Anti-corruptie voorstel Europese Commissie

De Europese Commissie kondigde in het nieuwsbericht Corruptiebestrijding: strengere regels ter bestrijding van corruptie in de EU en wereldwijd een nieuw regelgevend voorstel aan. Het omvat zowel omkoping van ambtenaren als van bedrijfsmedewerkers. De bedoeling is om dit onderwerp Europees te harmoniseren.

Het voorstel heeft gevolgen voor de strafpraktijk (zowel overheid als strafadvocaten en hun cliënten) en ook voor de geprivatiseerde criminaliteitsbestrijding, zoals die onder meer door banken wordt uitgevoerd.

Waarom dit voorstel niet wordt geïntegreerd in het AML Package wordt mij niet duidelijk. Daar is alle aanleiding voor omdat een deel van de terminologie gelijksoortig is, bijvoorbeeld die inzake politiek prominente personen (PEP’s), die in het voorstel als volgt worden gedefinieerd (artikel 2 lid 8):

‘high level officials’ are heads of state, heads of central and regional government, members of central and regional government, as well as other political appointees who hold a high level public office such as deputy ministers, state secretaries, heads and members of a minister’s private office, and senior political officials, as well as members of parliamentary chambers, members of highest Courts, such as Constitutional and Supreme Courts, and members of Supreme Audit Institutions.

Omkoping
Veel juridische aandacht zal uitgaan naar de definities van omkoping, die in het ontwerp als volgt zijn omschreven:

Article 7 Bribery in the public sector
Member States shall take the necessary measures to ensure that the following conduct is punishable as a criminal offence, when committed intentionally:
(a) the promise, offer or giving, directly or through an intermediary, of an advantage of any kind to a public official for that official or for a third party in order for the public official to act or refrain from acting in accordance with his duty or in the exercise of that official’s functions (active bribery);
(b) the request or receipt by a public official, directly or through an intermediary, of an advantage of any kind or the promise of such an advantage for that official or for a third party, in order for the public official to act or to refrain from acting in accordance with his duty or in the exercise of that official’s functions (passive bribery).

Article 8 Bribery in the private sector
Member States shall take the necessary measures to ensure that the following conduct shall be punishable as a criminal offence, when committed intentionally and in the course of economic, financial, business or commercial activities:
(a) the promise, offer or giving, directly or through an intermediary, an undue advantage of any kind to a person who in any capacity directs or works for a private-sector entity, for that person or for a third party, in order for that person to act or to refrain from acting, in breach of that person’s duties (active bribery);
(b) the request or receipt by a person, directly or through an intermediary, of an undue advantage of any kind or the promise of such an advantage, for that person or for a third party, while in any capacity directing or working for a private-sector entity, to act or to refrain from acting, in breach of that person’s duties (passive bribery).

Andere vormen van corruptie
In het voorstel zijn ook andere vormen van corruptie opgenomen, aangeduid als ‘Misappropriation‘ (artikel 9), handel in invloed (artikel 10), misbruik van functies (artikel 11) en obstructie van justitie (artikel 12).

Witwassen van door corruptie verkregen voordelen
In het voorstel staat ook dat het verkrijgen, in eigendom hebben of gebruiken van door corruptie verkregen vermogensbestanddelen strafbaar moet worden, dat is derhalve een witwasvorm. Dat betekent dat de ambtenaar die meevaart op het schip van een corrupt persoon, op de grond strafbaar zal zijn, want dat is gebruik.

De tekst van het voorgestelde artikel 13 luidt:

Article 13 Enrichment from corruption offences
Member States shall take the necessary measures to ensure that the intentional acquisition, possession or use by a public official of property that that official knows is derived from the commission of any of the offences set out in Articles 7 to 12 and 14, is punishable as a criminal offence, irrespective of whether that official was involved in the commission of that offence.

Vreemd is dat dit strafbare feit alleen van toepassing is op ambtenaren. Verder vraag ik me af waarom het nodig is, aangezien het een vorm van witwassen is die al strafbaar is gesteld. Volgens de toelichting is dit opgenomen omdat  het makkelijker is om mensen wegens corruptievoordeel te veroordelen. Het wordt er niet overzichtelijker op, dus ik vind dit niet verstandig.

Strafbaarheid wegens onvoldoende maatregelen
Rechtspersonen zijn niet alleen strafbaar als ze welbewust de strafbare feiten plegen, maar ook wanneer zij onvoldoende hebben gedaan om de corruptie te voorkomen (artikel 16 leden 1 en 2):

1. Member States shall take the necessary measures to ensure that legal persons can be held liable for any of the criminal offences (…) committed for the benefit of those legal persons by any natural person, acting either individually or as part of an organ of the legal person, and having a leading position within the legal person (…).
2. Member States shall take the necessary measures to ensure that legal persons can be held liable where the lack of supervision or control by a person referred to in paragraph 1 has made possible the commission, including by any of the persons under his authority, of any of the criminal offences referred to in Articles 7 to 14 for the benefit of that legal person.

Het zal interessant zijn om te zien wat onder ‘lack of supervision or control‘ zal worden verstaan. Het past in de trend dat ‘nalatigheid’ (door de opsporing ruim uitgelegd) voldoende is om strafbaar te zijn. Een strafverlagende omstandigheid is (artikel 18 lid 2 sub b):

where the offender is a legal person and it has implemented effective internal controls, ethics awareness, and compliance programmes to prevent corruption prior to or after the commission of the offence;

wat mij strijdig lijkt met artikel 16 lid 2 voor zover het om maatregelen voorafgaand aan het strafbare feit gaat.

Torenhoge straffen
Er kunnen zware straffen worden opgelegd (mantra: “effective, proportionate and dissuasive“), waartoe onder meer de hoge financiële boetes behoren die in het financiële recht gebruikelijk zijn (artikel 17 lid 2 sub a):

criminal or non-criminal fines, the maximum limit of which should not be less than 5 percent of the total worldwide turnover of the legal person, including related entities, in the business year preceding the decision imposing the fine

Grondrechten
Volgens de Europese Commissie zouden in het voorstel de grondrechten van (verdachte) burgers worden gerespecteerd, ook al zitten er vele elementen in die het makkelijk maken iemand te veroordelen.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Melden beheerders van beleggingsinstellingen te weinig ongebruikelijke transacties? | Wwft, AFM

De AFM publiceerde het op beheerders van beleggingsinstellingen gerichte bericht AFM vraagt aandacht voor transactiemonitoring. Een antwoord op de vraag of de transacties die de beheerders zien (opname en inleg door de klanten) wel relevante informatie opleveren in het kader van de opsporing van criminele opbrengsten (‘witwasbestrijding’) is in het artikel niet te vinden. Transactiemonitoring is een bezigheid van banken en andere betalingsinstellingen, die op basis van het betalingsverkeer zich een gedetailleerd beeld kunnen vormen van hun klant.

Vreemd is dat de AFM veronderstelt dat de beheerders te weinig ongebruikelijke transacties zouden melden:

De AFM ziet een toename van het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties door beheerders bij de Financial Intelligence Unit. Toch genereert slechts 11% van de beheerders met hun transactiemonitoring ongebruikelijke transacties.

Een onderbouwing van die veronderstelling is in het bericht niet te vinden.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Ondermijnende stichtingen administratiekantoor / document RIEC Limburg

RIEC Limburg heeft op de site Kennisplatform ondermijning een inleiding over stichtingen adminstratiekantoren (staks) gepubliceerd, met als doel de bedrijfsvorm te verduidelijken en aan te geven waar op gelet moet worden in relatie tot ondermijning. Het document is niet specifiek voor de provincie Limburg.

De introductie:

Ondernemingsvorm waarbij sprake is van een splitsing van winst- en stemrecht
• Bestuurders (inclusief zittende aandeelhouders) besluiten nieuwe aandelen uit te geven
• Deze aandelen geven wel recht op winstdeling (dividenduitkering), maar niet op stemrecht.
• De aandelen, certificaten genoemd, worden beheerd in een certificatenregister.
• De winstdeling wordt vervolgens door de stichting administratiekantoor uitgekeerd aan de certificaathouders.

Het is jammer dat er geen rechtspersonenrechtspecialist heeft mee gekeken bij het schrijven van deze tekst. De eerste zin is juist, maar wat daarna volgt is onjuist, nu de rol van de besloten vennootschap waarvan de aandelen worden gecertificeerd ontbreekt.

De redenen om voor een stak te kiezen zijn te eenvoudig weergegeven in dit overzicht:

Mijn opmerkingen:

  • Anonimiteit: als aandeelhouders of certificaathouders niet in openbare registers staan, betekent dat nog niet dat ze anoniem zijn. Het bestuur van de stak hoort de certificaathouders te kennen.
  • Efficiënter beslissen: is inderdaad een reden, dat hoeft niet persé door middel van één bestuurder te zijn. Voorbeeld: 15 familieleden houden certificaten, het bestuur van de stak wordt gevormd door twee familieleden en één externe deskundige.
  • Neutraal bestuur kan een reden zijn om te kiezen voor een stak. In familieverhoudingen zie je vaak dat in het bestuur van de stak ook vertegenwoordigers van de certificaathouders aanwezig zijn. Veel belangrijker is dat als de certificaathouders niet deskundig zijn op het gebied van ondernemingen, die deskundigheid kan worden binnengehaald via het bestuur van de stak.
  • Dat er geen notariskosten bij levering van certificaten hoeven te worden gemaakt, hoeft geen voordeel te zijn. Er kunnen fouten worden gemaakt met de overdracht.
  • Bij werknemersparticipatie kan inderdaad gebruik worden gemaakt van certificaten. Het gaat dan om werknemers van de bv waarvan de aandelen zijn gecertificeerd.
  • Continuïteit: het is niet per definitie zo dat de opvolgende bestuurder van de stak door de huidige bestuurder wordt aangewezen. Er zijn diverse mogelijkheden, die in de statuten kunnen worden vastgelegd.

Over de rubriek ‘STAK en ondermijning’:

  • Het is in het notariaat gebruikelijk om ‘stichting administratiekantoor’ in de statutaire naam te zetten. Dus via zoeken in het handelsregister kan de stak ondanks de afgekorte handelsnaam altijd gevonden worden.
  • Natuurlijk kan het ubo-register worden ingezet, echter, de certificaathouders zijn geen ubo van de stak maar van de bv waarvan de aandelen zijn gecertificeerd. Het is onbegrijpelijk waarom hier over ‘anonimiteit’ wordt gesproken. Niet alle persoonsgegevens horen op straat te liggen, dat zal men bij RIEC ook weten.
  • Het ligt voor de hand dat bij iedere rechtspersoon wordt doorgevraagd – voor zover dat uit de Wet Bibob voortvloeit – wordt gekeken naar bij de rechtspersoon betrokkenen. Bij een stak zijn dat de bestuurders en de certificaathouders.
  • Geen idee wat ‘lokaal overleg’ inhoudt en welke rol gemeenten kunnen hebben. Dit voegt niets toe.

Tot slot
De RIECs doen er goed aan specialisten rechtspersonenrecht aan te trekken, die goede juridische kennis hebben en ook de praktijk van rechtspersonen kennen, zodat de kwaliteit van uitingen inzake rechtspersonen als de stak verhoogd kan worden.

Op die manier zal het makkelijker worden om reguliere rechtsvormen te onderscheiden van vehikels van malafide types.

 

NB Hoewel wordt aangekondigd dat het document ook zou vermelden waar op gelet moet worden in relatie tot ondermijning met/door staks, tref ik dat in het document niet aan.

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Rechtspersonenrecht, Stichting en vereniging | Tags: , , | Plaats een reactie

Ondermijnende overheidssite bestaat nog steeds | zichtopondermijning

Onlangs kwam ik een artikel tegen waarin hoog werd opgegeven van de site zichtopondermijning.nl, een site waar ik in 2020 over heb geschreven. Een snelle blik leerde me dat de vreemde verhalen die ik in 2020 zag er nog steeds op staan. Hierna enkele aantekeningen.

Vastgoed

Verdachte stichtingen
Men is nog steeds niet goed op de hoogte van de rechtsvorm stichting en van het fenomeen van certificering [1], zo wordt verondersteld dat de bestuurder van de stichting ‘juridisch eigenaar’ daarvan is, hoogst merkwaardig, ik raad de auteurs van deze pagina aan rechten te gaan studeren en speciale aandacht aan het rechtspersonenrecht te geven.
Ook de rare ‘risico-indicatoren’ zijn er nog steeds, kijk bij ‘Kenmerken eigenaar: Rechtspersoon‘ waar de volgende soorten risicovolle rechtspersonen worden genoemd:

Profielen voor rechtspersonen die eigenaar zijn:
1. Veroordeelde eigenaar
2. Stichting met alleenbestuurder
3. Stichting met beroepsbestuurder
4. Stichting met alleen- en beroepsbestuurder

Vermoedelijk wordt met rubriek 1. een rechtspersoon bedoeld die eigenaar van vastgoed is en waarvan de eigenaar (aandeelhouder e.d.) is veroordeeld. Er worden op de site drie soorten stichtingen genoemd, die als volgt worden toegelicht:

Stichting met alleen- en beroepsbestuurder
Eigenaar is stichting (exclusief woningcorporaties) met één natuurlijk persoon als bestuurder die de enige bestuurder is van de stichting. Deze persoon bestuurt meer dan vijf stichtingen

Hier volgt uit dat iedere stichting die eigenaar van vastgoed is en één bestuurder heeft per definitie verdacht is (rubriek 2). Verder zijn alle stichtingen verdacht met een bestuurder (natuurlijke persoon) die meer dan vijf stichtingen met vastgoed bestuurt (rubriek 3). Een onderbouwing van deze ‘risico-indicatoren’ kom ik niet tegen.

Onverklaarbare woningaankopen
Helemaal vaag wordt het als er over onverklaarbare woningaankopen [2] wordt gesproken. Zo te zien denkt men op basis van gegevens uit overheidsbronnen daar iets over te kunnen afleiden, terwijl die verschillende overheidsbronnen inhoudelijk sterk verschillen.

Verdachte hypotheken
Men spreekt ook over het fenomeen van verdachte hypotheken. Dat zijn hypotheken die niet worden gegeven door een financiële instelling [3]. Deze veronderstelling lijkt me onjuist aangezien particulieren als ze leningen verstrekken hypothecaire zekerheid kunnen vragen. Natuurlijk kunnen ook criminelen leningen verstrekken, maar is de omvang daarvan zo groot dat alle hypotheken door anderen dan financiële instellingen verdacht mogen worden gemaakt?

Analyses

Gerubriceerd naar een aantal onderwerpen worden ‘analyses’ gepresenteerd, die volgens de algemene toelichting voornamelijk op CBS gegevens zijn gebaseerd. Op welke manier men tot de cijfermatige overzichten is gekomen wordt niet toegelicht, de vraag is hoe zeker de rubriceringen zijn die gepresenteerd worden, nu er meerdere niet op elkaar afgestemde bronnen gebruikt worden. In een passage over ‘onbekende eigenaren van woningen’ wordt erkend dat het cijfermateriaal niet klopte [4]. Het zou me niets verbazen als het zelfde geldt voor andere ‘resultaten’ op deze site.

Het lijkt er op dat men het nodige dubbele werk verricht, zo verwijst de pagina ‘Verdachte transacties’ naar FIU-Nederland en rijst de vraag wat men hier in de gemeentelijke praktijk aan heeft.

Het zou goed zijn als deze site eens wetenschappelijk werd geanalyseerd om te zien of de pretenties van de cijfers, bijvoorbeeld per regio, waar kunnen worden gemaakt.

Tot slot

De vraag bij al dit moois rijst waarom gemeenten zich met financiële structuren en vastgoed bezig moeten houden, terwijl het duidelijk is dat zij onvoldoende juridische kennis hebben.

 

Noten

[1] Onder het kopje ‘Hypotheken’ op de pagina ‘Mogelijk misbruik van vastgoed’  wordt verondersteld dat het deponeren van jaarrekeningen informatie over de bedrijfsvoering zou opleveren, terwijl het informatiegehalte van de publicatiestukken van kleine bv’s zeer gering is. Het verschil tussen stichtingen en kleine bv’s is op dat punt minimaal.
Ook is onjuist dat witwaspraktijken verborgen kunnen blijven als de bestuurder van een rechtspersoon een ander is dan degene die recht heeft op dividend (bij stichtingen administratiekantoor wordt het dividend door de stichting doorgegeven aan de certificaathouders).

[2] Dit wordt gedefinieerd als het kopen van een woning voor een bedrag waar de koper niet voldoende (geregistreerd) geld voor heeft en/of dat niet gedekt is door een hypotheek. In de passage staat ook “Vanaf 1 januari 2014 is het verboden om onroerende goederen te financieren met contant geld“, geen idee waar dat op gebaseerd is al zullen bij zowel notarissen als banken alle alle alarmbellen af gaan.

[3] “Er bestaat een verhoogd risico op witwassen wanneer de financier (hypotheeknemer) van een hypothecaire lening geen Nederlandse bank is, maar een rechtspersoon die niet vergund is door de AFM en/of DNB, een natuurlijk persoon of een buitenlands bedrijf“.

[4] “Sinds de update van juli 2020 bevatte het dashboard Zicht op Ondermijning een risico-indicator Onbekende eigenaar. Met dat profiel werd geprobeerd inzicht te geven in de aantallen woningen in gemeenten en wijken waarvan de eigenaar niet bekend was. Dat gebeurde op drie manieren:

1. Het fiscaalnummer van de eigenaar ontbrak in de gebruikte eigendomsbestanden;
2. Het fiscaalnummer van de eigenaar die een persoon was, kwam niet voor in de Basisregistratie Personen (BRP);
3. Het fiscaalnummer van de eigenaar die een bedrijf was (het RSIN), kwam niet voor in het Algemeen Bedrijven Register (ABR).

Een nadere analyse in samenwerking met de Belastingdienst heeft uitgewezen dat het profiel geen juist beeld gaf van onbekende woningeigenaren in de context van ondermijnende criminaliteit. De grote omvang van en dynamiek in het profiel hingen grotendeels samen met ontwikkelingen in de kwaliteit van de gebruikte administraties, een correctie op overleden woningeigenaren en de effecten van nieuwe of gefuseerde gemeenten.

Het profiel is om die reden eind januari 2021 van het dashboard verwijderd. De eerder gepubliceerde resultaten lenen zich niet voor conclusies over de aantallen woningen waarvan de eigenaar onbekend zou zijn. Neem voor verdere vragen contact op met zichtopondermijning@ictu.nl.

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Sanctieregelgeving: DNB adviseert schadeverzekeraars om de AVG te overtreden

Een van de opvallende kenmerken van de privatisering van de criminaliteitsbestrijding naar bedrijven (‘witwasbestrijding’) en de sanctieregelgeving is dat bedrijven er door de overheid toe bewogen worden enorme hoeveelheden persoonsgegevens van en in verband met hun klanten te verzamelen. Die bedrijven zijn op zoek zijn naar de criminele speld in de hooiberg, wat grote gegevensbeschermingsrisico’s voor nette mensen oplevert.

Bij financiële instellingen (FI’s), zoals banken en verzekeraars, zijn de risico’s voor mensen nog groter omdat zij datalekken niet aan betrokkenen hoeven te melden (artikel).

Zeer zorgelijk is dat De Nederlandsche Bank (DNB) financiële instellingen er in de Leidraad Wwft en Sw [1] toe aanmoedigt om zich niet te houden aan de verplichting tot dataminimalisatie in de AVG, zoals hierna wordt toegelicht.

Leidraad DNB
In die leidraad worden twee verschillende juridische regimes besproken die leiden tot het verzamelen van persoonsgegevens door onder meer financiële instellingen:

  • Wwft (Nederlandse wet): een groot aantal bedrijven is verplicht om criminaliteit op te sporen en ‘ongebruikelijke transacties’ [2] te melden op grond van anti-witwaswet Wwft [3], hierna ook ‘Wwft-plichtigen’. Onder meer banken, notarissen en accountants hebben een dergelijke overheidstaak. Bij deze overheidstaak hoort een uitvoerig klantenonderzoek dat ook onderzoek naar de ‘uiteindelijk belanghebbenden’ (ubo’s) van rechtspersonen omvat.
  • Sanctieregelgeving: de sanctieregelgeving, gebaseerd op rechtstreeks werkend Europees recht, richt zich zowel tot Wwft-plichtigen als tot overige bedrijven, maar kent andere begrippen en andere regels. Één van de belangrijkste verplichtingen op grond van deze regelgeving is dat ‘relaties’ van de klanten moeten worden vastgesteld en moet worden nagegaan of die relaties op een Europese of Nederlandse sanctielijst staan [4]. Het begrip ‘relatie’ omvat de eigenaar van rechtspersonen, wat iets anders is dan de ‘uiteindelijk belanghebbende’ van rechtspersonen van de Wwft.

Schadeverzekeraars
Schadeverzekeraars vallen niet onder de Wwft, dus hoeven geen Wwft-klantenonderzoek te doen. Zij moeten echter wel de ‘relaties’ van hun klanten vaststellen en nagaan of die relaties op een relevante sanctielijst staan.
Voor hen is de wettelijke grondslag om persoonsgegevens te verzamelen ten behoeve van het onderzoek naar gesanctioneerde personen uitsluitend de Europese regelgeving.

Eigendom of zeggenschap geliste personen
In de Europese regelgeving is opgenomen dat alle tegoeden en economische middelen die “toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan” van op de sanctielijsten geplaatste natuurlijke personen en organisaties (‘geliste personen’) worden ‘bevroren’. De bevriezingsplicht geldt ook voor tegoeden en economische middelen van natuurlijke personen en organisaties die met geliste personen ‘verbonden’ zijn.
In de EU Best Practices for the effective implementation of restrictive measures [5] wordt uitgelegd wat wordt verstaan onder “toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan“. Bij toebehoren aan/eigendom is vermeld:

The criterion to be taken into account when assessing whether a legal person or entity is owned by another person or entity is the possession of more than 50% of the proprietary rights of an entity or having majority interest in it

In de Best Practices is verder een uitleg over zeggenschap (‘control’) te vinden. Het is een uitleg die los staat van de witwasbestrijdingsregels.

Opvallend is dat DNB de onder haar toezicht staande FI’s adviseert om meer persoonsgegevens op te vragen dan voor de screening aan de sanctielijsten nodig is en dat DNB adviseert af te wijken van de Europese juridische grondslag.

Uitleg DNB
DNB volgt in de leidraad niet de Europese regelgeving. Lees in dat verband paragraaf 7.3 van de Leidraad van DNB [6]. Daarin wordt uitgelegd dat er sprake is van indirect ter beschikking stellen van financiële middelen of diensten in het geval dat er 50% of meer eigendomsrechten zijn van een persoon in een structuur, wat onjuist is, want in de Best Practices spreekt over meer dan 50% eigendomsrecht.
Verder wijkt de passage in de leidraad over ‘zeggenschap’ af van wat er in de Best Practices van de Commissie staat.
Merkwaardig is dat DNB in paragraaf 7.3 het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ (ubo) gebruikt, wat suggereert dat het ubo-begrip van de Wwft relevant zou zijn, terwijl het begrip ubo in de Europese sanctieregelgeving niet voorkomt.

Er is een aparte factsheet van DNB voor schadeverzekeraars, waaraan opvalt dat de terminologie van de Europese regelgeving evenmin wordt gevolgd. Het lijkt er op alsof DNB het begrip ‘relaties’ uit de sanctieregelgeving heeft vervangen door ‘ubo’s’, wat juridisch onjuist is.

Gevolg van de uitleg van DNB is dat een te grote groep mensen als relatie wordt aangemerkt.

Persoonsgegevens verzamelen van te veel personen ‘voor de veiligheid’
Nog erger is dat DNB de FI’s adviseert zonder grondslag in de Europese regelgeving nog meer persoonsgegevens te verzamelen:

In de praktijk kunnen instellingen ook bij eigendomspercentages onder 50% de UBO in kaart brengen. Zo is het aan te raden dat instellingen gebruik maken van de definitie van UBO in de Wwft en derhalve alle UBO’s die 25% of meer eigendomsrechten hebben, kennen. Immers, het is ook verboden om tegoeden ter beschikking te stellen aan personen of entiteiten, waarover een gesanctioneerde persoon zeggenschap heeft.

DNB schrijft “kunnen ook bij eigendomspercentages onder 50% de UBO in kaart brengen” terwijl de wettelijke Europese grondslag ontbreekt. Dus dit mag niet! Natuurlijk is juist dat het mogelijk is dat er zeggenschap is ook al heeft iemand niet (in)direct meer dan 50% van de aandelen, maar ‘veiligheidshalve’ maar allerlei persoonsgegevens opvragen zonder noodzaak, is in strijd met het principe van dataminimalisatie van de AVG.

Een FI kan natuurlijk wel gegevens over de structuur vragen om er achter te komen wie de ‘relaties’ zijn, maar dat betekent nog niet dat er persoonsgegevens mogen worden verwerkt van mensen die dat niet zijn.

Vreemd genoeg denkt DNB dat er een uitzondering is voor beursgenoteerde ondernemingen [7].

Welke persoonsgegevens?
De volgende stap is de vraag welke gegevens dan mogen worden opgevraagd door de FI. Vertrekpunt is dat het om identificerende gegevens gaat, dat zijn voornamen, achternaam en geboortedatum. Het woonadres is niet relevant, aangezien in de sanctielijsten weinig adressen voorkomen en deze meestal niet zullen kloppen. In de Europese sanctielijst van 17 mei 2023 kwam maar twee keer een adres in Nederland voor [8].

Schadeverzekeraars en de sanctieregelgeving, mijn standpunt

Schadeverzekeraars dienen de ‘relaties’ in de zin van de Europese sanctieregels in kaart te brengen. Dat maakt het logisch dat bij cliënten en prospects wordt gekeken naar vertegenwoordigers en gemachtigden (kan uit het KvK-uittreksel worden gehaald zoals DNB ook aangeeft) en dat naar de structuur wordt gevraagd. Dat betekent echter niet dat er persoonsgegevens mogen worden verwerkt van mensen die geen relatie zijn volgens de Europese definitie.

Voorbeeld:
bv X heeft vier aandeelhouders (natuurlijke personen) A, B, C en D die ieder 25% houden. Alleen C en D zijn statutair bestuurder van bv X. Er zijn volgens de Europese definitie geen personen die kwalificeren als eigenaar want er is niemand die meer dan 50% van de aandelen heeft. Vanwege de ruime betekenis van ‘zeggenschap’ zijn de statutair bestuurders C en D van bv X ‘relatie’, wat betekent dat de schadeverzekeraar hun persoonsgegevens mag opvragen.
De gegevensverstrekking door C en D kan beperkt blijven tot voornamen, achternaam en geboortedatum, nu op de sanctielijsten weinig adressen voorkomen en al helemaal niet uit Nederland.

DNB doet er goed aan de teksten die zij openbaar maakt over de sanctieregelgeving volledig te herschrijven en te laten aansluiten bij de Europese juridische grondslag, zodat FI’s er niet toe worden bewogen om het begrip relatie onjuist te gebruiken en ten onrechte persoonsgegevens te verwerken van mensen die geen relatie zijn in de zin van de sanctieregelgeving.

Gevolgen van het verzamelen van teveel persoonsgegevens

Als bedrijven in het verleden ten onrechte persoonsgegevens verzameld hebben, zullen zij die zo spoedig mogelijk moeten verwijderen.

Het is mij bekend dat Wwft-plichtigen soms ook van een te ruime groep mensen persoonsgegevens verwerken, vanwege een eigen te ruime en angstige interpretatie van de regels. Het zou goed zijn als de Autoriteit Persoonsgegevens onderzoek zou instellen naar de praktijk van het onderzoek op grond van Wwft en sanctieregelgeving.

 

Noten

[1] Te vinden via de DNB-pagina over de leidraad.
[2] Transacties waarvan vermoed wordt dat daarmee crimineel geld wordt uitgegeven (‘witwassen’) of waarmee terrorisme wordt gefinancierd.
[3] Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
[4] Bedrijven waarop recht van buiten de EU van toepassing is, moeten ook checken aan de hand van de sanctielijsten van de niet-EU landen. Een voorbeeld zijn de Amerikaanse sanctielijsten.
[5] Hier te vinden.
[6] Te vinden via de DNB-pagina over de leidraad.
[7] DNB schrijft “Voor cliënten die slechts gedeeltelijk beursgenoteerd zijn is het, in het kader van de naleving van de sanctieregelgeving, van belang dat voor het niet-beursgenoteerde gedeelte de UBO bekend te zijn.“, terwijl een dergelijke uitzondering voor zover mij bekend niet in de Europese sanctieregelgeving staat. FI’s zullen ook bij beursvennootschappen moeten nagaan wie de eigenaar is en wie zeggenschap heeft, eveneens bij het wel beursgenoteerde gedeelte.
[8] De actuele lijst is op deze locatie te vinden. Een Nederlands adres komt in de Europese sanctielijst van 17 mei 2023 maar twee keer voor: bij één natuurlijke persoon staat bij adres alleen ‘Nederland’ en bij de andere persoon (rechtspersoon) staat het adres op de datum van listing vermeld.

 


Aanvulling 23 mei 2023, 21:28 uur
Zie ook de reactie van Bökkerink onder dit bericht.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Sanctieregels | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Consultatie Regeling goed verhuurderschap over informatieverplichtingen voor verhuurders c.s. die huurovereenkomsten langer zullen gaan maken

Tot en met 4 juni a.s. loopt de internetconsultatie over de Regeling goed verhuurderschap. Volgens de aankondiging gaat het om de op de Wet goed verhuurderschap gebaseerde verplichting van verhuurders en verhuurbemiddelaars om huurders van woon- en verblijfsruimten te informeren over hun rechten en plichten, voor zover deze rechten en plichten niet zijn opgenomen in de huurovereenkomst.

In de regeling staan voorschriften over informatievoorziening, die je eerder in het Burgerlijk Wetboek dan in een bestuursrechtelijke regeling zou verwachten. Zo staat in artikel 1 van het concept onder meer:

De verhuurder verstrekt aan de huurder, voor zover dit niet in de huurovereenkomst is opgenomen, schriftelijk informatie over:
a. de verplichting van de huurder om de woon- of verblijfsruimte te gebruiken conform hetgeen hierover is afgesproken in de huurovereenkomst en over wat de mogelijke gevolgen zijn indien de woon- of verblijfsruimte voor andere doelen wordt gebruikt;
b. het feit dat de verhuurder gedurende de periode van de huurovereenkomst uitsluitend met toestemming van de huurder de woon- of verblijfsruimte mag betreden, tenzij:

(waarna een aantal uitzonderingen op het betredingsverbod volgt).

Dit gaat leiden tot huurovereenkomsten waarin al de in artikel 1 van het consultatiedocument genoemde regelgeving zal worden overgeschreven, zodat de overeenkomsten nog langer en onleesbaarder worden.

Ik geloof er niets van dat dit zinvol is.

 

Meer informatie:

Deze consultatie:

Eerder schreef ik over de consultatie inzake het uitvoeringsbesluit:

 

 


Aanvulling 15 december 2025
In de kamerbrief van 11 december 2025 wordt deze wet genoemd:

De afgelopen jaren hebben gemeenten meer handhavende taken gekregen op het gebied van huurwetgeving. Met de inwerkingtreding van de Wet goed verhuurderschap (Wgv) op 1 juli 2023 hebben gemeenten meer mogelijkheden gekregen om op te treden tegen verschillende vormen van ongewenst verhuurgedrag, zoals bijvoorbeeld intimidatie, woondiscriminatie, onredelijke servicekosten of te hoge waarborgsommen. De op 1 juli 2024 in werking getreden Wet betaalbare huur (Wbh), en de op 23 april 2024 ingegane verlenging van de Wet maximering huurprijsverhoging geliberaliseerde huurovereenkomsten (Wmhgh) hebben deze handhavingstaken uitgebreid met de handhaving op te hoge huren en huurprijsverhogingen.

De passage laat zien dat er een onoverzichtelijk juridisch breiwerkje is ontstaan. Over de handhaving op grond van de Wgv staat er het volgende:

Tijdens het vragenuur van 11 maart 2025 is gesproken over de handhavingsmogelijkheden die gemeenten sinds 1 juli 2023 hebben op grond van de Wet goed verhuurderschap. Daarbij werd mij gevraagd hoeveel boetes er door gemeenten zijn opgelegd. Ik heb toen toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in gesprek zou gaan om cijfers te achterhalen van uitgedeelde boetes op basis van de Wet goed verhuurderschap en dit te delen met Uw Kamer.

De VNG heeft daarop laten weten dat het lastig is om concrete cijfers te achterhalen, omdat er geen verplichting is voor gemeenten om hun boetebesluiten op één centrale plek te publiceren. Daarnaast geldt dat het uitdelen van boetes niet het doel is van de Wet goed verhuurderschap. Het doel is om malafide verhuurpraktijken tegen te gaan en het is ook de bedoeling dat vanuit de wetgeving een preventieve werking uitgaat. Gemeenten hebben daartoe een bestuursrechtelijke escalatieladder tot hun beschikking, die proportioneel dient te worden ingezet. Een waarschuwing kan ook al tot een gedragsaanpassing leiden.

Om toch meer inzicht te krijgen in de handhaving van de Wet goed verhuurderschap, ben ik dit jaar gestart met een halfjaarlijkse uitvraag onder een kleine en diverse groep gemeenten; de Signalering meldpunten Wet goed verhuurderschap. Door middel van een periodieke rondgang onder deze groep gemeenten probeer ik een grofmazig beeld te krijgen van de praktijkwerking van de wet, en meer in het bijzonder de meldpunten. Het is op dit moment nog te vroeg om uit de opgehaalde informatie conclusies te kunnen trekken. Ik zal bezien in hoeverre ik de opbrengsten van deze halfjaarlijkse signalering kan betrekken bij de wetsevaluatie die in 2026 plaatsvindt. In dat evaluatieonderzoek zal uitgebreid worden gekeken naar de doeltreffendheid van de Wet goed verhuurderschap, evenals de werking daarvan in de praktijk.

1 Voor het onderzoek zijn 16 gemeenten geïnterviewd.

Geplaatst in Bestuursrecht, Contractenrecht, privaatrecht algemeen | Tags: , , , | Plaats een reactie

Verzekeraars en pensioenfondsen vullen SBA NFR vragenlijsten onjuist in

DNB schreef onlangs [1] dat bij een aantal verzekeraars en pensioenfondsen de ingevulde vragenlijsten Sector Brede Analyse Niet Financiële Risico’s (SBA NFR) [2] “verbetering behoeven”. Aanleiding is het onderzoek van DNB naar het invullen van de vragenlijsten, aldus het bericht. Hoewel de tekst van het bericht suggereert dat DNB de vragenlijsten wil gaan verbeteren, lijkt het niet daar over te gaan. Want verder op in het bericht blijkt dat de verzekeraars/pensioenfondsen niet konden bewijzen de vragenlijsten juist te hebben ingevuld, door DNB omschreven als “aantoonbaar maken” (raar Nederlands). Over de vragen inzake beheersing financiële risico’s staat er:

DNB heeft de verificatie uitgevoerd door bij de geselecteerde verzekeraars specifieke documentatie op te vragen die de gegeven antwoorden in de vragenlijst moet ondersteunen/onderschrijven, eventueel aangevuld met een toelichtend gesprek.
DNB verwacht dat gegeven antwoorden van de ingevulde vragenlijst door middel van onderliggende (beleids)documenten, rapportages aantoonbaar gemaakt kunnen worden.
De uitkomst van de uitgevoerde verificatie was dat de antwoorden op vragen over de beheersing van financiële risico’s niet in alle gevallen een realistisch beeld gaven van de werkelijke situatie bij de verzekeraars.

De volgende generieke observaties komen voort uit de validatie:
1. Verzekeraars hebben niet altijd aantoonbaar kunnen maken dat een periodieke risicomanagementrapportage is opgesteld.
2. Verzekeraars hebben niet altijd aantoonbaar kunnen maken dat actueel schriftelijk beleid beschikbaar is van alle te onderscheiden risicogebieden.
3. Verzekeraars hebben niet altijd aantoonbaar kunnen maken dat schriftelijk evaluaties m.b.t. de beheersing van prudentiële risico’s zijn vastgelegd.

Moet punt 1 niet gewoon zijn dat sommige verzekeraars niet hebben voldaan aan vereiste van het periodiek opstellen van risicomanagementrapportages? Enzovoorts.

Een ander onderwerp van het bericht is informatiebeveiliging, wat voor financiële instellingen een uitermate belangrijk onderwerp is, zeker nu zij datalekken niet aan betrokkenen hoeven te melden. Er blijken financiële instellingen te zijn die dit niet op orde hebben. DNB formuleert het als volgt:

Uit de validatie blijkt dat bij een aantal van de geselecteerde instellingen de niveaus verschillend zijn geïnterpreteerd en dat instellingen hun volwassenheidsniveau op het gebied van informatiebeveiliging en cybersecurity te optimistisch rapporteren. In veel gevallen is sprake van een onvoldoende kritische en onafhankelijke blik doordat de tweede en of derde lijn niet betrokken zijn bij de beoordeling van de volwassenheidsniveaus in het self-assessment.

De toezichthouder besluit met de opmerking dat het bestuur moet zorgen voor juiste informatievoorziening aan DNB, “DNB benadrukt dat het bestuur eindverantwoordelijk is voor de inhoudelijke juistheid van de rapportage middels het self-assessment over de volwassenheidsniveaus“.

Jammer is dat DNB de nadruk legt op het juist rapporteren [3], in plaats van op het correct naleven van regelgeving en het beschermen van de klanten.

 

Noten

[1] Bericht met de cryptische kop ‘Verificatie ingevulde vragenlijsten SBA NFR 2022’.
[2] DNB kondigde in maart de uitvraag 2023 aan, in SBA NFR & IRAP Uitvraag 2023. Uit het bericht blijkt dat de SBA NFR uitvraag van 2023 niet meer via Excel spreadsheets zal verlopen, maar dat de uitvragen via een portal van DNB zullen plaats vinden. Dat lijkt ook te betekenen dat het publiek geen inzicht meer heeft in de vragenformulieren van DNB (die in het verleden op de website van DNB te vinden waren), wat jammer is in het kader van de noodzaak van toezichthouderstransparantie.
[3] “Onderdeel van beheerste bedrijfsvoering en gedegen risicomanagement, is dat de volwassenheidsniveaus aantoonbaar zijn en dat een interne en kritische onafhankelijke beoordeling plaatsvindt voordat de uitkomsten van het self-assessment worden gerapporteerd.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Levert jouw blog ook materiaal voor machine learning van Amerikaanse internetgiganten? | AI, ChatGPT

In de Washington Post stond een artikel [*] waarin wordt beschreven hoe de taalsystemen met kunstmatige intelligentie (AI chatbots, zoals ChatGPT) worden gemaakt door zeer grote hoeveelheden menselijke teksten te oogsten van het internet. De software ‘leert’ van al die teksten (‘machine learning’) wat mensen zeggen en schrijven en kan op basis daarvan zelf teksten maken.

De makers van het artikel deden een onderzoek naar de tekstbronnen die door de software wordt gebruikt en kwamen tot een indeling in elf categorieën tekstbronnen die gebruikt worden om de kunstmatige intelligentie te trainen.

Daartoe behoren ook persoonlijke blogs, zoals dit blog, zo wordt in het artikel beschreven onder het kopje ‘A trove of personal blogs‘ en zie ook ‘Is your website training AI?‘. Dus ik hoop binnenkort aan alle makers van taalsystemen maandelijks een factuur van 1000 euro te kunnen gaan sturen en misschien dat ze een goed voorstel kunnen doen voor het gebruik van mijn teksten de afgelopen vijf jaar.

 

[*] Inside the secret list of websites that make AI like ChatGPT sound smart, Szu Yu Chen en Nitasha Tiku 19 april 2023.

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , | Plaats een reactie

Blokkering van de betaling aan een Nederlandse v.o.f. met een Syrische plaatsnaam in de naam van het bedrijf | Wwft

Bij het College voor de Rechten van de Mens kwam een zaak over een Nederlandse bedrijf met een Syrische plaatsnaam in de naam van het bedrijf (‘de VOF’) terecht, zo valt in dit artikel te lezen. De de beslissing van het College is hier te vinden en gaat over de Citibank, de bank van de klant van de VOF, die een betaling aan de VOF tegenhield vanwege de naam.

Opvallend aan de beslissing is dat Citibank een betaling van €210 tegenhoudt. Het gaat dus om kruimelwerk!

Tegengehouden betaling
De VOF is een catering- en patisseriebedrijf dat Syrische gerechten verkoopt en dat aan haar klant een factuur van €210 stuurt die niet betaald lijkt te worden. De VOF komt er achter dat Citibank weigert de betalingsopdracht van haar klant uit te voeren. De bank stelde aanvullende vragen over de transactie, volgens de beslissing:

Deze vragen zijn:
* Detailed purpose of payment
* Full name, legal Address, company Registration number including Country of Registration for [. . .]
* Please list all locations of the business and provide attestation that transaction does not have direct nor indirect flow to Syria
* Please provide owner(s) (and ownership if possible), owner nationalities, and if owner(s) are identified as Syrian: – please provide documentary evidence in English confirming residency outside of the sanctioned jurisdiction (e.g. Permanent resident ID/ passport)
* Please provide attestation in English confirming the address of owner(s) (and documentation if possible to support this – e.g. Utility bill, rental agreement).

NB Het maakt duidelijk dat banken hun tijd aan het verdoen zijn met flauwekulactiviteiten.

De klant van de VOF besluit de vragen van Citibank niet te beantwoorden en betaalt zonder problemen via een andere bank.

Klacht VOF
De VOF is boos over de gang van zaken en beklaagt zich bij Citibank die daar niet op reageert afgezien van een kort mailbericht zonder inhoudelijke reactie. Daarna stapt de VOF naar het College.

Het verweer van Citibank is dat zij niet heeft gediscrimineerd. Zij beweert het volgende:

Er is geen onderscheid gemaakt op grond van verzoeksters nationaliteit. De maatregelen zijn getroffen vanwege de plaatsnaam [. . . .] in de bedrijfsnaam. Voor zover hiermee onderscheid zou zijn gemaakt, dan geldt dat dit niet verboden is. Verweerster moet zich houden aan nationale, Europese en internationale wet- en regelgeving, die haar op straffe van hoge boetes verplicht om deze controles uit te voeren. De werkwijze van verweerster is passend en noodzakelijk om het doel van de sanctiemaatregelen te bereiken, en het doel kan niet op een minder ingrijpende manier worden bereikt.

Het College oordeelt (4.6) dat de de handelwijze van verweerster leidt tot indirect onderscheid op grond van nationaliteit. Vervolgens gaat het College na of er een wettelijke uitzondering of objectieve rechtvaardiging is voor deze discriminatie.

Wettelijke grondslag?
Citibank voert aan dat zij zich aan de internationale sanctieregelgeving tegen Syrië moet houden [1], daarover zegt het College:

4.10 Het College overweegt als volgt over het beroep dat verweerster doet op het Raadsbesluit en de sanctiemaatregelen van de VS en VN. Weliswaar leggen deze internationale wetten en regels aan bancaire instellingen de verplichting op om te voorkomen dat er transacties worden uitgevoerd die ten gunste kunnen komen van het Syrische regime, maar deze schrijven niet de wijze voor waarop banken aan deze verplichting moeten voldoen. Banken zoals verweerster hebben vrijheid om beleid te vormen om aan deze internationale maatregelen te voldoen. De manier waarop verweerster deze verplichting invult, en de screening en controle van de transactie aan de vof van verzoekster wordt als zodanig niet voorgeschreven in de algemeen verbindende voorschriften. Het College oordeelt dat het beroep van verweerster op artikel 2, vijfde lid, AWGB niet slaagt.

Passend middel?
Vervolgens gaat het College op zoek naar een objectieve rechtvaardiging en merkt op dat sanctiescreening in beginsel legitiem is (4.13). Vervolgens is de vraag of het middel dat Citibank inzet passend is:

4.16 Het middel dat verweerster inzet om het doel te bereiken is de transactiescreeningsmethode, die de omschrijving of tenaamstelling van elke overschrijving op verschillende trefwoorden controleert. Deze lange lijst met trefwoorden bestaat uit woorden die kunnen duiden op een verband met Syrië. Zodra het systeem één van deze trefwoorden registreert, wordt de betaling tegengehouden, en worden aanvullende vragen gesteld aan de opdrachtgever van de transactie. Zonder schriftelijke beantwoording van deze vragen wordt de betaling niet doorgezet.

Na deze tekst komt een zeer aparte conclusie van het College (markering door mij):

Het College oordeelt dat deze transactiescreening zonder meer bijdraagt aan het voorkomen van directe of indirecte betalingen aan ingezetenen van Syrië. Het middel is dan ook geschikt om het doel te bereiken.

Het is een onbegrijpelijk oordeel, nu het gaat om betalingen aan ingezetenen van Syrië. De naam van de ontvanger heeft daar niets mee te maken

Noodzakelijk?
De volgende stap is de noodzakelijkheidstoets. Citibank beroept zich op de draconische straffen die de toezichthouders kunnen opleggen, houdt er een omslachtig verhaal bij [2] en roept dat het zo duur is [3]. De reactie van het College is dat het taalkundige sleepnet van Citibank (4.19):

een grote kans oplevert dat ook niet-verdachte transacties worden geblokkeerd. Daardoor worden individuele rekenhouders ten onrechte benadeeld. Het College oordeelt dat verweerster een verantwoordelijkheid heeft richting deze rekeninghouders. Verweerster moet er voor waken dat haar screening een groep rekeninghouders, zoals verzoekster, disproportioneel benadeelt.

Ook de klacht van Citibank dat een andere werkwijze te duur is wordt door het College verworpen (4.20):

Het College overweegt dat bedrijfseconomische redenen als zodanig onvoldoende zijn om onderscheid te rechtvaardigen. De ratio daarachter is dat veel vormen van onderscheid hun oorzaak hebben in bedrijfseconomische belangen. Indien enkel financiële argumenten een dergelijk onderscheid zouden kunnen rechtvaardigen, dan zou de gelijkebehandelingswetgeving veel van haar betekenis verliezen (zie ook HVJ EG 24 februari 1994, C-343/92 ECLI:EU:C:1994:71 (Roks e.a.), overwegingen 35 en 36 en College voor de Rechten van de Mens 9 februari 2017, 2017-11, overweging 4.29).

Echter, volgens het College zou Citibank voldoende hebben onderbouwd dat minder onderscheid makende middelen voor haar niet haalbaar zijn:

Naar het oordeel van het College heeft verweerster in dit specifieke geval, ook met het oog op de strikte toezichthoudende organen, voldoende onderbouwd dat de door verzoekster voorgestelde minder onderscheid makende middelen voor haar niet haalbaar zijn. Ook anderszins is niet gebleken dat er een middel is waarmee verweerster het beoogde doel kan bereiken. Dat maakt dat het College oordeelt dat de screeningsmethode van verweerster voldoet aan het vereiste van subsidiariteit.

Bizar. Onbegrijpelijk.

Het College besluit dit onderdeel met:

4.21 Het College oordeelt eveneens dat de screeningsmethode voldoet aan het vereiste van proportionaliteit. Het staat vast dat verzoekster zowel persoonlijk als commercieel nadeel heeft ondervonden van de screeningsmethode. Hiertegenover staan de belangen van verweerster om verplichtingen uit de sanctiemaatregelen na te leven. Het College oordeelt dat de belangen van verweerster zwaarder wegen. Daarvoor acht het College van doorslaggevend belang dat verzoeksters vof, zodra eenmaal is aangetoond dat een betaling aan de onderneming niet verdacht is, niet meer in de geautomatiseerde screening betrokken wordt. Hierdoor blijft het nadeel voor verzoekster door de screening van verweerster in beginsel beperkt tot een eenmalige blokkering.

4.22 Het College oordeelt dat het door verweerster gemaakte indirecte onderscheid op grond van nationaliteit objectief gerechtvaardigd is. Het indirecte onderscheid dat verweerster jegens verzoekster heeft gemaakt, door de betaling te blokkeren en een extra controle uit te voeren vanwege de naam van de onderneming, is dan ook niet verboden.

Niet reageren op klachten is fout
Vervolgens maakt het College wel korte metten met het niet door Citibank reageren op de klacht van de VOF, die zelfs na meerdere herinneringen van haar kant geen enkele inhoudelijke reactie had gekregen.

Tot slot
Het is een onbevredigende uitspraak over een kruimelbetaling, die geen halt toeroept aan disproportioneel optreden door financiële instellingen.

 

Noten

[1] De beslissing, Citibank is verweerster: “4.9 Verweerster voert aan dat de screeningsmethode die zij gebruikt voorgeschreven wordt door nationale, Europese en internationale wet- en regelgeving. Verweerster verwijst naar sancties die zijn uitgevaardigd door de Europese Unie (EU), de Verenigde Naties (VN) en de Verenigde Staten van Amerika (VS). Desgevraagd beroept verweerster zich in het bijzonder op het besluit van de Raad van de EU van 31 mei 2013, met nummer 2013/255/GBVB (hierna: het Raadsbesluit) en op regelgeving uit de VS. Hieruit vloeit voor haar een verbod voort om transacties naar Syrië te faciliteren.“. Dat maakt duidelijk dat een Syrische plaatsnaam in de naam van de ontvanger van een betaling niet relevant is.

[2] Citibank komt volgens de beslissing met een enorm verhaal zonder in te gaan op het feit dat de naam van een Nederlands bedrijf niets zegt over ingezetenschap van Syrië: “4.18 Verweerster stelt dat het doel niet met minder onderscheid makende middelen kan worden bereikt. Het toezicht op de uitvoering van de sanctiemaatregelen is uitzonderlijk strikt. Toezichthouders zoals De Nederlandsche Bank (DNB) hanteren een zerotolerance-beleid, waarbij elke overtreding van de sanctiemaatregelen door financiële instellingen wordt bestraft. Dat houdt in dat verweerster risico loopt op hoge boetes, sancties of vergunningsverlies, als zij een betaling doorzet die ten goede komt van een ingezetene van Syrië. Daar komt bij dat er een risico is op misbruik of omzeiling van de sanctiemaatregelen. Om dat te voorkomen, is screenen op een groot aantal trefwoorden volgens verweerster onvermijdelijk. Als een partij eenmaal is gescreend en er zijn geen risico’s geconstateerd, komt deze op een lijst van ‘goedgekeurde partijen’. Verzoekster voert aan dat er wel degelijk andere middelen voorhanden zijn. Verweerster zou bijvoorbeeld de website van de onderneming kunnen controleren op betrouwbaarheid. Ook is het mogelijk om de onderneming op te zoeken in het register van de Kamer van Koophandel (KvK), en na te gaan wie de uiteindelijke belanghebbende (UBO) is van de onderneming. Verzoekster stelt dat van verweerster kan worden gevergd dat zij een meer informeel, individueel onderzoek doet in plaats van de huidige geautomatiseerde blokkering van de transactie. Zij is nu op zowel persoonlijk als commercieel vlak de dupe van de screeningsmethode van verweerster.

[3] Uit de beslissing: “4.20 Ter zitting heeft verweerster desgevraagd toegelicht dat de door verzoekster voorgestelde maatregelen vanwege bedrijfseconomische overwegingen voor haar niet haalbaar zijn. Verweerster erkent dat verzoekster veel last heeft ondervonden van de geautomatiseerde screening. Gelet op het grote aantal te controleren transacties, levert het echter een te grote administratieve en personele last op om per mogelijk verdachte transactie een individueel onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de betrokkenen, zoals verzoekster voorstelt. Verweerster voert bovendien aan dat er beperkingen zijn in de toegang tot de registers van de KvK. Zij kan daarom haar onderzoek naar een mogelijk verdachte transactie niet baseren op de informatie uit deze registers.“.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Sanctieregels | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Het acceptatiebeleid van de Rabobank inzake de not-for-profit sector | Wwft, de-risking

Op dit moment ontbreekt een volwassen rechtsbescherming tegen het optreden van financiële instellingen in het kader van hun overheidstaken op het gebied van criminaliteitsbestrijding, bekend onder de naam ‘witwasbestrijding’ en bestrijding van terrorismefinanciering. Het is hoog tijd voor gespecialiseerde onafhankelijke rechtspraak en voor een nationale financiële ombudsman die zich ook met Wwft-geschillen bezig houdt.

Gevolg van het ontbreken van die volwassen rechtsbescherming is dat geschillen zich over allerlei vaak minder gespecialiseerde instanties verdelen, De zaken komen terecht bij het College voor de Rechten van de Mens, bij de private geschillenbeslechtingsinstantie van de financiële sector, de stichting Klachteninstituut financiële dienstverlening (Kifid), en bij de burgerlijke rechtspraak.

Op 4 april jl. werden een besluit van het College bekend gemaakt, waarin nationaliteitsdiscriminatie [1] aan de orde komt, maar waarin het acceptatiebeleid van een bank inzake stichtingen een belangrijke rol speelt.

Acceptatiebeleid van de Rabobank

Het gaat om de beslissing van 22 februari en gaat over een Nederlandse stichting die een bankrekening wil openen bij de Rabobank. De achtergrond wordt in de inleiding als volgt beschreven:

Een vrouw is voorzitter van een Nederlandse stichting binnen de non-profit sector. De vrouw heeft de Surinaamse nationaliteit en is woonachtig in Suriname. De vrouw wil voor de stichting een zakelijke bankrekening openen bij Rabobank. Doordat de stichting niet voldoet aan de voorwaarden uit het acceptatiebeleid, laat Rabobank weten dat zij geen zakelijke bankrekening kan openen. De eerste voorwaarde heeft te maken met het feit dat de stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft. Daarnaast hanteert Rabobank als voorwaarde dat ten minste twee bestuurders van de stichting een woonadres hebben in Nederland en een privérekening bij Rabobank: één bestuurder op het moment van de klantacceptatie en de tweede bestuurder uiterlijk binnen één jaar na klantacceptatie.

De onderbouwing van het beleid van de bank is uitermate vaag, er staat in de beslissing niet meer dan dat de bank aan de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moet voldoen, een open deur dus. Het acceptatiebeleid wordt wel in de uitspraak vermeld maar wordt niet toegelicht. Dus waarom dat acceptatiebeleid relevant zou zijn voor het Wft-/Wwft-klantenonderzoek blijft schimmig, het beleid wordt als volgt beschreven:

Tijdens het acceptatieproces is gebleken dat de stichting niet voldeed aan twee voorwaarden uit het acceptatiebeleid van verweerster. Allereerst de voorwaarde dat de stichting een ANBI-status of CBF-erkenning dient te hebben. Als tweede de voorwaarde dat ten minste twee bestuurders van de stichting een woonadres in Nederland hebben en een privérekening bij verweerster: waarvan één bestuurder op het moment van de klantacceptatie en de tweede bestuurder uiterlijk binnen een jaar na klantacceptatie.

Dat de bank wil dat bestuursleden privérekeningen bij dezelfde bank hebben, vind ik eveneens een hoogst merkwaardige voorwaarde. Ook ten aanzien van de voorwaarde van een ANBI-status of CBF-erkenning is de vraag of die wel gesteld mag worden, maar het is de vraag of die onderwerpen bij het College thuis horen.

Onderscheid op basis van woonadres

De vrouw zegt dat de bank op nationaliteit zou discrimineren, wat door de bank wordt tegen gesproken. Het College brengt in herinnering dat de bank bij het aanbieden van diensten geen onderscheid op grond van nationaliteit mag maken [2].

Onderscheid op nationaliteit
Het College meent dat het maken van onderscheid op basis van woonadres indirect een onderscheid op nationaliteit inhoudt (6.7):

Het College overweegt dat de voorwaarde, met betrekking tot het woonadres, geen direct onderscheid maakt op grond van nationaliteit. In Nederland wonen immers zowel personen met de Nederlandse nationaliteit als personen die een andere nationaliteit hebben. Dit neemt echter niet weg dat personen met een Nederlands woonadres overwegend personen zijn die de Nederlandse nationaliteit hebben. Personen met een niet-Nederlandse nationaliteit zullen daardoor vaker dan personen met de Nederlandse nationaliteit niet kunnen voldoen aan deze voorwaarde uit het acceptatiebeleid van verweerster. De groep personen die niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt, wordt door deze voorwaarde dan ook bijzonder getroffen. Het College stelt daarom vast dat de voorwaarde met betrekking tot het woonadres van bestuurders indirect onderscheid maakt op grond van nationaliteit.

Dat vind ik nog al wat, want mij lijkt dat ook een Nederlander die buiten Nederland woont met dit  beleid van de bank te maken kan krijgen.

Objectieve rechtvaardiging?
Vervolgens gaat het College na of er een objectieve rechtvaardiging is van het gemaakte onderscheid (6.8 en verder), waarbij allereerst wordt geconstateerd dat criminaliteitsbestrijding een legitiem doel is (6.9, 6.11). Vervolgens merkt het College over het woonadres op (verweerster is de bank) (6.10):

Een middel is passend als het geschikt is om het doel te bereiken. Verweerster hanteert als middel de voorwaarde dat (kort gezegd) ten minste twee bestuurders van de stichting een woonadres hebben in Nederland. Verweerster stelt dat het middel geschikt is om het doel te bereiken. Hiervoor voert zij aan dat artikel 3, tweede lid, sub c, van de Wwft voorschrijft dat de aard en het doel van een zakelijke relatie moet kunnen worden aangetoond, wil een prospect klant worden bij een bank in Nederland. Verweerster verwacht dat stichtingen zonder sterke binding met Nederland over het algemeen meer buitenlands betalingsverkeer hebben. Voor stichtingen in de goededoelensector met veel buitenlands betalingsverkeer, is het risico op betrokkenheid bij witwassen en/of terrorismefinanciering, over het algemeen groter. De vraag die verweerster daarom stelt is: wat is de reden dat een klant voor verweerster kiest? Voor klanten in de goededoelensector die in Nederland actief zijn, zijn de aard en het doel van de zakelijke relatie makkelijker en sneller vast te stellen dan voor klanten die in het buitenland actief zijn of die geen enkele binding hebben met Nederland. Gelet daarop stelt verweerster aan haar klanten de eis dat zij een woonadres hebben in Nederland.

De argumentatie dat de bank beter zicht heeft op stichtingen met bestuurders in Nederland, vind het College acceptabel (6.11).

De hele goededoelensector is volgens DNB hoog risico
Vervolgens bespreekt het College of de voorwaarde noodzakelijk is. Het is interessant om te lezen wat de merkwaardige opvattingen van DNB over het risicoprofiel van de goededoelensector zijn (markering door mij):

6.13 Verweerster herhaalt in dit verband dat zij in het kader van haar poortwachtersfunctie voorwaarden stelt aan klanten die opereren in de goededoelensector. De goededoelensector is een risicovolle sector waarvan algemeen onderkend is dat er een verhoogd risico bestaat op misbruik ten behoeve van witwassen of terrorismefinanciering. De toezichthouder heeft aan bancaire instellingen (zoals verweerster) de opdracht gegeven om risico’s in te schatten en maatregelen te hanteren om die risico’s te mitigeren. Verweerster heeft dit in haar acceptatiebeleid op zo een zorgvuldig mogelijke wijze proberen te doen door objectieve criteria vast te stellen. De voorwaarde met betrekking tot het woonadres is er daar één van.

Vervolgens wordt beweerd dat het onderzoek bij stichtingen zou duur zou zijn en dat het beleid van de bank daarom acceptabel is:

Het uitvoeren van de verplichtingen uit de Wwft brengt een grote werkdruk met zich mee en kost verweerster veel tijd, geld en menskracht. Met het hanteren van een acceptatiebeleid met objectieve criteria beoogt verweerster de hoeveelheid werk in balans te houden. Een ander niet- of minder onderscheidmakend middel is volgens verweerster niet voorhanden.

6.14 Het College kan het standpunt van verweerster, dat het uitvoeren van de opdracht die zij krijgt van de wetgever en de toezichthouder veel tijd, expertise en geld vergt, volgen. Het is daarom niet onlogisch dat verweerster – door voorwaarden te stellen in haar acceptatiebeleid – heeft gezocht naar een voor haar werkbare balans tussen het mitigeren van de risico’s enerzijds en het bieden van mogelijkheden voor stichtingen in de goededoelensector om te bankieren anderzijds.

Schokkend is dat er financiële instellingen zijn die een totale klantenstop op goededoelen hebben ingesteld:

Verweerster heeft in dit verband toegelicht dat zij – in tegenstelling tot sommige andere banken – er bewust voor heeft gekozen geen algehele klantenstop te zetten op de goededoelensector, juist omdat verweerster zich ervan bewust is dat stichtingen in deze sector een cruciale rol vervullen in de maatschappij. Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat zij bereid is nader onderzoek te doen naar een prospect op het moment dat deze, naar aanleiding van een afwijzing, een klacht indient of anderszins in bezwaar gaat tegen de beslissing van verweerster om geen zakelijke bankrekening te openen. Zodoende wordt volgens verweerster voorzien in een additionele controle en wordt voorkomen dat een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op het belang van een prospect (ofwel een stichting binnen de goededoelensector) om een zakelijke rekening te kunnen openen.

Noodzakelijkheid ontbreekt
Het College is het niet eens met het beleid van de bank:

6.15 Het College begrijpt dat verweerster de balans zoekt tussen haar eigen belangen (zowel risicomitigatie als het in de hand houden van de kosten daarvan) en het maatschappelijk belang dat wordt gediend door de goededoelensector. Verweerster heeft hierbij een mate van beleidsvrijheid. Zij heeft voor het woonplaatsvereiste gekozen omdat hiermee relaties worden uitgesloten waarbij de kans op oneigenlijk gebruik hoger is. Toepassing van dit vereiste leidt automatisch tot afwijzing van prospects die hier niet aan voldoen. Nader onderzoek vindt slechts plaats indien de prospect een klacht indient of anderszins bezwaar maakt tegen de beslissing van verweerster. Het College is echter van oordeel dat de automatische afwijzing van een aanvraag, wanneer niet aan het woonplaatsvereiste voldaan is, verder gaat dan noodzakelijk is om het doel van verweerster te bereiken. Verweerster zou ervoor kunnen kiezen om actief prospects die niet aan het woonplaatsvereiste voldoen te informeren over het doel van dit vereiste, en hen uit te nodigen om op andere wijze aan te tonen dat de aard en het doel van de beoogde zakelijke relatie legitiem zijn. Het College is zich ervan bewust dat hiermee toch een extra onderzoekslast op verweerster wordt gelegd. Deze onderzoekslast is echter beperkt, omdat het in de eerste plaats aan de prospect is om feiten aan te voeren waaruit de legitieme aard van de relatie blijkt. De hier voorgestelde werkwijze is bovendien enkel aangewezen wanneer de afwijzing van een aanvraag gebaseerd is op een vereiste dat, zoals het woonplaatsvereiste, indirect onderscheid maakt op één van de in de AWGB beschermde gronden, in dit geval nationaliteit. Het College concludeert dat het beleid van verweerster in de huidige vorm niet voldoet aan het subsidiariteitsvereiste en daarom de noodzakelijkheidstoets niet volstaat

Het College concludeert dat de bank een verboden onderscheid heeft gemaakt jegens de vrouw op grond van nationaliteit en zijn werkwijze moet aanpassen. Uit het artikel blijkt dat de Rabobank haar beleid heeft aangepast.

Naschrift

Het is interessant of banken hun acceptatiebeleid kunnen onderbouwen. Deze beslissing en de geciteerde passages van de Rabobank hebben me niet veel wijzer gemaakt.

Het is mij niet duidelijk waarom de woonplaats van bestuurders soms wel (bij stichtingen) en soms niet (bij bv’s) relevant is. Bij besloten vennootschappen komt regelmatig voor dat de rechtspersonen buitenlandse bestuurders hebben. Ik heb niet gehoord dat die bv’s geen rekeningen kunnen openen, dus het lijkt er op dat de eis van een Nederlands woonadres alleen aan stichtingen wordt gesteld.

Ook de eisen van een ANBI-keurmerk en CBF-certificering zijn hoogst twijfelachtig [3], want in de beslissing lees ik dat de stichting ‘Stichting Boekenportaal Suriname’ heet, zodat het goed mogelijk is dat de organisatie zichzelf kan bedruipen met de opbrengsten van de verkoop van boeken in de Surinaamse taal in Nederland en Suriname [4].

Ronduit schokkend is dat de bank – in navolging van DNB – beweert dat de hele goededoelensector een hoog risico op witwassen en terrorismefinanciering zou opleveren, wat mij grote kolder lijkt, ook al wordt het 1000x herhaald door allerlei opsporingsmensen zonder kennis van de not-for-profit. Het is hoog tijd dat de not-for-profit sector het onjuiste standpunt van DNB aan de kaak stelt!

 

Noten

[1] Gisteren schreef ik al over nationaliteitsdiscriminatie in het algemeen en over de beslissingen van het College voor de Rechten van de Mens. Het College heeft al een groot aantal zaken over dergelijke discriminatie behandeld, onder meer de Alex uitspraak die ik in 2014 heb besproken maar niet meer op de site van het College is te vinden.
[2] Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 van deze wet.
[3] In het artikel wordt abusievelijk over ‘ANBI-keurmerk’ gesproken, terwijl het geen keurmerk is.
[4] Niet nagekeken of dat zo is, uit de uitspraak wordt het niet duidelijk.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Stichting en vereniging | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie