Privacy First gaat aan de slag met de data delende auto | AVG, cybersecurity, privacy

Privacy First maakte bekend dat zij duikt in de wereld van connected cars. De nieuwe ‘slimme’ auto’s zijn computers op wielen, waarover Privacy First schrijft:

Inmiddels zijn we decennia verder en lijken auto’s met name onderhuids nog maar weinig op hun voorgangers. Nieuwe exemplaren zijn vaak elektrisch en beschikken over allerlei rijhulpsystemen (Advanced Driver-Assistance Systems), waarvan er om veiligheidsredenen inmiddels een flink aantal door de EU verplicht is gesteld. Denk aan noodremsystemen, rijbaanassistentie en automatische snelheidsbeperking.

Autotechniek schrijdt logischerwijs voort, maar er is één ontwikkeling in het bijzonder die ten aanzien van autogebruik en mobiliteit zorgt voor radicale verandering: verbinding met het internet. Alle modellen die nu worden gefabriceerd, zijn voorzien van een simkaart en staan te boek als ‘connected’. Het aantal ‘connected cars’ groeit gestaag: in de meeste (Westerse) landen zullen ze binnen enkele jaren in de meerderheid zijn. Dat levert een schat aan nieuwe mogelijkheden op.

Als het aan fabrikanten en overheden ligt worden voertuigen een integraal onderdeel van het Internet of Things. Binnen dat internet der dingen, dat volop in ontwikkeling is, wisselt een oneindig aantal objecten, apparaten en systemen gegevens met elkaar uit. Connected cars staan in verbinding met elkaar (Vehicle-to-Vehicle, V2V), hier en daar al met infrastructuur zoals stoplichten (Vehicle-to-Infrastructure, V2I) en op den duur, zo is de bedoeling, al het andere waarmee een connectie wenselijk of noodzakelijk is (Vehicle-to-Everything, V2X). Dat kunnen ook de smartphones of smartwatches van voetgangers zijn (Vehicle-to-Pedestrians, V2P).

Dergelijke vormen van communicatie moeten van steden slim-opererende omgevingen maken (smart cities). Connected cars moeten daarnaast zorgen voor meer verkeersveiligheid, efficiëntere routes, minder files, zuiniger rijden en trivialer zaken zoals het makkelijker kunnen vinden van een parkeerplaats. Comfort, gebruiksgemak en efficiëntie voeren de boventoon, maar voor de automobilist is er ook een keerzijde.  

Grote hoeveelheden data die moderne auto’s genereren (tot wel 25Gb per uur) worden regelrecht of via een tussenpartij teruggestuurd naar de fabrikant, zij het soms met enige vertraging. Connected cars, ook wel smart cars genoemd, staan namelijk eerst en vooral in contact met wat vaak wordt aangeduid als de Original Equipment Manufacturers (‘OEMs’). Dat gebeurt met het oog op het monitoren van prestaties, (voorspelbaar) onderhoud, software-updates (steeds vaker over the air) en algehele productverbetering.

Het gaat echter niet alleen om technische data zoals oliepeil, motortemperatuur, brandstofverbruik, en kilometerstand, óók persoonsgegevens (personally identifiable information, PII) worden verzameld. In veel gevallen is dat niet zozeer uit noodzaak, als wel om commerciële redenen. Lang niet iedere automobilist is hiervan op de hoogte. De door autofabrikanten ontwikkelde telefoonapps om op de hoogte te blijven van de algehele status van een auto, blijken eveneens meer persoonlijke data te verzamelen dan nodig. Daarmee is de auto het zoveelste instrument geworden dat de privacy van honderden miljoenen mensen onder druk zet. De beeldspraak is inmiddels wat afgezaagd, maar de nieuwste auto’s kan je met recht smartphones op wielen noemen. 

Voorkeurinstellingen, rijgedrag, routes, GPS-locaties, bestemmingen, tijdstippen, camerabeelden van binnen en buiten de auto, allerlei gevoelige informatie uit je telefoon die is aangesloten op de boordcomputer evenals bijvoorbeeld gezondheids- en biometrische gegevens kunnen immers allemaal worden bijgehouden en verzameld.

Dergelijke informatie is waardevol en daarom gewild. In algemene zin geldt: hoe meer relevante voertuigdata, hoe groter winsten van fabrikanten in potentie kunnen uitvallen. Consultancybedrijf Capgemini schat dat de markt van voertuigdata in 2030 wereldwijd tot wel 800 miljard dollar waard kan zijn. Naar verwachting levert de vergaarde data over enkele jaren meer op dan regulier onderhoud. Het zijn echter niet alleen de automerken die op voertuigdata azen.

De fabrikanten worden omringd door een web van toeleveranciers en bedrijven gespecialiseerd in software, infotainment, telematics, telecommunicatie en dataverwerking en -analyse. Ook importeurs, dealers, secundaire marktpartijen zoals garagehouders (de aftermarket), verhuurbedrijven en bijvoorbeeld verzekeraars maken onderdeel uit van dit ecosysteem. Deze partijen werken samen, zijn van elkaar afhankelijk maar zijn met tegengestelde belangen soms ook met elkaar in concurrentie. Gemene deler is dat iedereen een graantje wil meepikken van de lucratieve (persoons)gegevens die voertuigen genereren.

Over dit thema is Privacy First een project gestart, waarmee ze meer inzicht willen krijgen in de machtsverhoudingen en de praktijk van de grootschalige dataververgaring door de auto-industrie en de ‘nieuwe’ verdienmodellen die ontstaan.

In het uitvoerige artikel wordt beschreven dat het onderwerp al in de aandacht staat en dat de AVG-risico’s (onder meer privacy, gegevensbescherming) groot zijn.

Privacy First besluit met te melden dat zij zich zullen concentreren op de vraagstukken die ontstaan door het ‘connected’ zijn van auto’s. Daarover zullen zijn op een speciale pagina publiceren.

Security.nl schreef over het project en maakte melding van recent ontdekte beveiligingsproblemen:

Vorige week lieten beveiligingsonderzoekers nog zien hoe auto’s van Kia, Honda, Infiniti, Nissan en Acura alleen met behulp van een VIN-nummer op afstand zijn te openen en starten. Verder ontdekten de onderzoekers andere kwetsbaarheden waardoor het mogelijk was om gegevens van eigenaren van Toyota, Ford, Jaguar, Land Rover en Porsche te achterhalen.

 


Aanvulling 18 april 2024
Zie ook Cory Doctorow die schreef: Your car spies on you and rats you out to insurance companies.

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Verbetering van de wetgevingskwaliteit, wanneer worden de goede voornemens in handelen omgezet?

Vandaag vestigde ik de aandacht op het onuitvoerbare wetsvoorstel inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, een en ander terwijl uitvoerbaarheid een eis van wetgevingskwaliteit is.

Raad van State is bezorgd
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft zorgen over de wetgevingskwaliteit en stuurde in april 2021 een brief aan de (toen) demissionair minister-president, met de volgende aanbevelingen:

  • Maak de departementaal belegde verantwoordelijkheid voor het wetgevingsproces waar
  • Maak nieuw wetgevingsbeleid
  • Geef uitvoeringsorganisaties een eigen rol en plaats in het wetgevingsproces
  • Beschrijf in het regeerakkoord de ‘wat’-vraag en niet de ‘hoe’-vraag
  • Het is dringend gewenst dat het parlement als medewetgever meer tijd en aandacht besteden aan het behandelen van wetsvoorstellen en de gevolgen daarvan voor de uitvoering

Brief 16 december 2022
Recent schreef de minister van Rechtsbescherming een brief aan de Tweede Kamer over de ‘Staat van de wetgevingskwaliteit’. Daarin worden de eisen die aan regels moeten worden gesteld als volgt samengevat (markering door mij):

Al vele jaren is het wetgevingskwaliteitsbeleid erop gericht te verzekeren dat wetgeving rechtmatig, doelmatig en doeltreffend is en dat rechtsbeginselen worden verwerkelijkt. Wetgeving moet beantwoorden aan de vereisten van subsidiariteit en evenredigheid en uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Er wordt gestreefd naar samenhang in en afstemming tussen wetgevingsfamilies. Ook moet de wetgeving eenvoudig, duidelijk en toegankelijk zijn. In het coalitieakkoord is bovendien benadrukt dat wetgeving rekening moet houden met de menselijke maat.

Het is te hopen dat er in Nederland eindelijk werk wordt gemaakt van wetgevingskwaliteit.

 

Meer informatie:

  • Brief van 16 december 2022 aan de Tweede Kamer de minister van Rechtsbescherming over de ‘Staat van de wetgevingskwaliteit’.
  • Afdeling advisering van de Raad van State, bericht ‘Aan­be­ve­lin­gen om het wet­ge­vings­pro­ces en de wetgevingskwaliteit te be­vor­de­ren‘, brief.

 


Aanvulling 23 januari 2023

Ambtelijke onrust
Lees in verband met wetgevingskwaliteit ook:

In het artikel van 16 januari staat onder meer:

Het effect: bewindspersonen die in korte tijd moeten leveren én zichzelf profileren. Snelheid is volgens de twee zó belangrijk geworden dat het onderzoeken van de risico’s van beleid in het gedrang komt.

Uitvoerbaarheidstoets
Op 20 januari maakte het kabinet bekend: Uitvoerbaarheidstoets helpt overheden bij maken van realistisch beleid.

Uitvoerbaarheidstoets helpt overheden bij maken van realistisch beleid
Nieuwsbericht | 20-01-2023 | 14:45

Ministeries, gemeenten, provincies en waterschappen kunnen vanaf nu gebruik maken van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) om vooraf te toetsen of nieuwe beleidsplannen en wetsvoorstellen uitvoerbaar zijn door decentrale overheden. Dit moet hen helpen bij het maken van realistisch beleid voor de aanpak van maatschappelijke opgaven. De UDO is een van de onderdelen van de Actieagenda Sterk Bestuur, die minister Bruins Slot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Minister Bruins Slot: “Geen overheid kan de grote opgaven van deze tijd in haar eentje het hoofd bieden. Dat moeten we samen doen: Rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen. Maar beleidsplannen en wetten kunnen nog zo goed bedoeld zijn, ze zijn weinig waard als ze niet uitvoerbaar blijken. Met de Actieagenda Sterk Bestuur leggen wij als overheden duidelijker vast wie wat doet, en richten we ons op plannen die haalbaar zijn.”

De Actieagenda bevat meerdere onderdelen die gericht zijn op het verbeteren van de samenwerking tussen Rijksoverheid en de decentrale overheden. Het bevat een geactualiseerde versie van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen, waarin de overheden vastleggen hoe ze samenwerken. In het ontwikkelen van beleid helpt een nog op te zetten beleidskader decentraal bestuur bij het bepalen van welke overheid welke taak op zich neemt.

Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden
Als een ministerie beleid maakt dat decentrale overheden raakt, helpt de UDO bij het vormgeven van dat proces. Het gaat daarbij om vragen over uitvoerbaarheid: hoe kunnen gemeenten, provincies en/of waterschappen dit beleid goed uitvoeren? Sluit de taak aan op hun bestaande takenpakket en hun deskundigheid? En krijgen ze er genoeg middelen voor van de Rijksoverheid?

Het doel van de UDO is om ervoor te zorgen dat elk ministerie deze stappen tijdig, zorgvuldig en samen met de relevante medeoverheden doorloopt.

Code Interbestuurlijke Verhoudingen
De Code Interbestuurlijke Verhoudingen van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en het Rijk legt vast hoe overheden samenwerken. Bijvoorbeeld: als er op Europees niveau beleid wordt ontwikkeld dat effect heeft op gemeenten, is de afspraak dat de Rijksoverheid de gemeentes daarbij betrekt. Waar de oude Code eerder afbakende welke overheid wat moest doen, is de nieuwe code meer gericht op samenwerking bij het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. Waarbij elke overheidslaag bijdraagt waar dat nodig is.

Documenten

Kamerbrief over actieagenda Sterk Bestuur
Minister Bruins Slot (BZK) informeert de Tweede Kamer over de actieagenda Sterk Bestuur. Eenzelfde brief is naar de Eerste Kamer …
Kamerstuk: Kamerbrief | 20-01-2023

Er wordt verwezen naar een brief van de minister. Bij deze brief horen een groot aantal bijlagen:

Code Interbestuurlijke Verhoudingen
De Code Interbestuurlijke Verhoudingen bevat afspraken die bijdragen aan een goed samenspel tussen overheden, waarin zij hun …
Rapport | 20-01-2023

Handleiding Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden
De handleiding voor de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) bevat een gezamenlijk proces voor Rijk en koepels waarbij …
Rapport | 20-01-2023

Normenkader Interbestuurlijke verhoudingen
Het kader bevat normen voor Interbestuurlijke Verhoudingen en vormt het toetsingskader voor de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale …
Rapport | 20-01-2023

Regionale samenwerking en gemeenteraden
Een samenvattend onderzoek naar de legitimiteit, effectiviteit en doelmatigheid van regionale samenwerkingsverbanden.
Rapport | 30-09-2022

Eindrapportage Regio Deal Lab Governance 2019-2022
Deze 3e rapportage vormt de eindrapportage van het traject gericht op de governance van de Regio Deals en identificeert en …
Rapport | 05-08-2022

Eindverslag Dialoogsessies Beleidskader Decentraal Bestuur
Eindverslag op basis van 5 dialoogsessies decentraal bestuur. In de sessies werd met aanwezigen over de mogelijke meerwaarde en …
Rapport | 15-07-2022

Beslisnota bij Kamerbrief over actieagenda Sterk Bestuur
In een beslisnota staat achtergrondinformatie die bewindspersonen gebruiken bij de besluitvorming over een Kamerstuk.
Beleidsnota | 20-01-2023

 

Het zal me benieuwen of de ministeries van Financiën en Veiligheid, verantwoordelijk voor de onuitvoerbare witwasbestrijdingsregels, zich hier iets van aan trekken.

Ambtseed
Op 20 januari verscheen een bericht over de nieuwe ambtseed, met kop die suggereert dat ambtenaren dit niet doen: Ambtseed rijksambtenaren wijzigt: meer nadruk op werken in het algemeen belang voor onze samenleving.

 

Aanvulling 2 februari 2023

Zie op digitale overheid het bericht Complexiteit probleem bij publieke dienstverlening.

Op 1 februari 2023 verscheen het antwoord op kamervragen: Antwoord op vragen van het lid Leijten over de brandbrief van 50 topambtenaren over de verhouding tussen politiek en ambtenarij.

 

Aanvulling 12 april 2023

In het NRC verscheen het door Guus Valk geschreven artikel: ‘Den Haag begrijpt niet hoe keuzes lokaal doorwerken, ziet de burgemeester. Dit zijn zes bestuurlijke lessen‘

Geplaatst in Grondrechten | Tags: , , , | 2 reacties

Een wetsvoorstel over maatschappelijk ondernemen waarvoor de indienende leden van de Tweede Kamer zich moeten schamen

Vandaag vindt een rondetafelgesprek plaats over een initiatiefwetsvoorstel waarvoor de indieners, Van der Graaf, Jasper van Dijk, Thijssen, Van der Lee, Koekkoek en Hammelburg, zich diep moeten schamen omdat het onuitvoerbaar is. Het betreft het voorstel voor de ‘Wet verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen‘. Goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels!

De voorgestelde verplichtingen voor mkb-ondernemingen zijn al onmogelijk, daar schreef ik al over, en van het grootbedrijf wordt nog meer verwacht.

Het rondetafelgesprek is gepland van 10 tot 15 uur. Nadere informatie is te vinden op de pagina op de site van de Tweede Kamer.

 

[*] Officieel: “Voorstel van wet van de leden Van der Graaf, Jasper van Dijk, Thijssen, Van der Lee, Koekkoek en Hammelburg houdende regels voor gepaste zorgvuldigheid in waardeketens om schending van mensenrechten en het milieu tegen te gaan bij het bedrijven van buitenlandse handel (Wet verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen)”.

Geplaatst in Grondrechten, Handelsrecht, Internationale handel | Tags: , , | Plaats een reactie

European Digital Rights and Principles

On 15 December 2022 the European Declaration on Digital Rights and Principles was signed, read the press release.

It will  be interesting to see whether the new European anti-money laundering (AML) rules as proposed in the AML Package comply with these principles.

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Damiaan Denys over de zieke westerse mens en over technologische controle illusies

Vandaag weer een podcast aanbeveling, dit keer het interview met Damiaan Denys (filosoof/psychiater) op BNR door Art Rooijakkers.

Op de vraag wat zijn eigen grootste angst is, antwoordt Denys: ‘angst voor ambtenaren’. Zodra hij een ambtelijke brief ontvangt maakt hij zich zorgen te worden vermalen in ambtelijke systemen. (Hij zal er als bestuurder in de zorg de nodige niet-prettige ervaringen mee hebben.)

Het is een horenswaardig interview.

Geplaatst in Grondrechten | Tags: | Plaats een reactie

“Ook zelfcensuur vormt een bedreiging voor de democratie”

Onder de titel “Ook zelfcensuur vormt een bedreiging voor de democratie” sprak filosoof Ad Verbrugge met rechtsfilosoof Christiaan Alting von Geusau over de onderdrukking van wetenschappelijke tegenspraak in de coronaperiode en over de ‘Twitter Files’.

De podcasts zijn hier te vinden, er is onder meer een audiopodcast (Apple).

Geplaatst in Grondrechten | Tags: , , , | Plaats een reactie

Big Brother Awards kandideert overheidsfunctionarissen die zich met criminaliteitsbestrijding bezig houden | Bits of Freedom

Bits of Freedom heeft de kandidaten voor de Big Brother Awards 2022 bekend gemaakt, kijk hier (ook stemmen) of beluister de podcast, via deze pagina te vinden.

De criminaliteitsbestrijding speelt een hoofdrol bij de kandidaten, die opvallend genoeg allen vrouw zijn:

    • Grenzeloze datahonger geheime diensten en afbreken van het toezicht op de diensten – Bruins Slot, minister BZK
    • Bestrijding jeugdcriminaliteit: onzorgvuldige inmenging in de levens van kinderen en jongvolwassenen in Amsterdam (Top400) – Halsema, de burgemeester van Amsterdam.
    • Bestrijding kindermisbruik: voorstel Europese Commissie tot opheffing vertrouwelijke onderlinge communicatie (‘chatcontrol’ ) – waarvoor eurocommissaris Johansson verantwoordelijk is
    • Bestrijding radicalisering e.d.: voorstel om de illegale praktijken van de Nationale Coördinator Terrorisme­bestrijding en Veiligheid (NCTV) te legaliseren – minister van Veiligheid Yeşilgöz-Zegerius.

Een toelichting op deze kandidatuur is in het rapport van Bits of Freedom (pdf) te vinden. De uitreiking vindt plaats tijdens een evenement op 13 februari a.s.

Geplaatst in Europa, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Strafrecht | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Betaalvereniging doet mee aan Europese consultatie over instant payments

De Betaalvereniging laat weten te hebben mee gedaan aan een consultatie over Europese plannen inzake instant payments, iets wat in Nederland al bestaat (uitleg Betaalvereniging). Uit het het bericht blijkt dat de vereniging kritiek op de voorstellen heeft:

In de voorstellen van de EC staan onder meer complexe eisen voor het aanbieden van zogeheten ‘bevestiging van begunstigde’ (confirmation of payee) bij Instant Payments, als maatregel tegen vergissingen, fraude en witwassen. In Nederland kennen we dat als de IBAN-Naam Check (naam-nummercontrole). De meeste Nederlandse banken bieden dit sinds 2017 standaard aan bij enkelvoudige digitale overboekingen, al dan niet ‘instant’.

De voorstellen van de EC lijken onnodig veel ruimte te bieden voor het omzeilen of weigeren van deze controle door betalers en begunstigden, waardoor de effectiviteit in gevaar komt. Bovendien kunnen de voorstellen van de EC onnodige extra drempels opwerpen bij e-commerce en aan de toonbank. Dat kan leiden tot vertraging bij de brede uitrol van Instant Payments en bij het ontwikkelen van nieuwe betaaltoepassingen. Op grond van ruim vijf jaar grootschalige ervaring met de IBAN-Naam Check wijzen de Betaalvereniging en haar leden de EC op mogelijkheden om deze controle eenvoudig, laagdrempelig en veilig aan te bieden. Daarbij hoeft geen afbreuk te worden gedaan aan de privacy van consumenten en de zakelijke belangen van retail-ondernemers.

Lees de volledige reactie van de Betaalvereniging en haar leden op de voorstellen voor wet- en regelgeving van de EC rond Instant Payments…

 


Aanvulling 28 november 2023
Europa is druk bezig met de regels over instant payments. Zie bij het Expertisecentrum Europees Recht (ECER) Politiek akkoord bereikt over voorstel voor instantbetalingen, dat verwijst naar een mededeling van de Europese Commissie van 8 november, met onder meer Commission welcomes political agreement on euro instant payments.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt | Tags: , , , | Plaats een reactie

De Haagse beleidsmakers zijn het contact met de burger kwijt | scheidend president Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman

Het kabinet kreeg rond de jaarwisseling forse kritiek van mensen betrokken bij belangrijke overheidsadviseurs.

Arno Visser, die eind december afscheid nam als president van de Algemene Rekenkamer had niet alleen financiële kritiek, aldus een bericht op accountant.nl (dat verwijst naar een interview in EW):

Visser hekelt dan ook de vele “beleidsmakers” in Den Haag. “Je kunt helemaal geen beleid ‘maken’. Je maakt alleen papier. Iedereen die beleid maakt, gaat elke dag naar kantoor om papier te maken. En nog meer papier. Van die wereld moeten we ook af. Van die schijnwereld waarin we elkaar gevangen houden. In stukken, modellen, schema’s, stroomschema’s, financieringssystemen, bekostigingssystemen… in constructies. Beleidsconstructies.”

De Nationale Ombudsman, Reinier van Zutphen, liet in een interview met De Telegraaf (zie artikel Kassa) weten: “Overheid faalt en komt beloftes niet na” en:

Van Zutphen: zorgen over blijvend wantrouwen in de overheid
Voor het komende jaar maakt hij zich de meeste zorgen over dat mensen de overheid blijven wantrouwen. “Snap ik ook na alle ellende die ze heeft veroorzaakt. Ze ervaren dat de overheid echt tegenover hen zit in plaats van naast hen. Het is een slechte ontwikkeling.”

Technocratische utopieën
Lees in verband met het Nederlandse overheidsoptreden ook het artikel over psycholoog Desmet die zich zorgen maakt over het mechanistische en technische wereldbeeld van de westerse mens, die leidt tot een overheid die mechanistisch en technisch handelt. Hij vindt de technocratische utopieën van de westerse overheden gevaarlijk. (Ik moet dan meteen aan de witwasbestrijdingsconcepten denken.)

Desmet wordt ook geciteerd over het onderwerp nepnieuws, dat de Nederlandse en Europese overheid zo bezig houdt:

Het is wel belangrijk om het even over complotten te hebben, zegt Desmet. ‘Er zijn namelijk complotten in de wereld. Wie nog steeds denkt dat onze geheime diensten niets illegaals doen, moet zijn hoofd nodig in een bak koud water steken. Net als Noam Chomsky zeg ik: er worden zaken bedisseld achter de schermen, maar, let op: hun invloed op het wereldgebeuren is beperkt.’ Dit is alleen heel lastig voor veel mensen, en daarom gebeurt er in de groep die niet meegaat met het dominante narratief iets bijzonders: ‘Er gebeurt een vergelijkbaar proces als bij massavorming. Ze zien dat de grote groep heel zwart-wit gaat denken, en ze denken dat te kunnen verklaren met zwart-witschema’s die eveneens simplistisch zijn. Dat maakt het mentaal gemakkelijk en zorgt dat je alle kwaad netjes in één punt kunt situeren, in een kwaadaardige elite. Maar zo gemakkelijk is het niet.

Desinformatiebrief kabinet
Dat brengt me bij de desinformatiebrief die de minister van Binnenlandse Zaken op 23 december jl. aan de Tweede Kamer stuurde en waarin een reflectie op het eigen (overheids)optreden volledig ontbreekt.

In de brief wordt een bijzondere definitie van desinformatie gehanteerd, zie de eerste voetnoot, één van de kenmerken is volgens de minister “de intentie om te misleiden en te schaden” [1]. Voorts kent de brief het begrip ‘misinformatie’, waaraan dat kenmerk ontbreekt. Echter, misinformatie kan ook schadelijke effecten hebben, aldus de minister.

Het vervelende is echter, dat de overheid zelf ook onjuiste informatie verspreidt. Een pregnant buitenlands voorbeeld was de vorige Amerikaanse president. Maar ook de Nederlandse overheid heeft zich aan misinformatie schuldig aan gemaakt, waarbij aangenomen mag worden dat dit niet is gebeurd met de bedoeling schade toe te brengen.

Protest tegen corona = complotdenken
Zorgelijk is dat de minister in een alinea over complottheorieën komt met de protesten tegen corona als voorbeeld [2]:

Dat is onjuist, mensen die bezwaar hebben tegen de coronamaatregelen of tegen vaccinatie hoeven geen complotdenkers te zijn. Ze kunnen aarzelingen hebben over de juistheid van overheidsmaatregelen, waar alle aanleiding voor was en is. Het is gevaarlijk om deze gemengde groep critici als complotdenkers af te schilderen.

Anti-overheidssentiment
In de brief wordt gesproken over een anti-overheidssentiment, dat door extremisten wordt aangewakkerd. De minister zwijgt over het feit dat die anti-overheidsextremisten gebruik maken van het onbegrip en het wantrouwen dat de overheid zelf heeft veroorzaakt en waarover ik Arno Visser en Reinier van Zutphen hierboven citeerde.

Technologie als gevaar voor de mens
Voorts wordt gemeld dat desinformatie/misinformatie snel wordt verspreid via technologische middelen. Dat is natuurlijk zo [3]. Maar die technologische middelen zijn nog op veel meer manieren schadelijk. Bijvoorbeeld door de diefstal van persoonsgegevens die op dit moment plaats vindt, de malafide praktijken van advertentiebedrijven als Facebook/Meta en Google en de desastreuze invloed die digitale hulpmiddelen op de mentale gezondheid hebben. Intussen is het kabinet een techgelovige als het goed uitkomt (zoals in de witwasbestrijding en bij de steun voor handel in financiële persoonsgegevens via ‘open finance’).
Wat mij betreft zijn de problemen van des-/misinformatie beperkt als je het afzet tegen alle andere risico’s die nieuwe technologieën opleveren voor de burger.

Lerend vermogen
Het zou het kabinet sieren als werd erkend dat er door de overheid ernstige fouten zijn gemaakt die hebben geleid tot verlies aan vertrouwen. Dat betekent ook dat het kabinet er alert op moet zijn om mensen met inhoudelijke kritiek niet als complotdenkers weg te zetten.

 

NB In de brief speelt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) een prominente rol, deze organisatie heeft zich ernstig misdragen (artikel), maar in plaats van maatregelen te nemen tegen de misdragingen, wil men de foute gedragingen legaliseren…

 

Noten
[1] De definitie volgens de voetnoot: “Desinformatie is (onafhankelijk van de inhoud, producent/verspreider of wijze van verspreiding), het doelbewust, veelal heimelijk, verspreiden van misleidende informatie, met het doel om schade toe te brengen aan het publieke debat, democratische processen, de open en kenniseconomie of volksgezondheid. Daarmee kan het de nationale veiligheid raken. Het is een vorm van schadelijk, maar vaak legaal, gedrag. Desinformatie hoeft niet altijd onjuiste informatie te bevatten. Het kan een combinatie zijn van feitelijke, onjuiste of deels onjuiste informatie, maar altijd met de intentie om te misleiden en te schaden“.
[2] Zie pagina 3, tweede alinea.
[3] De overheid gebruikt het internet voor marketing doeleinden waarbij de politieke doelen soms belangrijker zijn dan juiste informatie voor burgers en organisaties.

 


Aanvulling 27 februari 2023
Als de overheid criminaliteitsbestrijdingsregels maakt, denkt de overheid dat er door overheidsdienaren geen fouten worden gemaakt. De werkelijkheid is anders.
Voorbeeld: Onterecht veroordeelde wacht al half jaar op excuses van instanties, 21 december 2022.

Geplaatst in Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Nogmaals de navraagplicht | wetsvoorstel plan van aanpak witwassen | Wwft, grondrechten

Aan de ‘navraagplicht’ die het kabinet voorstelt in het wetsvoorstel plan van aanpak witwassen [1] besteedde ik op dit blog al eerder aandacht, onder meer in een inleidend artikel waarin ik aangeef dat die navraagplicht onverstandig is (alle berichten over de navraagplicht staan hier).

 

Inleiding

Vanwege vermeend ‘shopgedrag’ van criminelen moeten alle Wwft-plichtigen (waarom allemaal?) bij hoog risico (zo ruim omschreven dat het bijna altijd moet) navraag doen bij ondernemingen uit dezelfde categorie die de toekomstige klant (prospect) bedienen of hebben bediend.

Degene bij wie navraag wordt gedaan moet antwoord geven als de relatie of transactie korter dan vijf gelegen is geëindigd of heeft plaats gevonden, wat bij langdurige relaties (zoals banken, belastingadviseurs en accountants die vaak hebben) kan betekenen dat informatie over gebeurtenissen van lang geleden moeten worden verstrekt [2]. De memorie van toelichting legt niet uit wat deze lange terugkijkperiode met ‘shoppen’ te maken heeft.

De navraagplicht is een inbreuk op de privacy en de veiligheid van de klant en de vertrouwelijkheidsverplichtingen ten opzichte van de klant, zonder dat in de toelichting op het voorstel een goede onderbouwing is opgenomen. De navraagplicht moet gaan gelden voor alle Wwft-plichtigen, waartoe ook vele soorten ondernemingen behoren die niet over diepgaande juridische kennis beschikken en die niet onder toezicht staan.

Gevreesd moet worden dat de navraagplicht een idee is van mensen van de opsporing, die helaas niet altijd goede kennis van de ondernemingen hebben die de Wwft moeten uitvoeren; dat is onder meer te zien aan de publicaties van het Anti Money Laundering Centre (AMLC) waarin ernstige fouten voorkomen (voorbeelden 1, 2, 3  [3]).

Mijn verwachting is dat deze verplichting onder meer leidt tot hoge kosten, tot risico’s op het gebied van vertrouwelijkheid en veiligheid en allerlei andere nadelen heeft, dat alles terwijl een rechtvaardiging op het gebied van betere misdaadbestrijding ontbreekt.

In mijn eerdere artikel gaf ik al aan dat een behoorlijke onderbouwing van dit voorstel ontbreekt en dat het praktisch onuitvoerbaar is. Daar ga ik hier niet verder op in. In dit artikel maak ik enige aanvullende juridische aantekeningen bij het voorstel.

 

Tekstvoorstel

De tekst van het voorstel (vindplaats) luidt als volgt (‘instelling’ = Wwft-plichtige):

Na artikel 3a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3b

1. Een instelling neemt redelijke maatregelen om te onderzoeken of een andere instelling van dezelfde categorie als bedoeld in artikel 1a diensten verleent, heeft verleend of heeft geweigerd aan de cliënt indien:
a. de zakelijke relatie of transactie naar haar aard indicaties van een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengt;
b. de risicofactoren, bedoeld in bijlage III bij de vierde anti-witwasrichtlijn, van toepassing zijn; of
c. de instelling het cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 8 verricht.

2. Indien een andere instelling diensten verleent, heeft verleend of heeft geweigerd aan de cliënt, doet de instelling bij die andere instelling navraag naar geïdentificeerde risico’s op witwassen of het financieren van terrorisme.

3. Bij het doen van navraag als bedoeld in het tweede lid verstrekt de verzoekende instelling de documenten en gegevens ter identificatie van de cliënt:
a. als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, indien de cliënt van de verzoekende instelling een natuurlijke persoon is;
b. als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, 2° en 3°, indien de cliënt van de verzoekende instelling een vennootschap of andere juridische entiteit is.

4. Een instelling die een verzoek ontvangt als bedoeld in het tweede lid, informeert de verzoekende instelling onverwijld over de geïdentificeerde risico’s op witwassen of het financieren van terrorisme die hebben geleid tot het nemen van maatregelen om deze risico’s te beheersen, waaronder in ieder geval wordt begrepen het weigeren of beëindigen van dienstverlening.

5. Een instelling verstrekt, alvorens een zakelijke relatie aan te gaan, informatie aan een cliënt over de krachtens dit artikel op de instelling rustende verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van informatie aan een andere instelling.

6. In aanvulling op het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, zich beperkt tot specifieke instellingen binnen een afzonderlijke categorie als bedoeld in artikel 1a, of dat de onderzoeksplicht zich tevens uitstrekt tot instellingen van verschillende categorieën als bedoeld in artikel 1a, met uitzondering van instellingen bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdelen c en d.

7. Ten behoeve van de naleving van de in dit artikel opgenomen verplichtingen, zijn de instellingen, bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdeel c, niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 11a van de Advocatenwet en zijn de instellingen, bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdeel d, niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht in artikel 22 van de Wet op het notarisambt.

 

Opmerkingen bij de tekst

 

Wanneer is er een verplichting en wat houdt het onderzoek in (lid 1)

Opvallend aan de tekst van lid 1 is dat van het onderzoek van de Wwft-plichtige niet het onmogelijke wordt verwacht (“neemt redelijke maatregelen om te onderzoeken“) maar dat de onderzoeksplicht zeer snel aanwezig is, ook in situaties die geen hoog risico zijn. Dat is een gevolg van onderdelen b. en c. van lid 1.

(Ad b.) Ten onrechte wordt hiermee voorgeschreven dat de risicofactoren van bijlage III AMLD4 [4] per definitie leiden tot hoog risico (terwijl de bedoeling van de bijlage alleen is de mee te nemen factoren te benoemen, zie ook artikel 8 lid 2 Wwft, “Een instelling houdt ten minste rekening met de risicofactoren”).

(Ad c.) De verwijzing naar artikel 8 Wwft heeft hetzelfde ongewenste gevolg, namelijk dat er navraag moet worden gedaan in situaties waarin feitelijk geen sprake is van hoog risico.
Voorbeeld: het feit dat de klant een PEP is (bijvoorbeeld de ouder van een lid van de Tweede Kamer) heeft wel tot gevolg dat die ouder tot ‘hoog risico’ wordt bestempeld, maar betekent nog niet dat dit in werkelijkheid het geval is (ik vermoed dat 99% van de ouders van leden van de Tweede Kamer nette burgers zijn). Ander voorbeeld: iemand die lid is van een bestuur waarvan een primaire PEP [5] deel uitmaakt, is een ‘naaste geassocieerde’ en daarmee zelf ook een PEP en dus per definitie hoog risico, terwijl dat helemaal niet het geval hoeft te zijn.

Naar mijn mening is het in strijd met fundamentele grondrechten (Handvest, AVG, EVRM) dat navraag moet worden gedaan in situaties die volgens de beoordeling van de Wwft-plichtige feitelijk geen hoog risico zijn. Het is al erg genoeg dat de Wwft-plichtige op formele gronden (zoals bij ouders van primaire PEPs) verscherpt cliëntenonderzoek moet doen.

Als de navraagplicht zou worden gehandhaafd (maar ik ben er een tegenstander van), dan moet in lid 1 een eigen hoog risico criterium worden opgenomen, die de mogelijkheid van beoordeling door de Wwft-plichtige biedt.

‘een andere instelling van dezelfde categorie’

Aan de vraag wanneer een instelling van dezelfde categorie is, moet ook aandacht worden gegeven, aangezien er ondernemingen van verschillend pluimage kunnen behoren tot één categorie.

Voorbeeld: behoren de ondernemingen van artikel 1a lid 4 sub e Wwft (juridisch adviseurs) [6] tot dezelfde categorie als artikel 1a lid 4 sub c Wwft (advocaten) en artikel 1a lid 4 sub d Wwft (notarissen)? Het lijkt me niet gewenst dat advocaten en notarissen informatie uitwisselen met  niet-gereguleerde beroepsbeoefenaren.

Als het laatste voorstel voor de Europese antiwitwasverordening (7 december 2022) tot wet zou worden, zitten alle juridische beroepsbeoefenaren in één categorie [7]:

(b) notaries, lawyers and other independent legal professionals, where they participate, whether by acting on behalf of and for their client in any financial or real estate transaction, or by assisting in the planning or carrying out of transactions for their client concerning any of the following:
(i) buying and selling of real property or business entities;
(ii) managing of client money, securities or other assets;
(iii) opening or management of bank, savings or securities accounts;
(iv) organisation of contributions necessary for the creation, operation or management of companies;
(v) creation, operation or management of trusts, companies, foundations, or similar structures;

Dat zal bij een navraagplicht tot het ongewenste gevolg leiden dat advocaten navraag moeten doen bij notarissen en vice versa en dat gereguleerde beroepsbeoefenaren navraag moeten doen bij niet gereguleerde beroepsbeoefenaren.

Dit soort problemen kunnen ook bij andere soorten Wwft-plichtigen spelen. Verder kan het tot beperking van de mededinging in bepaalde sectoren leiden. Zo bedienen vier Nederlandse banken bijna alle Nederlandse rekeninghouders.

 

Identificatiegegevens van de cliënt of diens vertegenwoordiger (lid 2)

Opvallend aan deze bepaling is dat de Wwft-plichtige aan degene bij wie navraag wordt gedaan allerlei vertrouwelijke gegevens moet verstrekken, zonder dat blijkt waarom dat in dat stadium nodig zou zijn. Bij prospects die natuurlijke personen zijn moet verstrekt worden [8]:

1°. de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het adres en de woonplaats, dan wel de plaats van vestiging van de cliënt alsmede van degene die namens die natuurlijke persoon optreedt, of een afschrift van het document dat een persoonidentificerend nummer bevat en aan de hand waarvan de verificatie van de identiteit heeft plaatsgevonden;
2°. de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit is geverifieerd;

en bij cliënten die geen natuurlijke persoon zijn moeten niet alleen de juridische basisgegevens worden verstrekt (zoals statutaire naam, de handelsnaam, het adres met huisnummer, de postcode, de plaats van vestiging) maar ook:

van degenen die voor de vennootschap of juridische entiteit bij de instelling optreden: de geslachtsnaam, de voornamen en de geboortedatum

Deze bepaling leidt tot onnodige uitwisseling van persoonsgegevens, immers bij natuurlijke personen die prospect zijn de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het adres en de woonplaats voldoende en bij overige prospects zijn de details van vertegenwoordigers niet nodig aangezien deze [a] in openbare registers te vinden kunnen zijn [b] gewijzigd kunnen zijn.

 

Verschaffing van gegevens door de ‘andere instelling’ (lid 4)

De vraag is wat het informeren over “geïdentificeerde risico’s op witwassen of het financieren van terrorisme” exact inhoudt. Kennelijk wordt in deze bepaling niet gevraagd mee te delen welke maatregelen genomen zijn (dat kunnen allerlei soorten maatregelen zijn, niet alleen diensten weigeren of de relatie beëindigen).

Om te voorkomen dat een schimmenspel buiten de toekomstige klant om ontstaat, lijkt me niet meer dan logisch dat de prospect wordt geïnformeerd over de “geïdentificeerde risico’s” en ook in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze te geven. Dat element ontbreekt niet alleen in deze bepaling; het komt niet voor in de witwasbestrijdingsregelgeving, waarbij nog komt er sprake is van inadequate rechtsbescherming (zie daar over uitvoerig het memo van Privacy First) [9].

In de huidige vorm is dit een maatschappelijk onbetamelijke bepaling.

Dit probleem wordt niet opgelost door middel van lid 5 van het voorgestelde artikel 3b, zie ook hierna.

 

Informatie aan cliënt (lid 5)

Lid 5 wekt de indruk dat de Wwft-plichtige klaar is als hij zijn toekomstige cliënt over de navraag heeft geïnformeerd. Dat is onjuist. Als op grond van artikel 3b persoonsgegevens van anderen dan de cliënt-natuurlijke persoon aan de andere Wwft-plichtige moeten worden verstrekt, is de navrager op grond van de AVG verplicht de betrokkenen te informeren over de voorgenomen navraag. Degene die de informatie aan de navrager verschaft is verplicht om de betrokkene te informeren als hij persoonsgegevens verschaft. Maar dat is niet voldoende.
Hier zou (als de navraagplicht doorgaat) aan moeten worden toegevoegd dat de zowel de prospect als de betrokkenen worden geïnformeerd over de redenen waarom de Wwft-plichtige meent dat navraag moet worden gedaan (dus de redenen dat sprake is van hoog risico als bedoeld in lid 1 van artikel 3b) en dat de informatieverschaffer eveneens mededeling doet aan de prospect en de betrokkenen. Dat zal de kwaliteit van de gegevensuitwisseling ten goede komen en voorkomt slordig onderzoek.

 

Bij amvb aanpassen van de navraagplicht (lid 6)

In lid 6 van het voorstel is niet alleen een beperkingsmogelijkheid opgenomen, waartegen ik geen bezwaar heb (al zal de minister van Financiën er waarschijnlijk niets mee doen).

Zeer ongewenst is dat lid 6 mogelijk maakt dat er buiten de wetgever om ingrijpende beslissingen worden genomen over het cross-sectoraal uitwisselen van gegevens, waarbij het risico aanwezig is dat fundamentele beroepsregels moeten worden geschonden, bijvoorbeeld door advocaten en notarissen. Dit soort beslissingen horen bij de wetgever thuis.

 

Slotopmerking

Het voorstel voor een navraagplicht is ondoordacht en onverstandig, om meerdere redenen. Allereerst is de noodzaak niet aangetoond en zijn geen alternatieven onderzocht. Voorts is niet gebleken dat het nodig of nuttig is voor alle soorten Wwft-plichtigen. Ook op detailniveau zijn er de nodige bezwaren, zoals hierboven aangegeven.

Het is zeer zorgelijk dat het ministerie van Financiën blind is voor de fundamentele rechten van burgers, geen belangstelling heeft voor de geldvretende bureaucratie die de navraagplicht zal veroorzaken en dat men geen oog heeft voor de beperkingen in de mogelijkheden van private ondernemingen om misdaad te bestrijden.

 

—

Noten

[1] Vindplaatsen zijn op deze pagina te vinden.

[2] Zowel de bewaarplicht op grond van de Wwft als de voorgestelde navraagplicht worden gekoppeld aan het eindigen van de zakelijke relatie. Na het eindigen van een zakelijke relatie moet de Wwft-plichtige de op grond van de Wwft verzamelde gegevens nog vijf jaar bewaren.
Voorbeeld: een belastingadviseur heeft een klant bij gestaan van 1990 tot en met 2022. Hij moet de Wwft-gegevens (over de periode van 1990 tot en met 2022) bewaren tot 2027. Als een andere belastingadviseur bij hem navraag doet, zal hij geïdentificeerde risico’s uit 1995 moeten melden.

[3] Voor een betere analyse van wat AMLC publiceert, ontbreekt  me de tijd. De artikelen geven alleen een indicatie.

[4] Annex III bij de vierde Europese anti-witwasrichtlijn (laatste geconsolideerde versie) spreekt over:

ANNEX III

The following is a non-exhaustive list of factors and types of evidence of potentially higher risk referred to in Article 18(3):

(1) Customer risk factors:
(a) the business relationship is conducted in unusual circumstances;
(b) customers that are resident in geographical areas of higher risk as set out in point (3);
(c) legal persons or arrangements that are personal asset-holding vehicles;
(d) companies that have nominee shareholders or shares in bearer form;
(e) businesses that are cash-intensive;
(f) the ownership structure of the company appears unusual or excessively complex given the nature of the company’s business;
(g) customer is a third country national who applies for residence rights or citizenship in the Member State in exchange of capital transfers, purchase of property or government bonds, or investment in corporate entities in that Member State.

(2) Product, service, transaction or delivery channel risk factors:
(a) private banking;
(b) products or transactions that might favour anonymity;
(c) non-face-to-face business relationships or transactions, without certain safeguards, such as electronic identification means, relevant trust services as defined in Regulation (EU) No 910/2014 or any other secure, remote or electronic, identification process regulated, recognised, approved or accepted by the relevant national authorities;
(d) payment received from unknown or unassociated third parties;
(e) new products and new business practices, including new delivery mechanism, and the use of new or developing technologies for both new and pre-existing products;
(f) transactions related to oil, arms, precious metals, tobacco products, cultural artefacts and other items of archaeological, historical, cultural and religious importance, or of rare scientific value, as well as ivory and protected species.

(3) Geographical risk factors:
(a) without prejudice to Article 9, countries identified by credible sources, such as mutual evaluations, detailed assessment reports or published follow-up reports, as not having effective AML/CFT systems;
(b) countries identified by credible sources as having significant levels of corruption or other criminal activity;
(c) countries subject to sanctions, embargos or similar measures issued by, for example, the Union or the United Nations;
(d) countries providing funding or support for terrorist activities, or that have designated terrorist organisations operating within their country.

[5] Met een primaire PEP doel ik op degene die de publieke functie heeft, bijvoorbeeld het lid van de Tweede Kamer. Een secundaire PEP is het familielid (ouders, kinderen, de partner van de primaire PEP e.d.) en de ‘naast geassocieerde’  (ook een ruime groep). Lees dit artikel over de naast geassocieerde.

[6] Dit zijn: “natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die in de uitoefening van een aan dat van advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf de in onderdeel c of d genoemde werkzaamheden verrichten“.

[7] Zie ontwerp AMLR, versie 7 december 2022.

[8] Dit is een gevolg van de verwijzing naar (natuurlijke personen) artikel 33, tweede lid, onderdeel a, onder 1° en 2° Wwft respectievelijk (overigen) artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, 2° en 3°.

[9] Memo van Privacy First, paragraaf 2.5.

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie