen op een misverstand, welke [eiser] op diezelfde dag nog heeft willen ophelderen. Het is vervolgens Centraal Beheer geweest die de verklaring van [eiser] niet heeft geloofd en heeft besloten een onderzoek in te stellen. Dat dit onderzoek kosten met zich heeft gebracht, kosten die overigens bestaan uit het inschakelen van haar eigen afdeling speciale zaken, moet dan ook voor rekening en risico van Centraal Beheer komen. Dit betekent dat dit verweer niet opgaat.

Het gebeurde maakt duidelijk hoe gevaarlijk het telefonisch informatie inwinnen door financiële instellingen is. Een misverstand is zo ontstaan en als de klant probeert het misverstand te corrigeren wordt hij meteen in het verdachtenbankje gezet.

De rechtbank beslist dat de verzekeraar de schade moet vergoeden, verzekeringen moet herstellen, meerpremies moet vergoeden en dat de plaatsing op de externe zwarte lijst (EVR, registratie bij Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit) ongedaan moet worden gemaakt. Ook de plaatsing op de interne zwarte lijst (interne registratie in de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister, IVR) komt aan de orde, over de plaatsing op die lijst oordeelt de rechtbank:

4.20.De kantonrechter oordeelt hieromtrent als volgt. Voor het antwoord op de vraag of Centraal Beheer de gegevens van [eiser] terecht heeft opgenomen in deze registers is onder andere van belang de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (de Gedragscode). Op grond van artikel 4.5.3 van de Gedragscode kunnen verzekeraars gebeurtenissen in een Gebeurtenissenadministratie vastleggen die van belang zijn voor de veiligheid en integriteit van de verzekeraar, de groep waartoe de verzekeraar behoort en de verzekeringsbranche. Het kan daarbij gaan om uiteenlopende gebeurtenissen, zoals de uitkomsten van screeningsverzoeken, klachten van klanten, (mogelijke) verzekeringsfraude of het niet naleven van afspraken waaronder structureel wanbetalingsgedrag of faillissementen. De Gebeurtenissenadministratie is een verzameling van gegevens en vormt het geheugen van de Verzekeraar. Verzekeraars hebben geen inzage in elkaars Gebeurtenissenadministraties, tenzij ze deel uitmaken van dezelfde groep.

4.21. Centraal Beheer heeft toegelicht dat zij de persoonsgegevens van [eiser] in de Gebeurtenissenadministratie en het daaraan gekoppelde IVR heeft opgenomen omdat [eiser] haar tegenstrijdig en wisselend had geïnformeerd over de plaats waar de schade is ontstaan. Voor opname in de Gebeurtenissenadministratie is nodig dat het een gebeurtenis betreft die zorg en aandacht behoeft. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan in het geval van [eiser] geen sprake is geweest, nu het een misverstand betreft dat [eiser] heeft getracht op te helderen, maar hij werd door Centraal Beheer niet geloofd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Centraal Beheer dan ook niet mogen besluiten dat dit een gebeurtenis is die zorg en aandacht behoeft. De vordering tot verwijdering van de persoonsgegevens van [eiser] uit de Gebeurtenissenadministratie en het IVR zal daarom worden toegewezen.

Het maakt duidelijk dat de verzekeraars hun schadeafhandelingspraktijk moeten verbeteren om te voorkomen dat dit soort zaken zich  opnieuw voordoen.

 

Meer informatie:

Op dit blog:

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Is nationaliteitsdiscriminatie geoorloofd in de misdaadbestrijding en als het in het belang van het land is? | Argos uitzending, beslissingen College voor de Rechten van de Mens

De omvang van nationaliteitsdiscriminatie neemt steeds meer toe.
In dit blog besteed ik aandacht aan een nieuwe Argos serie, waarin nationaliteitsdiscriminatie aan de orde komt en aan de beslissingen van het College voor de Rechten van de Mens.

Vriend of Vijand. Een podcast over kennisspionage op Nederlandse universiteiten

Saar Slegers maakt voor Argos een interessante podcast serie over kennisspionage, waarin ook de gevolgen van nationaliteitsdiscriminatie in het belang van de staatsveiligheid, aan de orde komen. Ook het Veerman/Khan schandaal komt aan de orde.

In de eerste aflevering komt een oudere wetenschapper van Russische afkomst aan het woord, die naar Nederland was geëmigreerd maar niet meer wetenschappelijk aan het werk kon vanwege vermeende risico’s voor de nationale veiligheid. Een vertegenwoordiger van de AIVD vertelde in de uitzending dat het beschadigen van burgers is toegestaan als dat in het belang van Nederland is. Toch is het treurig dat deze man van het kastje naar de muur is gestuurd en geen wetenschappelijk werk heeft kunnen doen, al is het maar op een ‘ongevaarlijk’ terrein

Lees het artikel over Iraanse student Daryaa en beluister de uitzendingen via de pagina over de serie.

Nationaliteitsdiscriminatie is gewoon geworden ook al bestaan er grondrechten

Deze vorm van discriminatie komt steeds vaker voor, zie mijn berichten met de tag nationaliteitsdiscriminatie. Enkele voorbeelden volgen hierna.

Amerikaanse nationaliteit
De onopgeloste problematiek van de slachtoffers van FATCA (slachtoffers van Amerikaanse overheid) speelt al een hele tijd. Of er verbetering komt is de vraag.

Iraanse nationaliteit
Iraniërs die al lang in Europa wonen krijgen met discriminatie door financiële instellingen te maken, wat soms tot uitwassen leidt, lees mijn artikel over de ervaring van Jona Lendering en het bericht waarin ik meld dat een hypotheekbank probeert van een hypotheek af te komen omdat een van de hypotheeknemers in Iran is geboren. Het is vast het topje van de ijsberg.

Russische nationaliteit
In het verleden hadden alleen Russen in ‘gevoelige’ sectoren problemen, zoals in de Argos-uitzending beschreven. Nu geldt het voor iedereen met de Russische nationaliteit, ook al woont hij of zij bijna het hele leven in Nederland, aangezien er sancties zijn afgekondigd die ook gewone burgers raken (lees 1, 2). Over de praktijk is voor zover ik weet nog niet geschreven, maar ik heb van iemand gehoord dat banken zonder vooraankondiging betalingen vasthouden (ook kleine bedragen) en op een tussenrekening plaatsen en er dan een maand over te doen om de betaling vrij te geven. Vermoedelijk worden nu alle mensen die in Rusland zijn geboren, respectievelijk die de Russische nationaliteit hebben, door financiële instellingen als hoog risico op witwassen en terrorismefinanciering bestempeld.

Europa verbiedt nationaliteitsdiscriminatie niet
Er ligt een Europees voorstel om discriminatie tegen te gaan, waarin nationaliteitsdiscriminatie niet wordt verboden, lees dit.

College voor de Rechten van de Mens en nationaliteitsdiscriminatie

Zorgelijk is dat het College voor de Rechten van de Mens onvoldoende optreedt tegen nationaliteitsdiscriminatie, lees mijn artikel over hun besluit inzake discriminatie van mensen met Amerikaanse nationaliteit door Nationale-Nederlanden.
Op 4 april jl. werden twee nieuwe besluiten van het College bekend gemaakt, waarin nationaliteitsdiscriminatie aan de orde komt. In de ene zaak lijkt het echter niet om nationaliteit te gaan maar om de binding van een stichting met Nederland. In de andere zaak heeft het bedrijf van een Nederlands-Syrisch echtpaar een Syrische naam, wat tot problemen leidt met de Citibank. In het bericht schrijft het College:

Banken moeten zich echter realiseren dat criteria die direct of indirect onderscheid maken op grond van nationaliteit, niet verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk.

Het betekent dat het College kennelijk accepteert dat er onderscheid op nationaliteit wordt gemaakt, al mag dat niet tot afwijzing leiden, zo blijkt uit de passage daarna:

Zoals uit beide oordelen blijkt, is het in ieder geval van belang dat banken hun criteria niet als afwijzingscriteria hanteren. De procedure rond en na de screening moet erop gericht zijn alle burgers en stichtingen die niets verkeerd blijken te doen, de financiële dienst te verlenen waar zij recht op hebben. Zo wordt voorkomen dat verboden onderscheid wordt gemaakt en discriminatie plaatsvindt.

Het is hoog tijd dat College voor de Rechten van de Mens en andere instanties, zoals Kifid, krachtig stelling gaan nemen tegen nationaliteitsdiscriminatie.

 

NB Op dit moment is er een rel rondom het College voor de Rechten van de Mens, lees onder meer bij de NOS: Crisis in top mensenrechtencollege, klokkenluiders moeten veld ruimen.

 

Over klokkenluider Veerman schreef ik eerder op dit blog onder de titel ‘Verkocht Nederland atoomgeheimen in opdracht van de VS?’.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Defensiedeskundige Ko Colijn: ‘Nederland liet Khan zijn gang gaan op last van de CIA’

Op de Argos site staat een interview van Huub Jaspers met Ko Colijn onder de titel Defensiedeskundige Ko Colijn: ‘Nederland liet Khan zijn gang gaan op last van de CIA’, 25 april 2023. Het bevestigt wat Veerman eerder zei tijdens een interview met Nieuwsweekend op 11 juli 2020. Het oordeel van Colijn is vernietigend als hem wordt gevraagd wat de de casus van de Pakistaanse atoombom ons leert over het beleid van Nederland om kennisspionage te voorkomen en de verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan:

De casus Khan toont aan:

* Ten eerste dat Nederland niet alleen een trouwe maar een volgzame en zelfs slaafse bondgenoot van de VS is. We veroorloven ons simpelweg geen ‘Nee’ tegenover Washington.
* Ten tweede dat in de VS maar ook in Nederland nobele doelstellingen als het tegengaan van de verspreiding van kernwapens of de bescherming van mensenrechten steeds moeten wijken voor geopolitieke prioriteiten. We hebben Khan op last van de CIA te veel zijn gang laten gaan, ten koste van onze hooggestemde non-proliferatie-doelen.
* Ten derde dat Nederland de kniebuigingen voor Washington liever niet aan de grote klok laat hangen. Misschien is dit wel het enige dat we bij de VS kunnen bedingen, dat de Amerikanen dit niet rondbazuinen.

 

Over klokkenluider Veerman schreef ik eerder op dit blog onder de titel ‘Verkocht Nederland atoomgeheimen in opdracht van de VS?‘, onder meer naar aanleiding van de podcast De extreem lange adem van klokkenluider Frits Veerman, Nieuwsweekend 11 juli 2020.

Het fragment van de uitzending wordt nog wel op de NPO site aangekondigd:

maar het fragment zelf is helaas verdwenen.

 

Geplaatst in Grondrechten | Tags: , | Plaats een reactie

De integriteit van Europa | Qatargate

Het Europese Parlement is druk bezig met integriteit bevorderende wetgeving, zoals het AML Package, en heeft nu door ‘Qatargate’ zelf een integriteitsschandaal aan de broek. Lees daar over de column van Edgar Hoedemaker op de site van het Montesquieu Instituut: Qatargate: integriteitsregels in de Brusselse compromismolen.

Hoedemaker signaleert dat de afkoelingsperiode waarin europarlementariërs geen lobbyactiviteiten in het Europees Parlement mogen verrichten is verkort van twee jaar naar zes maanden en dat de Europese ethische autoriteit voor op het gebied van integriteit er nog steeds niet  is.

Geplaatst in Europa, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , | Plaats een reactie