De raadselachtige verdwijning van Belgische verenigingen | witwasbestrijding in België

Een tijdje geleden kwam ik tegen dat in België op grote schaal verenigingen (vzw’s) ambtshalve worden doorgehaald in het Belgische handelsregister (de Kruispuntbank van Ondernemingen, ‘KBO’) [1].
Het doorhalen is gebaseerd op Belgische antiwitwaswetgeving [2]. Het Belgische financiële ministerie spreekt in januari 2024 over bijna 21.000 doorhalingen (ik zie niet welke periode).

Het Belang van Limburg schreef in februari 2024 (betaalmuur) “De afgelopen weken zijn er in Limburg al 427 vzw’s geschrapt uit de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) omdat ze bepaalde administratieve verplichtingen niet nakomen“.
Het artikel beschrijft dat de doorhalingen meestal te maken hebben met de antiwitwasregels in België die (net als elders in de EU) voorschrijven dat alle rechtspersonen ‘uiteindelijk belanghebbenden’ (ubo’s) hebben die in het ubo-register geregistreerd moeten worden en ‘jaarlijks bevestigd’  moeten worden (die laatste regel is er in Nederland niet, maar komt er dacht ik in het AML Package wel aan, lang leve de bureaucratie).
Uit het artikel blijkt dat er vanwege niet-nakoming van de ubo-verplichtingen in heel België grootschalig rechtspersonen worden doorgehaald en dat die rechtspersonen vervolgens problemen met de bank kunnen krijgen.

Ik vind het intrigerend: wordt de non-profit sector in België door middel van de antiwitwaswetgeving geëlimineerd? Zijn er cijfers over aantallen vzw’s die zijn doorgehaald en vervolgens weer zijn ‘teruggekomen’? Welke gevolgen heeft dit voor het maatschappelijke middenveld?

Als er lezers zijn die hier meer over weten, hoor ik dat graag.

 

Noten:

[1] Een voorbeeld van doorhalingen is hier te vinden, “Lijst van geregistreerde entiteiten (hierna ‘entiteiten’) die het voorwerp zijn geweest van een ambtshalve doorhaling in de Kruispuntbank van Ondernemingen wegens niet vervullen UBO-verplichtingen“, er staan ook andere entiteiten op dan verenigingen. Lees ook de informatie over het Belgische ubo-register.

[2] Het fenomeen wordt door het Belgische ministerie van Financiën op deze pagina beschreven onder het kopje ‘Ambtshalve doorhaling wegens niet-naleving van de UBO-formaliteiten‘:

Klik op het plaatje om de pdf-versie te bekijken.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Not-for-profit, Ubo-register | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Optreden symposium privacy- en gegevensbeschermingsrecht

Op 18 juni a.s. zal ik tjdens het VPR-A Symposium Privacy- en gegevensbeschermingsrecht 2024 privacy professionals voorlichten over het juridisch systeem dat aan de privatisering van de criminaliteitsbestrijding (‘witwasbestrijding’) ten grondslag ligt.
De focus ligt op de verwerking van persoonsgegevens door witwasbestrijdingsplichtigen, met inbegrip van risicoprofilering (onder meer met AI), het gebruik van diensten van wereldwijd opererende datahandelaren en de gegevensuitwisseling op grond van publiek-private samenwerking. Ik hoop ook aan de Europese antiwitwasverordening toe te komen.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: | Plaats een reactie

Aangifte wegens witwassen van winsten uit oorlogsmisdrijven kan ook gevolgen hebben voor Wwft-plichtigen | Wwft, strafrecht

Een aantal organisaties maakten bekend bij het Openbaar Ministerie aangifte te hebben gedaan van een strafbaar feit tegen Booking.com omdat dit bedrijf accommodaties in door Israël bezette gebieden aanbiedt [1].
Daar is iets aan vooraf gegaan. Booking.com is door de Hoge VN-Commissaris voor de Mensenrechten verzocht om het aanbieden van accommodaties in deze gebieden te stoppen en ook Human Rights Watch en Amnesty International verzochten het bedrijf met de praktijken te stoppen [2].

Follow the Money meldt [3] dat hoogleraar internationaal recht Marcel Brus denkt dat een aangifte vanwege witwassen meer kans maakt dan eerdere gevallen waarin medeplichtigheid aan internationale misdrijven centraal stond en citeert: ‘De drempel is lager, omdat niet bewezen hoeft te worden dat het bedrijf zich zelf schuldig maakt aan een internationaal misdrijf’.

Deze aangifte is niet alleen strafrechtelijk relevant. Witwasbestrijdingsplichtigen die zaken doen met Booking.com zullen moeten nagaan of zij die relatie wel kunnen handhaven.

 

 

Noten:

[1] De EUObserver schreef er over (betaalmuur). De aangifte werd door The Rights Forum aangekondigd.
[2] Zie het bericht van The Rights Forum.
[3] Follow the Money (FtM), Booking.com verdient aan illegale Israëlische nederzettingen, ngo’s doen aangifte van witwassen (betaalmuur). In december 2023 werd door FtM al aandacht besteed aan de praktijken.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Strafrecht | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Information sharing for AML purposes in Article 75 AMLR | Cusack, AML Package

John Cusack wrote EU Article 75 – Pan EU information sharing is coming, but will it be enough? for a financial crime site. In the article the Dutch initiative for Transactiemonitoring Nederland (TMNL) is mentioned.

Cusack on linkedin announced article 75 Anti-Money Laundering Regulation (AMLR) as a hidden away “potential welcome new weapon, which is finally being added to the EU armoury on information sharing to fight financial crime, which has been endlessly discussed and promoted by both the public and the private sectors over the last years“.

The article is relevant for Dutch information sharing initiatives, like TMNL and the proposal for the Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS).

 

Article 75 AMLR

The article reads as follows in the version of the European Parliament:

CHAPTER VI
INFORMATION SHARING

Article 75
Exchange of information in the framework of partnerships for information sharing

1. Members of partnerships for information sharing may share information among each other where strictly necessary for the purposes of complying with the obligations under Chapter III and Article 69 and in accordance with fundamental rights and judicial procedural safeguards.

2. Obliged entities intending to participate in a partnership for information sharing shall notify their respective supervisory authorities which shall, where relevant in consultation with each other and with the authorities in charge of verifying compliance with Regulation (EU) 2016/679, verify that the partnership for information sharing has mechanisms in place to ensure compliance with this Article and that the data protection impact assessment referred to in paragraph 4, point (h), has been carried out. The verification shall take place prior to the beginning of the activities of the partnership for information sharing. Where relevant, the supervisory authorities shall also consult the FIUs.

Responsibility for compliance with requirements under Union or national law shall remain with the participants in the partnership for information sharing.

3. Information exchanged in the framework of a partnership for information sharing shall be limited to:

(a) information on the customer, including any information obtained in the course of identifying and verifying the identity of the customer and, where relevant, the beneficial owner of the customer;
(b) information on the purpose and intended nature of the business relationship or occasional transaction between the customer and the obliged entity, as well as, where applicable, the source of wealth and source of funds of the customer;
(c) information on customer transactions;
(d) information on higher and lower risk factors associated with the customer;
(e) the obliged entity’s analysis of the risks associated with the customer pursuant to Article 20(2);
(f) information held by the obliged entity pursuant to Article 77(1);
(g) information on suspicions pursuant to Article 69.

The information referred to in the first subparagraph shall only be exchanged to the extent that it is necessary for the purposes of carrying out the activities of the partnership for information sharing.

4. The following conditions shall apply to the sharing of information within the context of a partnership for information sharing:

(a) obliged entities shall record all instances of information sharing within the partnership;
(b) obliged entities shall not rely solely on the information received in the context of the partnership to comply with the requirements of this Regulation;
(c) obliged entities shall not draw conclusions or take decisions that have an impact on the business relationship with the customer or on the performance of occasional transactions for the customer on the basis of information received from other participants in the partnership for information sharing without having assessed that information; any information received in the context of the partnership that is used in an assessment resulting in a decision to refuse or terminate a business relationship or to carry out an occasional transaction shall be included in the records kept pursuant to Article 21(3), and that record shall contain reference to the fact that the information originated from a partnership for information sharing;
(d) obliged entities shall carry out their own assessment of transactions involving customers in order to assess which ones may be related to money laundering or terrorist financing or involve proceeds of criminal activity;
(e) obliged entities shall implement appropriate technical and organisational measures, including measures to allows pseudonymisation, to ensure a level of security and confidentiality proportionate to the nature and extent of the information exchanged;
(f) the sharing of information shall be carried out only in relation to customers:

(i) whose behaviour or transaction activities are associated with a higher risk of money laundering, its predicate offences or terrorist financing, as identified pursuant to the risk assessment at Union level and the national risk assessment carried out in accordance with Articles 7 and 8 of Directive (EU) 2024/…(80);
(ii) who fall under any of the situations referred to in Articles 29, 30, 31 and 36 to 46 of this Regulation; or
(iii) for whom the obliged entities need to collect additional information in order to determine whether they are associated with a higher level of risk of money laundering, its predicate offences or terrorist financing;

(g) information generated through the use of artificial intelligence, machine learning technologies or algorithms may only be shared where those processes were subject to adequate human oversight;
(h) a data protection impact assessment referred to in Article 35 of Regulation (EU) 2016/679 shall be carried out prior to the processing of any personal data;
(i) the competent authorities that are members of a partnership for information sharing shall only obtain, provide and exchange information to the extent that this is necessary for the performance of their tasks under relevant Union or national law;
(j) where competent authorities referred to in Article 2(1), point (44)(c), of this Regulation participate in a partnership for information sharing, they shall only obtain, provide or exchange personal data and operational information in accordance with national law transposing Directive (EU) 2016/680 of the European Parliament and of the Council(81) and with the applicable provisions of national criminal procedural law, including prior judicial authorisation or any other national procedural safeguard as required;
(k) the exchange of information on suspicious transactions pursuant to paragraph 3, point (g), of this Article shall only take place where the FIU to which the suspicious transaction report was submitted pursuant to Articles 69 or 70 has agreed with such disclosure.

5. Information received in the context of a partnership for information sharing shall not be further transmitted, except where:

(a) the information is provided to another obliged entity pursuant to Article 49(1);
(b) the information is to be included in a report submitted to the FIU or provided in response to a FIU request pursuant to Article 69(1);
(c) the information is provided to AMLA pursuant to Article 93 of Regulation (EU) 2024/…(82);
(d) the information is requested by law enforcement or judicial authorities, subject to any prior authorisations or other procedural guarantees as required under the national law.

6. Obliged entities that participate in partnerships for information sharing shall define policies and procedures for the sharing of information in their internal policies and procedures established pursuant to Article 9. Such policies and procedures shall:

(a) specify the assessment to be carried out to determine the extent of information to be shared, and where relevant for the nature of the information or the applicable judicial safeguards, provide for differentiated or limited access to information for members of the partnership;
(b) describe the roles and responsibilities of the parties to the partnership for information-sharing;
(c) identify the risk assessments that the obliged entity will take into account to determine situations of higher risk in which information can be shared.

The internal policies and procedures referred to in the first subparagraph shall be drawn up prior to the participation in a partnership for information sharing.

7. Where supervisory authorities deem it necessary, obliged entities participating in a partnership for information sharing shall commission an independent audit of the functioning of that partnership and shall share the results with the supervisory authorities.

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Bestuurders van rechtspersonen zullen snel onder de Wtt 2018 komen te vallen

Onlangs stond de definitie van ‘trustkantoor’ op de agenda van de commissie Financiën van de Tweede Kamer [*]. Het plan is om een grotere groep statutair bestuurders onder de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) te laten vallen. Ik kondigde het voorstel eerder al aan.

Als ik het goed zie is er ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel niets aan de tekst gewijzigd, zie ook de doorlopende tekst tot en met nummer 8.
Volgens de memorie van toelichting zou het bij de wijziging alleen gaan om mensen die als ‘administratief bestuurder’ optreden, ook al kennen we dat fenomeen in het rechtspersonenrecht niet. Ook zou relevant zijn of iemand als ‘beroepshalve’ bestuurder optreedt, wat al bij één bestuurderschap het geval kan zijn, want de minister van Financiën schrijft (markering door mij):

Hiermee kwalificeert het zijn van bestuurder voor één rechtspersoon in de praktijk in de regel niet als trustdienst.

Boeiend en goed nieuws voor de trustkantorensector en hun complianceleveranciers, want er is extra werk in aantocht.

 

[*] Het is onderdeel van het voorstel voor de Wijzigingswet financiële markten 2024.

 

Een variant van dit bericht verscheen op de site van Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Trustkantoren | Plaats een reactie

Heel ondernemend Nederland verdacht? De hoog risico sectoren van de Wwft

Het is hoog tijd om eens uit te zoeken welk deel van het Nederlandse bedrijfsleven hulpje is voor de overheid bij het detecteren van crimineel geld (‘witwasbestrijding’ en bestrijding terrorismefinanciering). Het belangrijkste voorbeeld: de banken.

Omvang hoog risico sectoren in Nederland

Ook is nodig dat eens wordt gekeken welk deel van bedrijven en organisaties volgens de overheid ‘hoog risico’ is op criminaliteit [1]. Immers, dat betekent dat witwasbestrijdende bedrijven extra maatregelen moeten nemen om te bewijzen dat zij die hoog risicogroep uitputtend hebben onderzocht op criminaliteit en dat zij de risico’s hebben beperkt (‘gemitigeerd’). De praktijk leert dat die extra maatregelen zo duur zijn, dat bedrijven de klanten die een vermeend hoog risico opleveren niet willen hebben, dat wordt ‘de-risking’ genoemd.

Het zou me niets verbazen als bijna het hele bedrijfsleven en alle overige organisaties hoog risico zijn.

De vele lijsten van hoog risico sectoren, Europees en nationaal
In de witwasbestrijding moeten bedrijven acht slaan op de vele lijsten van hoog risico sectoren [2] die door allerlei instanties zijn uitgevaardigd.
De belangrijkste lijst is bijlage III bij de Europese antiwitwasrichtlijn [3], die binnenkort zal worden vervangen door bijlage III van de Europese antiwitwasverordening [4]. Daar komen dan de supranationale risicoanalyse door de Europese Commissie bij en de nationale risicoanalyses, zoals die van Nederland [5].
De nationale antiwitwastoezichthouders [6] hebben hun eigen opvattingen over de vraag welke sectoren hoog risico zijn, zie bijvoorbeeld dit blog over hoe DNB via hun uitvraagformulier duidelijk maakte welke sectoren DNB hoog risico acht. Verder is er nog een heel scala van Nederlandse instanties met hun eigen opvattingen, zoals het Nederlandse Anti Money Laundering Centre (AMLC) [7].

De hoog risicosectoren van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)
In het Bibob domein vindt een integriteitsonderzoek plaats in hoog risico sectoren volgens deze wetgeving. Zie daarover het jaarverslag van het Landelijk Bureau Bibob over 2023 [8], waarin op pagina 21 wordt gemeld dat de lijst met ‘risicobranches’ wordt uitgebreid met onder meer massagesalons, tattooshops, kinderopvang, vakantie- en recreatieparken en campings.

De bestaande risicobranches zijn uit onderstaand overzicht op pagina 8 af te leiden:

In de algemene informatie over de Wet Bibob is dit overzicht [9] te vinden:

De hoog risico sectoren van de Wet Bibob komen deels overeen met wat de witwasbestrijders als hoog risico beschouwen.

Tot slot
Het aardige van alle verschillende lijsten is dat een witwasbestrijdingsplichtige het nooit goed kan doen, wat een interessante inkomstenbron voor de overheid kan betekenen (boetes).

 

 

Noten:

[1] In de witwasbestrijding gaat het dan om crimineel geld (‘witwassen’) en terrorismfinanciering.

[2] Ook hoog risico landen, die ik ‘schurkenstaten’ noem – zie de berichten met de tag schurkenstaten – zijn relevant, maar daar gaat dit blog niet over.

[3] De Nederlandstalige versie van bijlage III is hier te vinden.

[4] Zie deze pagina voor de door het Europees Parlement geaccepteerde tekst. Bijlage III luidt daar:

ANNEX III
Higher risk factors

The following is a non-exhaustive list of factors and types of evidence of potentially higher risk referred to in Article 20:

(1) Customer risk factors:

(a) the business relationship or occasional transaction is conducted in unusual circumstances;
(b) customers that are resident in geographical areas of higher risk as set out in point (3);
(c) legal persons or legal arrangements that are personal asset-holding vehicles;
(d) corporate entities that have nominee shareholders or shares in bearer form;
(e) businesses that are cash-intensive;
(f) the ownership structure of the company appears unusual or excessively complex given the nature of the company’s business;
(g) customer is a third country national who applies for residence rights in a Member State in exchange of any kind of investment, including capital transfers, purchase or renting of property, investment in government bonds, investment in corporate entities, donation or endowment of an activity contributing to the public good and contributions to the state budget;
(h) customer is a legal entity or arrangement created or set up in a jurisdiction in which it has no real economic activity, substantial economic presence or apparent economic rationale;
(i) customer is directly or indirectly owned by one or several entities or arrangements under point (h);

(2) Product, service, transaction or delivery channel risk factors:

(a) private banking;
(b) products or transactions that might favour anonymity;
(c) payment received from unknown or unassociated third parties;
(d) new products and new business practices, including new delivery mechanism, and the use of new or developing technologies for both new and pre-existing products;
(e) transactions related to oil, arms, precious metals or stones, tobacco products, cultural artefacts and other items of archaeological, historical, cultural and religious importance, or of rare scientific value, as well as ivory and protected species;

(3) Geographical risk factors:

(a) third countries subject to increased monitoring or otherwise identified by the FATF due to the compliance weaknesses in their AML/CFT systems;
(b) third countries identified by credible sources/ acknowledged processes, such as mutual evaluations, detailed assessment reports or published follow-up reports, as not having effective AML/CFT systems;
(c) third countries identified by credible sources/ acknowledged processes as having significant levels of corruption or other criminal activity;
(d) third countries subject to sanctions, embargos or similar measures issued by, for example, the Union or the UN;
(e) third countries providing funding or support for terrorist activities, or that have designated terrorist organisations operating within their country;
(f) third countries identified by credible sources or pursuant to acknowledged processes as enabling financial secrecy by:

(i) posing barriers to the cooperation and exchange of information with other jurisdictions;
(ii) having strict corporate or banking secrecy laws which prevent institutions and their employees from providing customer information to competent authorities, including through fines and penalties;
(iii) having weak controls for the creation of legal entities or setting up of legal arrangements; or
(iv) not requiring beneficial ownership information to be recorded or held in a central database or register.

[5] Zie op dit blog de berichten over de Supranational Risk Assessment Report en over de National Risk Assessment.

[6] Nederland kent zes Wwft-toezichthouders, een overzicht is bij FIU-Nederland te vinden. Al die toezichthouders hebben eigen handleidingen, leidraden, enzovoorts.

[7] Anti Money Laundering Centre: site, FIU-Nederland: site.

[8] Zie het jaarverslag 2023 (pdf) van het Landelijk Bureau Bibob (dat op de site wordt gerangschikt onder ‘producten’). Opvallend is dat het jaarverslag de bekende antiwitwasterminologie waarin ook de overheid wordt gecriminaliseerd als facilitator van criminelen en waarin ondermijning niet mag ontbreken: “Zo wordt voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert en wordt de bonafide ondernemer beschermd tegen oneerlijke concurrentie. Ook wordt de Wet Bibob vaak ingezet als instrument in de brede aanpak tegen ondermijning“.

[9] Op deze pagina wordt het toepassingsbereik beschreven en is de infographic te vinden.

 

 

Artikelen over de hoog risico sectoren in de witwasbestrijding zijn op dit blog hier te vinden.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Nieuwe gegevensdelingswetgeving terwijl de Wet Bibob nauwelijks wordt gebruikt | WGS, Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Onlangs bracht de Kwaliteitscommissie Bibob [1] het jaarverslag over 2023 uit. Deze commissie houdt toezicht op de uitvoering van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) door het landelijk bureau [2]. Onderdeel van het Bibob-systeem [3] is dat aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB) advies kan worden gevraagd. Dit bureau heeft toegang tot allerlei bijzondere informatiebronnen.

Uit het jaarverslag blijkt dat overheden hun mogelijkheden niet gebruiken om aan het LBB advies te vragen. Dus terwijl aan de ene kant allerlei overheidsinstanties (onder meer gemeenten) roepen om gegevens delen (zie de parlementaire geschiedenis van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, WGS), doet diezelfde overheid onvoldoende met de vele bevoegdheden die ze al hebben.

Lees in het jaarverslag pagina 11 over gemeenten en provincies:

Bestuursorganen lijken verschillend te handelen bij de keuze om wel of niet een Bibob-onderzoek te starten en vervolgens het Bureau om een advies te vragen. De Kwaliteitscommissie heeft de indruk dat dit deels ook komt door een gebrek aan kennis van de Wet Bibob, de mogelijkheid om een Bibob-advies aan te vragen en de mogelijkheden van de inzet van het Bibob-instrument. Van het totaal aantal binnengekomen aanvragen om een advies bij het Bureau in 2023 zijn 234 aanvragen door een gemeente ingediend, 14 aanvragen door een provincie en 2 aanvragen door een Omgevingsdienst.

In 2023 zijn er door 90 verschillende gemeentes aanvragen om een advies ingediend, terwijl er 342 gemeentes in Nederland zijn. De Kwaliteitscommissie constateert daarmee dat er een groot aantal gemeentes is dat nog geen gebruik maakt van de mogelijkheid om een Bibob-advies aan te vragen bij het Bureau.

Op pagina 12 wordt gemeld dat de rijksoverheid evenmin veel gebruik maakt van de mogelijkheid om advies te vragen:

Aanvragen door de Rijksoverheid
Het valt de Kwaliteitscommissie op dat het totaal aantal aanvragen om een Bibobadvies die vanuit de Rijksoverheid worden gedaan beperkt lijkt te zijn. Van het totaal aantal binnengekomen aanvragen om een advies bij het Bureau in 2023 zijn 9 aanvragen vanuit het Rijk ingediend.

Het is teleurstellend dat de Wet Bibob niet goed wordt gebruikt.

 

 

Noten:

[1] De taak wordt op de pagina over de Kwaliteitscommissie Bibob als volgt beschreven: “Om de transparantie en de kwaliteit van de Bibob-adviezen te bevorderen, is een onafhankelijke kwaliteitscommissie opgericht die steekproefsgewijs de kwaliteit van de adviezen van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) en de zorgvuldigheid waarmee die adviezen worden gemaakt, beoordeelt.

[2] Wordt er toezicht gehouden op de wijze waarop de individuele overheidsinstanties hun Bibob-onderzoek uitvoeren? Ik had nog geen gelegenheid om daar in te duiken.

[3] Op deze pagina wordt het toepassingsbereik beschreven:

(klik op het plaatje voor een grotere versie)

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Strafrecht | Tags: , , , | Plaats een reactie

Is FATCA Ongewenste Buitenlandse Inmenging (OBI)?

Eritrea en de Verenigde Staten hebben iets gemeen: ze heffen allebei belasting bij mensen die de nationaliteit hebben van hun land, ook al is betrokkene geen fiscaal inwoner van Eritrea respectievelijk de VS.
De manier van heffing is wel verschillend, de VS eist dat aangifte over het wereldinkomen wordt gedaan en dwingt via de FATCA wet financiële instellingen tot het leveren van financiële gegevens van Amerikanen die geen fiscaal inwoner van de VS zijn (uitleg), terwijl Eritrea een vast bedrag in rekening brengt. De door Eritrea geheven belasting wordt ook wel ‘diasporabelasting’ genoemd.

Ongewenste inmenging door de VS
De Amerikaanse regelgeving die effect heeft in Nederland, zorgt er onder meer voor dat mensen met de Amerikaanse nationaliteit die in Nederland wonen moeilijk aan een bankrekening kunnen komen en bepaalde financiële producten niet kunnen afnemen van Nederlandse financiële instellingen.
Toch wordt door de Nederlandse overheid nog niet geageerd tegen Ongewenste Buitenlandse Inmenging (OBI) door de VS in Nederland.

Ongewenste inmenging door Eritrea
In relatie tot Eritrea wordt wel over OBI gesproken. Lees in dat verband de brief die de ministers van Buitenlandse Zaken en Veiligheid op 14 mei jl. schreven aan de Tweede Kamer. In de brief wordt gemeld dat Eritrea valt onder het OBI-programma dat sinds 2018 bestaat. Voorts wordt een vraag over de inning van de Eritrese diasporabelasting beantwoord [*]:

Zoals ook aangegeven in een Kamerbrief van 9 november 2018 [6] zijn de afgelopen jaren op verzoek van uw Kamer verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de Eritrese diasporabelasting en de wijze van inning van deze belasting. Uit deze onderzoeken is gebleken dat de inning van diasporabelasting niet onrechtmatig is. In het algemeen geldt dat staten de vrijheid hebben om, binnen de grenzen van het internationale recht, hun belastingstelsel in te richten en hierbij maatregelen te nemen om zich te verzekeren van de inning van belasting. De onderzoeken bevestigden tevens dat het in het Nederlandse belastingstelsel niet mogelijk is om de heffing en de inning van de Eritrese diasporabelasting in Nederland te verbieden. De inning is sinds een ministeriële regeling uit 2016 [7] wel verboden als deze gepaard gaat met fraude, dwang, afpersing en andere strafbare feiten, of wanneer zij in strijd is met het op Eritrea van toepassing zijnde sanctieregime. Dat is niet gebleken.

[6] Kamerstuk 22831, nr. 136
[7] Staatscourant 2016, 58321 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)

Zou Nederland in het kader van de internationale fiscale gegevensuitwisseling gegevens aan de Eritrese overheid verstrekken inzake Eritrese staatsburgers die in Nederland wonen en zou Nederland mee werken aan incassoverzoeken van de Eritrese overheid als de Eritreeërs die in Nederland wonen weigeren de diasporabelasting te betalen. Ik  ben niet thuis in deze materie maar ik vermoed zo maar dat Nederland dat niet doet.

Tot slot
Misschien moeten de slachtoffers van FATCA en andere Amerikaanse overheidsmaatregelen maar eens en OBI-melding doen. Want ik neem aan dat ongewenste buitenlandse inmenging niet beperkt is tot fraude, dwang, afpersing en andere strafbare feiten en dat belastende regelgeving die in strijd is met fundamentele rechten er ook onder valt.

 

 

[*] In het antwoord valt op: “In het algemeen geldt dat staten de vrijheid hebben om, binnen de grenzen van het internationale recht, hun belastingstelsel in te richten en hierbij maatregelen te nemen om zich te verzekeren van de inning van belasting“. Aangenomen mag worden dat dit internationale recht de grondrechten van burgers erkent en eisen stelt aan inbreuk op hun eigendomsrechten. Overigens ben ik benieuwd naar de in het citaat genoemde onderzoeken en waarop wordt gebaseerd dat buitenlands recht wordt geaccepteerd.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

De extremismebestrijdingsstrategie van het kabinet

Het demissionaire kabinet heeft een extremismestrategie (pdf) uitgebracht (aankondiging), waarin wordt beoogd zowel gewelddadige types te bestrijden [*] als mensen die op niet-gewelddadige wijze de rechtstaat, de overheid en de wetenschap in twijfel trekken. Tot die laatste groep behoren ook bepaalde mensen van politieke partijen die nu bezig zijn met de formatie van een nieuw kabinet [**], maar daar zwijgt de strategie over.

De zwakte in de strategie zit in het onderscheid dat men probeert te maken tussen extremisme (dat ongewenst is, ook als het niet gewelddadig is) en activisme [***]. Dat zou wel eens een politiek onderscheid kunnen zijn.

Op dezelfde pagina wordt opgemerkt dat onder meer de Marechaussee tegen extremisme kan optreden. Het zal me benieuwen of die organisatie, bekend van de flater met demonstranten, wel geschikt is voor die rol.

Het lijkt me een moeilijke opgaaf om vast te stellen wat niet-gewelddadig extremisme is en om niet te vervallen in het onnodig beperken van burgers.

 

 

[*] Het rapport deelt haatzaaien op pagina 13 in bij ‘niet gewelddadig’. Daar kunnen vraagtekens bij worden gezet.
[**] Ooit was er een bekende politicus die sprak over het ‘nepparlement’.
[***] Zie pagina 12 van het strategiedocument.

Geplaatst in Grondrechten | Tags: , | Plaats een reactie

Sophie in’t Veld: Europe lacks political will to tackle spyware

Watch the video with Sophie in’t Veld:
 

 

 

In Dutch: article security.nl.

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: | Plaats een reactie