De wonderbaarlijke competenties van trustkantoren

Iedere jurist weet dat mensen en organisaties nauwelijks in staat zijn te weten wat de regels zijn. Tenslotte is dat voor juristen al moeilijk. Nog lastiger is om de regels toereikend na te leven.

Gelukkig kent Nederland ondernemingen met wonderbaarlijke competenties. Deze ondernemingen zijn in staat het “risico van ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is bepaald” te onderkennen en te beheersen, zowel bij zichzelf als bij hun zakelijke relaties. Deze ondernemingen gaan door het leven onder de naam ‘trustkantoren’.

Integriteitrisico
De liefhebbers van de trustkantorenmandarijnenwetenschap kunnen in lid 1 van artikel 1 Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) de definitie van integriteitrisico vinden:

integriteitrisico:
a. risico van ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is bepaald;
b. risico van betrokkenheid van het trustkantoor of zijn medewerkers bij handelingen die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in het trustkantoor of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad;

In deze ruime definitie is onder a. iedere ontoereikende naleving van een voorschrift al een integriteitrisico en de definitie gaat uit van de veronderstelling van een perfecte wereld. In de menselijke wereld zijn die risico’s overal aanwezig en kunnen zij niet afdoende onderkend worden (maar daarin is het ministerie van Financiën, die verantwoordelijk is voor deze regels, niet geïnteresseerd).

Opmerkelijk is dat onder b. het zich onthouden van onrechtmatige daad als norm in de Wtt 2018 is terecht gekomen, wat wetgevingstechnisch zeer opmerkelijk kan worden genoemd. Verder heeft dit onderdeel alleen betrekking op iets waarbij het trustkantoor of zijn medewerkers ‘betrokken’ kunnen zijn, terwijl onderdeel a. zowel op het trustkantoor betrekking kan hebben als op degenen met wie het trustkantoor zaken doet.

Profileren en beheersen
Uit artikelen 22 en verder Wtt 2018 blijkt dat de wetgever veronderstelt dat die integriteitsrisico’s ‘beheerst’ kunnen worden (artikel 22 en artikel 26) en dat het mogelijk is om een ‘integriteitrisicoprofiel’ op te stellen van de cliënt en van de door het trustkantoor bestuurde rechtspersoon (de ‘doelvennootschap’) (artikel 23, artikel 27), alsmede dat tijdens de controle van de zakelijke relatie door het trustkantoor kan worden nagegaan of deze zakelijke relatie overeenkomt met dat integriteitrisicoprofiel. Aangezien dit praktisch onmogelijk is, dienen trustkantoren over wonderbaarlijke competenties beschikken.

Schaduw
De regelgeving voor trustkantoren werpt een donkere schaduw vooruit op wat straks van iedere burger en organisatie wordt verwacht. Het zijn regels voor een perfecte wereld waarin robots het hebben overgenomen.

 

Dit artikel verscheen eerder op de site van Compliance Platform Trustkantoren.

 



Aanvulling 18 juli 2022

Op 11 juli werd een kamerbrief gepubliceerd over acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels. De financiële regelgeving wordt standaard overgeslagen.

Geplaatst in Bestuur en toezicht bij rechtspersonen, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Trustkantoren | Tags: , , | Plaats een reactie

Addition of non-bank lenders to the European AML/CFT regime | EBA advice on non-bank lending

On 4 May the European Banking Authority (EBA) published its advice regarding non-bank lending. In the advice the EBA identifies risks related to provisions of credit by non-bank lenders and puts forward some proposals to address them. In the press release EBA highlights the importance of:

  • Ensuring that the consumer protection framework remains fit-for purpose in view of new players entering the market. For that, the EBA is proposing i) to enhance the disclosure requirements and ensure that they are fair, effective and well-suited for new forms of lending; ii) to strengthen the requirements for creditworthiness assessment, to ensure it is conducted in the interest of consumers.
  • Strengthening the provisions in terms of authorisation and admission to activities and clarifying the identification of the prudential perimeter and the supervisory responsibilities in cross-border provision of services, to allow for a more effective oversight.
  • Covering all non-bank lenders in a more comprehensive way in the EU-wide AML/CTF framework, to achieve greater harmonisation and capture such entities as ‘obliged entities’.
  • Enhancing the monitoring and reporting frameworks to avoid that any sudden increase of macroprudential risks remain unaddressed and considering the introduction of activity-based macro-prudential measures to cover all credit providers.

An important change will be that non-bank lenders – even if they are not subject to licensing under financial regulation – will be required to take AML/CFT measures. In the advice, EBA formulates it in paragraph 8.3 as follows:

As explored in Section 7.3, due to the inherent ML/TF vulnerabilities usually associated with lending activities, and the higher ML/TF risk where lending is provided by non-financial institutions not subject to AML/CFT obligations, it is proposed to the Commission to consider subjecting all categories of non-bank lending to the EU-wide AML/CFT rules (similar to the proposal under Section 8.1, from a prudential perspective) to guard against uneven approaches, regulatory arbitrage and associated gaps in the EU’s AML/CFT defences. The EBA notes that this approach is in line with Financial Action Task Force (FATF) Recommendation 26 143 that states that other financial institutions – where non-banking lending would fit – ‘should be licensed or registered and adequately regulated, and subject to supervision or monitoring for AML/CFT purposes, having regard to the risk of money laundering or terrorist financing in that sector’. This Recommendation in addition stresses that ‘at a minimum, where financial institutions provide a service of money or value transfer, or of money or currency changing, they should be licensed or registered, and subject to effective systems for monitoring and ensuring compliance with national AML/CFT requirements’.

EBA mentions that the draft AMLR already is broadening the scope of AML/CFT duties:

Article 3 of the 2021 Commission legislative proposal for the AMLR goes some way towards addressing this recommendation (by extending the list of AML/CFT ‘obliged entities’ to creditors for mortgage and consumer credits, as well as mortgage and consumer credit intermediaries that are not credit institutions or financial institutions, and crowdfunding service providers which fall outside the scope of Regulation (EU) 2020/1503, as result of their exposure to ML/TF risks). However, with respect to other non-banking lending activities – as explained in Section 6.8 – those might fall within Annex I to the CRD, but this Annex does not include the full list of obliged entities carrying out non-bank lending activities. In order to ensure consistency of approaches across Member States – and to address the concerns identified in this Report – consideration should be given to capturing all these entities directly in Article 2 of the proposed AMLR, instead of referencing Annex I to the CRD, which currently is considered unclear and still outdated

It shows that more and more companies and activities will be subject to obligations under the European AML/CFT regime.

 

More information:

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Financiële sector wil beter ubo-register en meer handhaving | Wwft

Financiële instellingen dringen bij de overheid aan op een beter ubo-register, zo blijkt uit een bericht op de site van bankenorganisatie NVB, waarin onder meer staat:

Het Verbond van Verzekeraars (Verbond), de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Verenigde Betaalinstellingen Nederland (VBIN) hebben daarom in een paper de problemen met het register beschreven en vragen de overheid om te zorgen voor een effectief, betrouwbaar, werkbaar en betaalbaar UBO-register. Het is daarbij belangrijk dat de Kamer van Koophandel (KvK) en het Bureau Economische Handhaving (BEH) de controle intensiveren op de juistheid en volledigheid van de in het UBO-register opgenomen gegevens. Een gebrekkig UBO-register betekent niet alleen veel werk voor financiële instellingen, maar is ook in het nadeel van klanten omdat het acceptatie en soepele dienstverlening bemoeilijkt.

De paper is hier te vinden.
Uit die paper blijkt dat er nog steeds grote verschillen zijn in de interpretatie van het ubo-begrip, want de financiële instellingen vragen om “een uniforme uitleg en toepassing van het UBO-begrip“.

De verplichting om de juistheid van het ubo-register te controleren (‘terugmeldingsplicht’) is een kostbare aangelegenheid, constateren de financiële instellingen. Om die reden willen zij graag een attenderingsservice van de Kamer van Koophandel. Verder dringen de financiële instellingen er op aan dat het raadplegen van het ubo-register gratis wordt (als dat voor iedereen is, is dat fijn voor criminelen en trollen).

De financiële instellingen maken zich zorgen over hun verplichtingen bij bestaande klanten en vrezen dat zij de relatie moeten beëindigen als de klanten hun ubo’s niet hebben ingeschreven, aldus:

Tot slot moet duidelijk worden op welke manier financiële instellingen Wwft-cliëntenonderzoeken dienen uit te voeren bij entiteiten die na 27 maart 2022 nog niet zijn ingeschreven in het UBO- register. Immers, zonder bewijs van inschrijving geldt een verbod op het aangaan van de zakelijke relatie conform artikel 5 Wwft. Wij roepen de overheid daarom op de einddatum van 27 maart 2022 te heroverwegen.

 

NB Uiteraard spelen de databeschermingsrisico’s voor de mensen die in het ubo-register zijn ingeschreven geen enkele rol in de paper. Daar hebben noch de overheden, noch de Wwft-plichtigen interesse. Dus de onveilige uitwisseling van persoonsgegevens mag gewoon doorgaan.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Ubo-register | Tags: , , , , , | 1 reactie

De bancaire pseudo-overheid | ‘publiek-private informatiedeling bij bestrijding witwassen en terrorismefinanciering’

Een van de gevaarlijkste ontwikkelingen van de laatste decennia is dat banken zich tot pseudo-overheden ontwikkelen, die iedere burger digitaal van seconde tot seconde in de gaten houden (‘surveillance’), terwijl een behoorlijk democratisch toezicht op die banken ontbreekt en de rechtsbescherming tegen uit de bocht vliegende banken pover is.

Lees over die ontwikkeling tot pseudo-overheid het NVB-artikel Rondetafelgesprek Europees Parlement publiek-private informatiedeling bij bestrijding witwassen en terrorismefinanciering. De samenwerking tussen overheid en banken wordt in de titel ten onrechte als ‘publiek-private samenwerking’ aangeduid (de suggestie wordt gewekt dat het een brede samenwerking is terwijl er uit de private sector alleen banken mee doen). In het artikel wordt aangekondigd dat de banken hun gevaarlijke samenwerkingsplannen in Europa hebben gepresenteerd, zoals Transactie Monitoring Nederland (TMNL) en Fintell Alliance NL.

De surveillance maatschappij komt er onherroepelijk aan en banken zullen in die maatschappij een centrale rol spelen.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Parlementaire behandeling voorstel Russenverbod voor trustkantoren

In de Tweede Kamer zijn inmiddels vragen gesteld over het wetsvoorstel Russenverbod voor trustkantoren, onder meer wordt gevraagd waarom het wetsvoorstel niet veel verder gaat. Er zijn ook leden van de Tweede Kamer die vragen stellen over het nut van het verbod, zoals:

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat bij trustdienstverlening het risico te groot is “dat dit type dienstverlening op de een of andere wijze ten goede komt aan de Russische staat of aan (rechts)personen die op sanctielijsten staan.” Deze leden vragen of de regering dit nog eens uitgebreid kan toelichten. De leden van de CDA-fractie vragen verder of de regering kan toelichten wie er worden geraakt door deze maatregel en of dit ook de personen en entiteiten zijn die het onderhavige wetsvoorstel beoogt te treffen.

De leden van de SP-fractie lijken er niet van op de hoogte te zijn dat alle rechtspersonen in Nederland statutair bestuurders hebben, zodat hun vraag of “het optreden als bestuurder van een onderneming en het verlenen van onderdak, meerwaarde hebben voor de reële economie” vreemd aandoet. Misschien is het een idee dat deze leden van de Tweede Kamer eens het Burgerlijk Wetboek gaan lezen.

Het lid Omtzigt is ook toe aan huiswerk want hij vraagt of trustkantoren de ubo’s van hun doelvennootschappen moeten vaststellen:

Vereist het cliëntonderzoek op grond van de Wtt 2018 een verificatie van de UBO door het trustkantoor, zodat aan de hand van objectieve stukken kan worden achterhaald of de UBO van een vennootschap in Rusland woont?

We gaan zien wat er van komt.

 

Dit bericht verscheen eerder op de site van Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Sanctieregels, Trustkantoren, Ubo-register | Tags: , , , , | Plaats een reactie

AML package in the hearings by the ECON-LIBE committees | AML, CFT

Yesterday I published an article on the AML package as presented by the European Commission in July 2021. The proposals are dealt with in the ECON and LIBE committees of the European Parliament, that have held two public hearings, one on 1 December 2021 and another one on 22 March 2022.

Of the companies that are required by the anti-money laundering legislation to carry out public tasks, only the legal profession was represented through the CCBE.
Refinitiv is a big American compliance services provider that was also taking part, and is expected to make a lot of money from the new European anti-money laundering rules. Further the government-funded transparency lobby group Transparency International was present.

 

Programme 1 December 2021 (announcement, video)
Presentations / speeches by:

  • Raluca Pruna, Head of the Financial Crime Unit in DG FISMA, European  Commission
  • Mihails Kozlovs, Member of the European Court of Auditors
  • Joshua Kirschenbaum, non-resident fellow of the German Marshall Fund (GMF), co-author of the Bruegel report on “A better European Union architecture to fight money laundering”
  • Burkhard Mühl, Head of the European Economic and Financial Crime Centre, Europol

and several discussions.

 

Programme 22 March 2022 (announcement, video)
Presentations / speeches by:

  • Marcus Pleyer, President of the Financial Action Task Force
  • Guillaume Valette-Valla, Head of Financial Intelligence Unit France (TRACFIN)
  • Ilze Znotina, Head of Financial Intelligence Unit Latvia
  • Che Sidanius, Global Head of Financial Crime & Industry Affairs, Refinitiv
  • Margarete von Galen, former President, Council of Bars and Law Societies of Europe (CCBE)
  • Roland Papp, Senior Policy Officer – illicit financial flows, Transparency International EU

and several discussions.

 

Mr. Pleyer of FATF during the hearing of 22 March 2022

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

EU’s Iron Fist – Europe authoritarianly steamrolls over national supervisors and obliged entities | AML package | the European anti-money laundering lawyers’ paradise

In July 2021 the European Commission presented proposals to harmonize the EU’s anti-money laundering and countering terrorism financing (AML/CFT) rules, the ‘AML package’ [1]. The package consists of the following legislative proposals:

a] AMLAR, a Regulation establishing a new EU AML/CFT Authority, ‘AMLA’.
b] AMLR, the AML/CFT Regulation, containing directly-applicable rules, also on customer due diligence and beneficial ownership.
c] AMLD6, a sixth directive on AML/CFT, replacing the existing Directive 2015/849/EU (the fourth AML directive as amended by the fifth AML directive), containing provisions that will be transposed into national law.
d] A revision of the 2015 Regulation on Transfers of Funds to trace transfers of crypto-assets.

What is worrying is that the rules will not only apply to financial institutions and its national supervisors [2].

Non-financial obliged entities / DNFBPs
So-called ‘non-financial’ obliged entities [3], also referred to as ‘designated non-financial businesses and professions’ (‘DNFBPs’) and their national supervisors will also be affected. Even worse: AMLA and other European institutions can create AML/CFT rules for DNFBPs without involving them and without taking their specificities and national characteristics into account.

The DNFBPs cover a large number of different types of companies, some regulated (such as notaries, lawyers and accountants), some unregulated [4]. The risk is that all these companies will be faced with one-size-fits-all rules devised for the financial sector and transposed to these other sectors without taking into account the specific characteristics of the latter.

Top-down
It is a top-down system with no opportunities for sector associations or national supervisors to play a role in shaping the rules. AMLA and other European bodies are not accountable for the applicability of the rules to specific industries and the costs involved. There is no system in which the European bodies are accountable to the sector associations and sectoral supervisors. They will only have informal influence and can participate in consultations if they are held. Given the importance of the AML/CFT rules and the damage that the current rules are already causing (visible in the banking sector as de-risking and exclusion [5]), it is essential that there is an accessible system whereby the European authorities can be called to order.

Complicated system
The new system will consist of a variety of rules that will prove unfathomable for obliged entities that are SMEs and their supervisors. Elements are:

    • The European made rules of AMLR itself, accompanied with very limited explanation on the the justification and reasons for certain choices and on the meaning of terms used.
    • Regulatory technical standards, drafted by AMLA and adopted by the Commission, on:
      # group-wide requirements (AMLR)
      # branches and subsidiaries (AMLR)
      # KYC (AMLR)
      # risk variables and factors (AMLR)
      # reporting of suspicious transactions (AMLR)
      # in the specific cases referred to in article 38 AMLAR (6-4-a AMLAR)
    • Implementing technical standards drafted by AMLAR in the specific cases referred to in Article 42 AMLAR (6-4-b AMLAR)
    • Guidelines by AMLA
      # on monitoring (AMLR)
      # on the money laundering and terrorist financing trends, risks and methods involving any geographical area outside the Union (AMLR)
      # on PEPs (AMLR)
      # on relying on information by another obliged entity, outsourcing (AMLR)
      # for supervisors and supervisory authorities (AMLR)
      # guidelines and recommendations, as provided in Article 43 (6-4-c AMLAR)
    • Opinions by AMLA on third countries posing a threat to the Union’s financial system (AMLR)
    • Opinions by AMLA to the European Parliament, to the Council, or to the Commission as provided for in Article 44 (6-4-d AMLAR)
    • Relevant information or guidance by AMLA (AMLR)
    • Recommendations AMLA to supervisors and supervisory authorities (6-2-b AMLAR) and requests to supervisors and supervisory authorities to act an instructions on measures 6-2-c AMLAR
    • Supervisory methodology by AMLA, 8 AMLAR
    • Practical instruments and convergence tools, methods by AMLA 10-1 AMLAR
    • List of countries by the Commission:
      # high-risk third countries (AMLR)
      # third countries with compliance weaknesses (AMLR)
      # third countries posing a threat to the Union’s financial system, countermeasures (AMLR)
    • Relevant information or guidance by the Commission (AMLR)
    • Recommendations by the Commission to Member States on rules and criteria to identify the beneficial owner (AMLR)
    • Supra-national risk assessments by the Commission (AMLR)
    • List of legal arrangements and legal entities subject to the same beneficial ownership requirements as express trusts, implementing act by the Commission (AMLR)

Delegated acts are only assessed by the Parliament and the Council (Article 60 (6), Article 86 AMLR). Evaluation is carried out only by the Commission, according to Article 88 AMLAR.

AMLA may be very expensive for the non-financial sector as it will collect a lot of data from the national supervisors (Article 6 (2) AMLAR) and it will keep these supervisors very busy, for instance by doing thematic reviews (Article 9 AMLAR). The costs will be passed on to the obliged entities.

Sector associations
The Council of Bars and Law Societies of Europe (CCBE) has been critical, first on 8 October 2021 in preliminary comments on the AML package. On 10 December 2021 CCBE presented its position paper.

ETAF, the European Tax Adviser Federation, in its position paper is critical as well: to their opinion the competences of AMLA in the non-financial sector should be limited to a coordinating and advisory function. They amongst others write:

Due to its more heterogeneous nature and the lack of harmonisation in terms of requirements, the supervision in the non-financial sector must remain decentralized at the level of Member States, since they can act much faster, more effectively and more appropriately.

I could not find whether the European legislator is going to take any notice of these criticisms. It is relatively quiet around the AML package, which makes one fear the worst.

Europe is going a wrong direction
It seems that Europe is in the process of creating a costly and complicated system based on AML/CFT control concepts from the financial sector. The non-financial obliged entities and their supervisors may suffer greatly from this, first of all because of the inaccessibility and incomprehensibility of the regulations (with high costs) and secondly, because the branch expertise is not formally involved in the formation of the rules.

It is high time for regulators to pay attention to the fact that concepts from the financial sector cannot simply be transferred to the non-financial sector, and that the quality of regulation must be high in order to ensure that it is understandable and workable for the target groups (including SMEs) and not unnecessarily expensive in relation to the results achieved by the rules.

Notes
[1] Press release Beating financial crime: Commission overhauls anti-money laundering and countering the financing of terrorism rules. Drafts: AMLAR, AMLR, AMLD6, revision of the TF regulation.
[2] In this article, I will not discuss whether the proposed system is appropriate for financial institutions. There may be more to say about that.
[3] The term ‘non-financial’ obliged entities is not found in the draft AMLR. In the definition article of AMLR, article 2, ‘non-financial supervisor’ means a supervisor in charge of obliged entities listed in Article 3 of draft AMLR, other than credit and financial institutions.
[4] Article 3 (3) of the AMLR draft:
“The following entities are to be considered obliged entities for the purposes of this Regulation:

(a) auditors, external accountants and tax advisors, and any other natural or legal person that undertakes to provide, directly or by means of other persons to which that other person is related, material aid, assistance or advice on tax matters as principal business or professional activity;
(b) notaries and other independent legal professionals, where they participate, whether by acting on behalf of and for their client in any financial or real estate transaction, or by assisting in the planning or carrying out of transactions for their client concerning any of the following:
(i) buying and selling of real property or business entities;
(ii) managing of client money, securities or other assets;
(iii) opening or management of bank, savings or securities accounts;
(iv) organisation of contributions necessary for the creation, operation or management of companies;
(v) creation, operation or management of trusts, companies, foundations, or similar structures;
(c) trust or company service providers;
(d) estate agents, including when acting as intermediaries in the letting of immovable property for transactions for which the monthly rent amounts to EUR 10 000 or more, or the equivalent in national currency;
(e) persons trading in precious metals and stones;
(f) providers of gambling services;
(g) crypto-asset service providers;
(h) crowdfunding service providers other than those regulated by Regulation (EU) 2020/1503;
(i) persons trading or acting as intermediaries in the trade of works of art, including when this is carried out by art galleries and auction houses, where the value of the transaction or linked transactions amounts to at least EUR 10 000 or the equivalent in national currency;
(j) persons storing, trading or acting as intermediaries in the trade of works of art when this is carried out within free zones and customs warehouses, where the value of the transaction or linked transactions amounts to at least EUR 10 000 or the equivalent in national currency;
(k) creditors for mortgage and consumer credits, other than credit institutions defined in Article 2(5) and financial institutions defined in Article 2(6), and credit intermediaries for mortgage and consumer credits;
(l) investment migration operators permitted to represent or offer intermediation services to third country nationals seeking to obtain residence rights in a Member State in exchange of any kind of investment, including capital transfers, purchase or renting of property, investment in government bonds, investment in corporate entities, donation or endowment of an activity to the public good and contributions to the state budget.”

[5] Euphemistically referred to by FATF as “Unintended Consequences of the FATF Recommendations” (article FATF on March 2022 meeting). The statement by FATF that they want to do something about de-risking and exclusion cannot be taken seriously, as this is a consequence of the concepts chosen by FATF.
The European legislators are aware of the problems. AMLR even includes a de-risking ban for the financial sector (Article 41a), which is not going to work because those responsible for the adverse rules (AMLA and banking regulator EBA) will have to further elaborate the ban in guidelines.

Much more can be said about the AML package. In this article I limit myself to the general structure.

 

This is part 4 of the series Horrors of European legislation against crime (AML/CFT) that describes the European plans to fundamentally change AML/CFT legislation.

 


Addition 11 May 2022
There is also a position paper by the Council of the Notariats of the European Union (CNUE).

CNUE is of the opinion that AMLA should only exercise supervision over certain obliged entities in the financial sector and limit its activities to a coordinating function with respect to obliged entities in the non-financial sector. Indeed, a clear-cut differentiation needs to be done between the financial and the non-financial sector. Unlike the financial sector, the non-financial sector is heterogeneous (or sui generis) and has specificities (or singular aspects) that are important to respect and maintain as they contribute to the efficiency of the system at national level.

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Ubo-register | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Tuchtrecht verzekeraars | consultatie Wijzigingswet financiële markten 2024

Eerder besteedde ik hier aandacht aan de Tuchtraad Financiële Dienstverlening, die een rol toebedeeld heeft gekregen bij verzekeraars. Onderdeel van de consultatie Wijzigingswet financiële markten 2024 die recent van start is gegaan, is het tuchtrecht voor verzekeraars, waarmee die tuchtraad een wettelijke basis krijgt.

Helaas blijft men er voor kiezen om het tuchtrecht door de sector zelf te laten regelen, via een stichting waarvan we er in de financiële sector er zo veel van kennen. Naar mijn mening moet het anders en is het tijd voor een onafhankelijke ombudsman voor de hele financiële sector en voor stroomlijning van de lappendeken aan registrerende en geschillen beslechtende instanties.

In het consultatievoorstel wordt voorgesteld een nieuwe bepaling in de Wet op het financiële toezicht (Wft) in te voegen met de volgende tekst:

Artikel 3:17d
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland is onderworpen aan een tuchtrechtelijke regeling waarvan de toepassing en uitvoering zijn opgedragen aan een onafhankelijke en deskundige externe instantie.
2. De tuchtrechtelijke regeling, bedoeld in het eerste lid, richt zich op de naleving door een verzekeraar van de binnen de verzekeringssector algemeen aanvaarde gedragsnormen met betrekking tot integriteit en zorgvuldigheid en voldoet voorts aan de volgende eisen:
a. de omvang van de groep van verzekeraars waarop de regeling van toepassing is, is van voldoende betekenis; en
b. de regeling voorziet in adequate waarborgen voor een behoorlijke procesgang.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aan een tuchtrechtelijke regeling als bedoeld in het eerste lid te stellen eisen.

In de toelichting wordt over dit voorstel het volgende opgemerkt:

2. Verankering tuchtrecht verzekeraars
De afgelopen decennia is een groot aantal Europese en nationale maatregelen getroffen in de financiële sector om het belang van de consument beter te beschermen, zowel door de sector zelf als door de overheid. In de verzekeringssector waren deze maatregelen er onder meer op gericht om de klant en het belang van de klant meer centraal te laten staan, zoals de invoering van het provisieverbod, regels voor een betere informatievoorziening en meer transparantie voor verzekeringen met een beleggingscomponent alsmede de introductie van de algemene zorgplicht in de Wft. Ook waren de maatregelen gericht op het versterken van de cultuur, maatschappelijke verantwoordelijkheid en de governance van de verzekeringssector, zoals de invoering van de regels ten aanzien van productontwikkeling, en daarmee op het vergroten van het consumentenvertrouwen in verzekeraars en – in het verlengde daarvan – de financiële markten. Het is van belang dat de consument vertrouwen heeft én houdt in financiële producten en financiële ondernemingen, waaronder verzekeraars. Niet alleen voor de consument zelf, maar ook voor de welvaarts- en welzijnsontwikkeling in Nederland in algemene zin. Met onderhavig wetsvoorstel wordt hieraan een nieuwe maatregel toegevoegd, namelijk de verplichting voor verzekeraars met zetel in Nederland om zich te onderwerpen aan tuchtrecht dat voldoet aan bepaalde voorwaarden. Deze maatregel komt mede voort uit de wens om (het vertrouwen in) de afhandeling van letselschade door verzekeraars te versterken en, waar nodig, te verbeteren.

De Universiteit Utrecht heeft in opdracht van De Letselschade Raad (DLR) onderzoek verricht naar de oorzaken van langlopende letselschadezaken.[1] Hiermee worden letselschadedossiers bedoeld die niet binnen twee jaar na de schademelding zijn afgewikkeld. Het onderzoek is op 10 juli 2020 afgerond en op 12 oktober 2020 aan de Tweede Kamer gezonden.[2] Uit dit onderzoek blijkt dat in de meeste zaken verschillende omstandigheden debet zijn aan de lange duur van de afhandeling, zoals het wachten op de medische eindtoestand, de re-integratie in het arbeidsproces, en de onduidelijkheid over de door het ongeval ontstane beperkingen. Het is volgens onderzoekers niet mogelijk om één dominante omstandigheid te benoemen als hét kenmerk van een langlopend letselschadedossier. In een beperkt aantal zaken is de lange duur volgens de onderzoekers mede te wijten aan het niet voortvarend handelen door de verzekeraar (8%).[3] Deze laatste bevinding staat in contrast met de ervaring van slachtoffers. Slachtoffers beoordelen vooral de voortvarendheid van verzekeraars bij de afhandeling van letselschade als onder de maat, aldus het onderzoek.[4]

Het rapport biedt handvatten om de schade-afhandeling te verbeteren. In samenspraak met de professionals in de branche zijn verschillende maatregelen uitgewerkt en inmiddels in praktijk gebracht.[5] Mede ter borging en verbetering van de kwaliteit van (letsel)schadeafhandeling door verzekeraars en het vertrouwen in verzekeraars en de verzekeringssector in den brede wordt – in aanvulling op voorgaande maatregelen – via onderhavig wetsvoorstel ingezet op versterking van de rol van het tuchtrecht voor verzekeraars. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie van het lid Kuiken c.s., waarin wordt verzocht om wettelijke verankering van het tuchtrecht voor onder meer verzekeraars.[6] De voorgestelde verankering van het tuchtrecht geschiedt op een wijze die (i) vergelijkbaar is met het tuchtrecht dat op basis van de Wft geldt voor banken en (ii) verenigbaar is met (Europese) rechtsbeginselen, waaronder het beginsel van proportionaliteit en evenredigheid.

Verzekeraars die zijn aangesloten bij het Verbond van Verzekeraars zijn reeds onderworpen aan tuchtrecht met toetsing van tuchtrechtelijke klachten over verzekeraars door de Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën) (hierna: Tuchtraad). De verzekeringssector heeft via het Verbond van Verzekeraars vernieuwingen en verbeteringen in het tuchtrecht voor verzekeraars doorgevoerd. Zo is de Tuchtraad per 12 januari 2021 ondergebracht in een aparte stichting ter verdere borging van de onafhankelijkheid. Ook kan de Tuchtraad inmiddels rechtstreeks sancties en maatregelen opleggen aan verzekeraars, zoals een waarschuwing en een berisping. Ter verdere versterking wordt voorgesteld het tuchtrecht voor verzekeraars in de Wft te verankeren en hieraan wettelijke waarborgen te verbinden. Hiermee geldt de verplichting om zich aan een tuchtrechtelijke regeling te onderwerpen voor alle verzekeraars met zetel in Nederland.

De regering onderschrijft het belang van de bijdrage die tuchtrecht kan leveren aan de professionaliteit van een (beroeps)groep. Tuchtrecht beoogt de kwaliteit (zorgvuldigheid) en integriteit van de uitoefening van werkzaamheden te bewaken en de interne orde en discipline (tucht) binnen een groep te handhaven met het oog op het versterken van (het vertrouwen in) de eer en goede naam van de groep en het zelfreinigend vermogen en de normontwikkeling binnen de groep. Tuchtrecht is primair gericht op de beoordeling van de vraag of de voor de groep geldende gedragsnormen worden nageleefd. Sanctionering van overtreding van die normen vormt een wezenlijk onderdeel van het tuchtrecht. De tuchtrechtelijke instantie kan met de toetsing van het concrete gedrag van groepsleden normovertredingen zichtbaar maken voor personen en ondernemingen binnen en buiten de groep en indien nodig maatregelen opleggen. Tuchtrechtelijke uitspraken hebben een afschrikwekkende werking, maar bevorderen bovenal ook de ethiek en de ontwikkeling van professionele waarden, normen en standaarden binnen een groep. Ondernemingen en medewerkers worden zich hierdoor meer bewust van de normen en waarden die in de sector gelden.

Tuchtrecht heeft gemeenschappelijke kenmerken met andere rechtsgebieden: het strafrecht, het privaatrecht en het bestuursrecht. Het vormt evenwel naar zijn aard een rechtsgebied sui generis, met eigen doelstellingen die los staan van de functie van de andere genoemde rechtsgebieden. Het tuchtrecht staat dan ook niet in de weg aan bestuursrechtelijk optreden door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dan wel strafrechtelijk optreden door het Openbaar Ministerie. Evenmin staat een tuchtrechtelijke procedure in de weg aan een privaatrechtelijke procedure, bijvoorbeeld om te komen tot de betaling van een schadevergoeding. Tuchtrecht, bestuursrecht en strafrecht hebben dan ook elk een eigen functie. Doorgaans zal van samenloop tussen bijvoorbeeld bestuursrechtelijke handhaving en tuchtrecht in beperkte mate sprake zijn, omdat het tuchtrecht zich richt op de naleving van gedragsnormen van de sector zelf, terwijl de bestuursrechtelijke handhaving zich richt op de juiste naleving van wet- en regelgeving. Wel acht de regering het van belang dat dubbeling van procedures en (ongewenste) samenloop tussen bijvoorbeeld bestuursrechtelijk toezicht door DNB en de AFM en het tuchtrecht zoveel mogelijk wordt voorkomen, bijvoorbeeld via een adequate filterfunctie. In dit kader ligt het ook in de rede dat de tuchtrechtelijke instantie de mogelijkheid heeft om bij het bepalen van een sanctie rekening te houden met de samenloop van sanctionering. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het toezicht door DNB en AFM op naleving van wet- en regelgeving duidelijk onderscheiden moet worden van de toetsing door de tuchtrechter van de naleving van de gedragsnormen van de sector zelf. De tuchtrechter is niet bevoegd toezicht te houden op de naleving van wet- en regelgeving, zoals op de bij of krachtens de artikelen 3:10 en 3:17 gestelde regels. Dat toezicht is exclusief voorbehouden aan de toezichthouder (in het geval van voornoemde regels, DNB).

De voorgestelde verplichting voor verzekeraars om zich te onderwerpen aan een tuchtrechtelijke regeling raakt aan de integere en beheerste bedrijfsvoering. Dit is in overeenstemming met de systematiek van de Wft waarin integriteit een aangelegenheid is van de financiële onderneming. Het is aan de financiële onderneming, in dit geval de verzekeraar, om ervoor zorg te dragen dat zij is onderworpen aan een tuchtrechtelijke regeling die ten minste aan bepaalde voorwaarden voldoet en ten aanzien waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. DNB houdt hierop (risicogeoriënteerd) toezicht en kan – indien nodig – handhavend optreden. De AFM heeft hierin ook een rol. Zo ziet de AFM toe op een zorgvuldige behandeling van klanten en consumenten, alsmede op adequate informatievoorziening door de verzekeraar en heeft zij – in haar gedragstoezicht op de onderneming – bij uitstek zicht op concrete integriteitsschendingen. Het ligt voor de hand dat de AFM dergelijke signalen, conform de samenwerkingsbepalingen tussen DNB en de AFM, met DNB deelt. Voor een nadere toelichting op onder meer de rol van de AFM wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde nieuwe artikel 3:17d Wft.

De verdere invulling en organisatie van de tuchtrechtelijke regeling is, evenals bij het tuchtrecht voor banken, primair aan de verzekeraar c.q. verzekeringssector zelf. Het is immers van belang dat (de inrichting van) het tuchtrecht primair uit de groep zelf komt. Tuchtrecht ontwikkelt zich bij uitstek in de groep zelf. De sector zelf heeft als geen ander inzicht in de verschillende modaliteiten binnen de sector, (ongeschreven) sectorspecifieke en functiespecifieke normen, waarden en standaarden die (behoren te) gelden. Hiermee wordt ook de betrokkenheid van de verzekeraars (en hun medewerkers) bevorderd en daarmee de effectiviteit van het stelsel als geheel. Dit is ook in overeenstemming met één van de uitgangspunten van wetgevingsbeleid dat bij het bepalen van overheidsinterventie zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het zelfregulerend vermogen van de betrokken sector.7 Het wordt van belang geacht dat deze wetgeving niet alleen betrekking heeft op het tuchtrecht rond de afhandeling van letselschade, maar op al het tuchtrecht waaraan verzekeraars zich (in den brede) hebben gecommitteerd. Dit draagt bij aan het vergroten van het vertrouwen in de verzekeringsbranche als geheel.

 
[1] Langlopende Letselschadezaken. Een empirisch-juridisch onderzoek naar kenmerken van letselschadezaken die niet binnen twee jaar zijn afgesloten, Utrecht Centre for Accountability and Liability Law, 10 juli 2020 (hierna: onderzoeksrapport Langlopende Letselschadezaken).
[2] Kamerstukken II 2020/21, 33552, nr. 68.
[3] Onderzoeksrapport Langlopende Letselschadezaken, p. 10-11, 77, 178-179.
[4] Onderzoeksrapport Langlopende Letselschadezaken, p. 11, 126, 157, 164.
[5] Zie Kamerstukken II 2020/21, 33552, nr. 68 en Kamerstukken II 2020/21, 33552, nr. 84.
[6] Zie de motie van het lid Kuiken c.s. met het verzoek aan het kabinet om te zorgen voor wettelijk verankerd non-hiërarchisch tuchtrecht en een tuchtraad voor alle professionals betrokken bij het afhandelen van letselschadezaken (Kamerstukken II 2020/21, 33552, nr. 77).

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Procesrecht, rechtspraak | Tags: , , | Plaats een reactie

Wwft-uitzondering kansspelsector

Tijdens de parlementaire behandeling van de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022 werd gevraagd waarom niet alle kansspelaanbieders onder de Wwft vallen.
Het antwoord luidde:

Artikel XXXVIII
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom niet alle aanbieders van kansspelen, of in ieder geval alle aanbieders van risicovolle kansspelen onder het bereik van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) vallen. Voorts vragen zij hoe dit in de praktijk werkt voor aanbieders die zowel online, als offline kansspelen aanbieden. Alle aanbieders van kansspelen, zo beantwoord ik de vraag van deze leden, vallen onder het bereik van de Wwft. Indachtig de Wwft kan echter aan aanbieders van kansspelen, uitgezonderd speelcasino’s en aanbieders van online kansspelen, met een bewezen laag risico op witwassen en terrorismefinanciering vrijstelling worden verleend. Ten aanzien van een aantal niet op voorhand van de Wwft uitgezonderde kansspelaanbieders, waaronder loterijen, de totalisator en speelhallen, zijn een quick scan en een nader onderzoek verricht naar risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij deze groepen. In beide onderzoeken is voor de loterijen en de totalisator en overige deelsectoren geconcludeerd dat het risico op witwassen en terrorismefinanciering als laag kan worden beoordeeld. Daardoor voldoen zij aan de gestelde eis in artikel 1b, eerste lid, van de Wwft en zijn zij vrijgesteld van de verplichtingen van de Wwft. Alleen bij de deelsector speelhallen is in het nader onderzoek het witwasrisico niet als laag beoordeeld. Bij brief van 27 januari 2021 is uw Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31477, nr. 55). In diezelfde brief is uw Kamer geïnformeerd over het besluit van de toenmalige ministers van Financiën en van Justitie en Veiligheid om de, op de quick scan gebaseerde, vrijstelling van het toepassingsbereik van de Wwft ook voor speelhallen te continueren. Dit besluit is genomen omdat er voldoende mitigerende maatregelen zijn en worden getroffen om de belangrijkste witwasrisico’s in die deelsector effectief te kunnen beheersen. Het witwasrisico voor deze deelsector is daarmee ook als laag beoordeeld. Voor aanbieders die zowel online als offline kansspelen aanbieden is de praktijk dat Holland Casino aanbod heeft dat voor beide categorieën onder de Wwft valt. Overige kansspelaanbieders met zowel offline als online aanbod vallen met hun online aanbod, ongeacht de aard ervan, onder de Wwft. Op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de Wwft wordt toezicht gehouden door de Kansspelautoriteit (hierna: Ksa). De Ksa houdt ook toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door vergunde kansspelaanbieders en treedt op tegen illegale kansspelaanbieders.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , | Plaats een reactie

De not-for-profit bezwijkt onder de witwasbestrijding | Wwft

Terwijl iedereen in de not-for-profit last heeft van onnodige en disproportionele antiwitwasregels zoals deze door de Kamer van Koophandel en door Wwft-plichtigen zoals banken worden uitgevoerd, doet de minister van Financiën in antwoorden op vragen uit de Tweede Kamer alsof er niets aan de hand is. Voorbeeld is het antwoord op de vragen naar aanleiding van de uitzending «Verenigingen bezwijken onder strenge regels».

Enige uitleg waarom de witwasbestrijding tot excessen (zoals sluiten van bankrekeningen) leidt en welk nut het heeft om statutair bestuurders als ‘uiteindelijk belanghebbende’ (ubo) van de stichting of vereniging te registreren ontbreekt. De minister zegt niet meer dan:

Op 27 september 2020 is het UBO-register in werking getreden. Dit register is onderdeel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en volgt uit de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn. Juridische entiteiten, waaronder verenigingen, moeten hierin hun uiteindelijk belanghebbenden registreren. Juridische entiteiten die reeds voor 27 september 2020 bestonden hebben daarvoor een periode van 18 maanden gehad, tot 27 maart 2022.

De desinteresse is ontluisterend.

 

Luister naar de podcast over regeldruk in de not-for-profit waaraan ik vorige maand meewerkte.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Not-for-profit | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie