Is de gegevensdelingswet voor banken een Super-SyRI?

Zoals bekend heeft de Tweede Kamer de wet aangenomen die het mogelijk zal maken dat de banken hun eigen surveillance organisatie – Transactiemonitoring Nederland (TMNL) – kunnen optuigen. Deze wet heet de Wet gegevensverwerking samenwerkingsverbanden (WGS).

In het kader van de behandeling in de Eerste Kamer waarschuwt de maatschappelijke coalitie tegen SyRI voor het wetsvoorstel, dat zij ‘Super SyRI’ noemen. Zij schrijven:

Dit voorstel legitimeert de werkwijze die leidde tot de toeslagenaffaire.

Lees SyRI-coalitie aan Eerste Kamer: ‘Super SyRI’ blauwdruk voor meer toeslagenaffaires (11 januari).

Afbrokkeling van de bescherming van burgers
Maxim Februari schreef een kritisch artikel over de afbrokkeling van de bescherming van burgers en organisaties tegen gulzige overheden en financiële instellingen. Hij schrijft onder meer:

De directeur van onderzoeksnetwerk Kafkabrigade merkte op dat burgers meestal geen idee hebben wie hun gegevens allemaal in huis hebben en hoe ze die kunnen opvragen. Door „de lappendeken aan stichtingen die persoonsgegevens verwerken” wordt het steeds moeilijker je te verdedigen en beschikking te krijgen over je eigen dossier.

Verder maakt hij melding van het proefschrift van Marlies van Eck over rechtsbescherming bij geautomatiseerde ketenbesluiten en schrijft:

Er moet toezicht op komen, maar Van Eck zegt dat ze bij de automatisering van menselijke overheidstaken nog nooit structurele toezichthoudende activiteiten heeft gezien. „Terwijl de ontwikkeling van computerbesluiten al twintig of misschien wel dertig jaar aan de hand is. Dat maakt mij niet zo optimistisch voor de toekomst.”

Zeer fundamenteel is zijn opmerking over de rechtsstatelijkheid van de criminaliteitsbestrijding:

de trias politica wankelt nu de uitvoering dominant wordt, het legaliteitsbeginsel wankelt nu regels niet meer te doorzien zijn en het principe van doelbinding wordt losgelaten. De rechtsbescherming verdwijnt op hoog tempo en veel politieke partijen zijn nog niet begonnen hierover na te denken.

Hij signaleert de niet-transparante rol van bedrijven, met name banken:

Overheden delen gegevens met bedrijven die daardoor het bestuur overnemen – de nieuwe wet is er een voorbeeld van.

Het is terecht dat hij eindigt met de mededeling dat het onverstandig is dat de oude waarborgen worden afgeschaft zonder dat er wordt gezocht naar nieuwe waarborgen. Dat is vriendelijk gezegd, maar moet als spijkerharde kritiek op de huidige en voorgenomen criminaliteitsbestrijding worden aangemerkt.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Prejudiciële vragen aan het CJE over het ubo-register | Wwft

Het Tribunal d’arrondissement te Luxemburg heeft een prejudiciële beslissing gevraagd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECJ) inzake de Luxemburgse ubo-registerwet [1] en over de 4e Europese antiwitwasrichtlijn (AMLD4) [2], waarop die wet gebaseerd is.

Het Tribunal vraagt of de bepaling in AMLD4 inzake openbaarheid van het register van uiteindelijk belanghebbenden (ubo-register) rechtsgeldig is in het licht van het EVRM en het Europees Handvest en voorts wordt de vraag gesteld waarop is gebaseerd dat de criminaliteitsbestrijding is gediend met de openbaarheid van het register. Voorts wordt een vraag gesteld over de ‘uitzonderlijke omstandigheden’ waaronder de persoonsgegevens van de uiteindelijk belanghebbende niet openbaar hoeven te worden gemaakt. Ook ligt de vraag voor of wel juist is dat de ubo niet mag weten wie om inzage in zijn gegevens heeft gevraagd.

Het verzoek is gedaan in de Franse taal in een procedure tussen een in Luxemburg gevestigde naamloze vennootschap en het Luxemburgse handelsregister. Er is een Nederlandse vertaling beschikbaar [3], waarin de vragen van de Luxemburgse rechter aan het ECJ als volgt worden verwoord:

Eerste vraag

Indien artikel 1, lid 15, onder c), van richtlijn (EU) 2018/843, tot wijziging van artikel 30, lid 5, eerste alinea, van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie , aldus moet worden opgevat dat het de lidstaten verplicht de [Or. 11] informatie over de uiteindelijk begunstigden in alle gevallen voor alle leden van het grote publiek toegankelijk te maken zonder dat een rechtmatig belang behoeft te worden aangetoond, is dit artikel dan rechtsgeldig in het licht van

a. het in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verzekerde recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven, uitgelegd overeenkomstig artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens [en de fundamentele vrijheden], gelet op de met name in de overwegingen 30 en 31 van richtlijn 2018/843 vermelde doelstellingen van in het bijzonder de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, en

b. het in artikel 8 van het Handvest verzekerde recht op bescherming van persoonsgegevens, voor zover daarmee in het bijzonder wordt beoogd te waarborgen dat de verwerking van persoonsgegevens geschiedt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is, dat bij de verzameling en verwerking van persoonsgegevens het doelbindingsbeginsel wordt nageleefd en dat de gegevensverwerking minimaal is?

Tweede vraag

1. Moet artikel 1, lid 15, onder g), van richtlijn 2018/843 aldus worden uitgelegd dat slechts sprake is van de in dit artikel vermelde uitzonderlijke omstandigheden – in welk geval de lidstaten kunnen voorzien in een uitzondering op de toegang voor het grote publiek voor alle of een gedeelte van de informatie over de uiteindelijk begunstigden, indien die toegang de uiteindelijk begunstigde blootstelt aan een onevenredig risico, een risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie – –indien wordt bewezen dat de specifieke persoon van de uiteindelijk begunstigde daadwerkelijk een onevenredig risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie loopt, waarbij dit risico uitzonderlijk, daadwerkelijk, gekwalificeerd, reëel en actueel is?

2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord en artikel 1, lid 15, onder g), van richtlijn 2018/843 aldus moet worden uitgelegd, is dit artikel dan rechtsgeldig in het licht van het in artikel 7 van het Handvest verzekerde recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven en in het licht van het in artikel 8 van het Handvest verzekerde recht op bescherming van persoonsgegevens?

Derde vraag

1. Moet artikel 5, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG („algemene verordening gegevensbescherming”), dat verplicht tot de verwerking van persoonsgegevens op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat

a. persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde die zijn ingeschreven in een register van uiteindelijk begunstigden, dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, voor het grote publiek toegankelijk zijn zonder toezicht of rechtvaardiging, en zonder dat de betrokken persoon (de uiteindelijk begunstigde) kan weten wie toegang heeft gehad tot die hem betreffende persoonsgegevens, en [Or. 12]

b. de verwerkingsverantwoordelijke voor dat register van uiteindelijk begunstigden toegang verleent tot de persoonsgegevens van de uiteindelijk begunstigden aan een onbeperkt en niet vast te stellen aantal personen?

2. Moet artikel 5, lid 1, onder b), van de algemene verordening gegevensbescherming, dat het doelbindingsbeginsel oplegt, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde die zijn ingeschreven in een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, voor het grote publiek toegankelijk zijn zonder dat de verwerkingsverantwoordelijke van deze gegevens kan garanderen dat zij uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verzameld, namelijk in wezen de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, een doelstelling waarvoor het grote publiek niet de verantwoordelijke instantie is?

3. Moet artikel 5, lid 1, onder c), van de algemene verordening gegevensbescherming, dat het beginsel van minimale gegevensverwerking oplegt, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat middels een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, het grote publiek niet alleen toegang heeft tot de naam, de geboortemaand, het geboortejaar, de nationaliteit en de woonstaat van een uiteindelijk begunstigde, alsmede tot de aard en omvang van het door deze uiteindelijk begunstigde gehouden daadwerkelijke belang, en eveneens tot zijn geboortedatum en zijn geboorteplaats?

4. Verzet artikel 5, lid 1, onder f), van de algemene verordening gegevensbescherming, op grond waarvan persoonsgegevens op een dusdanige manier moeten worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is en zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking, waardoor de integriteit en vertrouwelijkheid van die gegevens worden gewaarborgd, zich niet ertegen dat persoonsgegevens van de uiteindelijk begunstigden, die beschikbaar zijn in het register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15 van richtlijn 2018/843, onbeperkt, onvoorwaardelijk en zonder verplichting tot vertrouwelijkheid toegankelijk zijn?

5. Moet artikel 25, lid 2, van de algemene verordening gegevensbescherming, dat zorgt voor de bescherming van persoonsgegevens door standaardinstellingen op grond waarvan met name persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt, aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat

a. een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, van leden van het grote publiek niet verlangt dat zij zich op de website van dit register registreren wanneer zij persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde raadplegen, en

b. wanneer in een dergelijk register opgenomen persoonsgegevens van een uiteindelijk begunstigde worden geraadpleegd, daarover geen informatie wordt verstrekt aan die uiteindelijk begunstigde, en

c. er, gelet op de doelstelling van de verwerking van de betrokken persoonsgegevens, geen beperking geldt wat betreft de omvang en de toegankelijkheid van deze gegevens? [Or. 13]

6. Moeten de artikelen 44 tot en met 50 van de algemene verordening gegevensbescherming, die aan de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen strenge voorwaarden verbinden, aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat dergelijke gegevens van een uiteindelijk begunstigde die zijn ingeschreven in een register van uiteindelijk begunstigden dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 30 van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 15, van richtlijn 2018/843, in alle gevallen voor alle leden van het grote publiek toegankelijk zijn zonder dat een rechtmatig belang behoeft te worden aangetoond en ongeacht waar een lid van het grote publiek zich bevindt?

 

Dit is interessant voor de Nederlandse procedure die op verzoek van Privacy First wordt gevoerd. In de dagvaarding wordt subsidiair aan de voorzieningenrechter gevraagd om prejudiciële vragen te stellen aan het ECJ.

[1] Loi du 13 janvier 2019 instituant un Registre des bénéficiaires effectifs.
[2] Overzichtspagina AMLD4 op EUR-Lex. Deze richtlijn is gewijzigd door de  Let op dat AMLD4 gewijzigd is door de 5e Europese antiwitwasrichtlijn, bekijk de geconsolideerde versie van 9 juli 2018.
[3] Zaak C-601/20, de Nederlandse vertaling van de beschikking is op de site van de ECJ te vinden.

 

Lees de berichten op dit blog over het ubo-register en over de criminaliteitsbestrijding door bedrijven (zoals banken) en andere privé-personen.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Ubo-register | Tags: , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Toeslagenaffaire geeft aan hoe belangrijk versterking van de gefinancierde rechtshulp is

De Minister van Rechtsbescherming maakte op 11 januari bekend dat het goed lukt met het beperken van recht op gefinancierde rechtshulp:

Het aantal toevoegingen in het bestuursrecht is gedaald met ruim 10%. De komende tijd is een verdere daling tot ten minste 15% het doel, door zoveel mogelijk geschillen tussen burger en overheid te voorkomen. Dit gebeurt onder andere door de impact van wet- en regelgeving op het stelsel scherper in beeld te brengen. Met een aantal grote uitvoeringsorganisaties, zoals UWV, Belastingdienst en SVB, en gemeenten wordt gekeken of onnodige juridisering vanuit de overheid nog beter kan worden voorkomen.

Juist in dat bestuursrecht heeft zich de beruchte toeslagenaffaire voorgedaan. De agenda van de Commissie Financiën van de Tweede Kamer staat vol met agendapunten die met de toeslagenaffaire en aanverwante onderwerpen verband houden.

Na SyRI en de Fraude Signalering Voorziening lijkt mij dat het tijd wordt om de gefinancierde rechtshulp in zaken tegen de overheid te versterken, zodat meer advocaten zich kunnen inzetten voor mensen die door de overheid worden gedupeerd. Daarmee kan het kabinet Rutte een signaal geven, waar de burger meer aan heeft dan het vertrek van het kabinet.

 

 


Aanvulling 14 januari 2021
Een groot deel van de gefinancierde rechtshulp zaken is tegen de overheid. Maar ook andere zaken worden door de overheid zo karig vergoed dat dat sociaal advocaten ze niet kunnen doen, omdat anders hun kantoor failliet gaat. Lees 80 procent sociaal echtscheidingsadvocaten mijdt complexe zaken.

Geplaatst in Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Het nieuwe pesten heet ‘swatting’

Anders dan de IT-jongens ons proberen wijs te maken, wordt de wereld niet gelukkiger van IT. Neem bijvoorbeeld dit soort praktijken: Hacked home cams used to livestream police raids in swatting attacks, BBC 31 december 2020.

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , | Plaats een reactie

FATCA op de agenda van de Commissie Financiën van de Tweede Kamer

Op de agenda van de Commissie Financiën van de Tweede Kamer van 14 januari a.s. staat onder meer de brief van 17 december 2020 van de staatssecretaris van Financiën over de wijziging van Bijlage II van de IGA FATCA.

 

Meer informatie:

Geplaatst in Belastingrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , | Plaats een reactie

LEI’s Eligibility for General Government Entities | GLEIF

LEI is the abbreviation of ‘Legal Entity Identifier’, the identifier of legal entities like the ‘besloten vennootschap’ in the Netherlands. The Legal Entity Identifier Foundation (GLEIF) is the organisation behind LEI.

GLEIF has a Legal Entity Identifier Regulatory Oversight Committee (LEI ROC) that on 29 December 2020 published its final ‘Guidance on LEI Eligibility for General Government Entities’, which is supposed to provide clarifications on the implementation of LEIs for general government entities. The committee recommends that the guidance is implemented by 31 March 2022.

 

More information:

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Rechtspersonenrecht | Tags: , | Plaats een reactie

Op de zwarte lijst | FATF, Wwft

Sommige landen komen nooit op de zwarte lijsten van witwasbestrijdingszondaren. Hoe zou dat nou komen…

 

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , | Plaats een reactie

ING mocht rekening trustkantoor niet sluiten

De uitspraak van de kort geding rechter van de Rechtbank Amsterdam inzake een trustkantoor bij wie ING Bank de rekening had opgezegd, is op rechtspraak.nl gepubliceerd.

Kern: de voorzieningenrechter schort de sluiting van de rekening op in afwachting van een bodemprocedure over de vraag of ING Bank gerechtigd is tot de algemene beleidswijziging op grond waarvan alle trustkantoren de deur wordt gewezen.

Uit de overwegingen:

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ING op grond van de artikelen 35 van de Algemene Bankvoorwaarden en 7.3 van de Voorwaarden Zakelijke Rekening bevoegd is de bankrelatie met CIS op te zeggen.

4.3. De vraag in dit kort geding is of het gebruikmaken door ING van deze contractuele opzeggingsbevoegdheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, in strijd is met haar zorgplicht van artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie artikel 6:248 lid 2 BW en het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, ING/De Keijzer). Volgens CIS is dat het geval, volgens ING niet.

4.4. Op grond van de in artikel 2 lid 1 van de Algemene Bankvoorwaarden neergelegde zorgplicht dient ING bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van haar cliënten rekening te houden. Uitgangspunt is dat het voor CIS van wezenlijk belang is dat zij toegang heeft tot het bancaire systeem. Het gaat hier niet om een kredietrelatie, maar om het hebben van een bankrekening. Elke (rechts)persoon die legale activiteiten ontplooit moet in beginsel toegang hebben tot het betalingsverkeer en daarvoor is een bankrekening nu eenmaal vereist.

4.5. Anderzijds komt gewicht toe aan de verplichting van CIS om ingevolge artikel 2 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden rekening te houden met de belangen van ING, zoals het kunnen voldoen aan haar verplichtingen jegens toezichthouders op grond van (onder meer) de Wet toezicht trustkantoren 2018 en de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terroristische activiteiten (Wwft). De maatschappelijke positie van banken brengt mee dat van hen de grootst mogelijke integriteit wordt verwacht. Daarnaast kunnen financiële en andere bedrijfsmatige belangen van de bank een rol spelen.

4.6. CIS heeft gesteld dat de opzegging grote gevolgen voor haar heeft. Ondanks diverse pogingen heeft zij niet elders een bankrekening kunnen openen. Als ING de relatie niet voortzet kan zij niet meer deelnemen aan het betalingsverkeer, waardoor zij haar onderneming niet meer kan voortzetten. ING heeft betwist dat CIS zich voldoende heeft ingespannen om alternatieven te vinden, bijvoorbeeld door zich te wenden tot buitenlandse banken die actief zijn in Nederland.

4.7. In dit kort geding heeft CIS voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat het in het algemeen voor trustkantoren in Nederland steeds moeilijker is geworden om een bankrekening te openen. Zij heeft meerdere keren (aantoonbaar) nul op het rekest kregen. Ook ING heeft CIS desgevraagd niet kunnen wijzen op een Nederlandse of buitenlandse bank waar CIS een bankrekening zou kunnen openen.

4.8. Verder staat vast dat CIS beschikt over een vergunning van DNB. ING heeft erkend dat zij aan de zijde van CIS nooit een risico op witwassen of terrorisme financiering heeft kunnen vaststellen. Ook overigens heeft ING de stelling van CIS dat zij sinds het aangaan van de relatie op geen enkele wijze jegens ING tekort is geschoten, niet weersproken. In concreto is dus op dit moment geen sprake van onzorgvuldigheden of tekortkomingen in de bedrijfsvoering van CIS die integriteitsrisico’s met zich mee zouden brengen. Evenmin is gebleken dat CIS zich niet zou houden aan bestaande wet- en regelgeving, waardoor ING mogelijk in de problemen zou kunnen komen. Ook staat vast dat CIS in 2011 en in 2017 het klantacceptatieproces van ING heeft doorstaan. Voorshands loopt ING dan ook een gering risico als de bankrelatie nog enige tijd zou doorlopen.

4.9.

De gronden die ING heeft aangevoerd voor de beëindiging van de bankrelatie zijn, zoals gezegd, niet specifiek gebaseerd op de handel en wandel van CIS, maar op een algemene beleidswijziging die inhoudt dat ING niet langer zaken wenst te doen met trustkantoren. Dit type dienstverlening brengt inherent een verhoogd integriteitsrisico met zich mee en dit risico alsmede het risico op reputatieschade dient in algemene zin te worden beperkt, aldus ING. Voortzetting van de dienstverlening aan trustkantoren zou volgens ING daarnaast onaanvaardbaar hoge kosten voor haar meebrengen.

4.10. Op zichzelf staat het een bank vrij haar beleid met betrekking tot het accepteren van cliënten te wijzigen. Bij de wijze waarop daaraan in een concreet geval uitvoering wordt gegeven, geldt wel de maatstaf als weergegeven onder 4.3 en 4.4 van dit vonnis. De wens van ING om integriteitsrisico’s zoveel mogelijk uit te sluiten is legitiem, maar in de gegeven omstandigheden levert deze wens naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een voldoende grond op voor opzegging van de bankrelatie met de door ING in acht genomen termijnen.

4.11. Van belang daarbij is dat ING de dienstverlening aan CIS in 2017 na onderzoek nog heeft uitgebreid. Tevens is hierbij van belang dat aannemelijk is dat de opzeggingsbrief van 12 december 2019 CIS niet heeft bereikt.

4.12. De stelling van ING dat voortzetting van de bankrelatie met CIS onevenredig hoge kosten met zich mee zou brengen heeft zij onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Bovendien wegen mogelijke extra kosten niet op tegen het belang van CIS bij voorlopige voortzetting van de relatie, te meer nu zij heeft aangeboden (redelijke) extra kosten voor haar rekening te nemen.

4.13. Samengevat luidt de conclusie dat CIS voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kans groot is dat beëindiging van de bankrelatie ertoe zal leiden dat zij haar onderneming niet langer kan uitoefenen, terwijl zij op geen enkele wijze tekort is geschoten jegens ING en er geen concrete aanwijzingen bestaan dat zij een integriteitsrisico vormt voor ING en/of dat ING daardoor voor onevenredig hoge kosten wordt geplaatst. Het belang van ING bij een beëindiging van de relatie met CIS is dus relatief beperkt.

4.14. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden en na afweging van de betrokken belangen, wordt geoordeeld dat CIS in ieder geval de uitkomst van de bodemprocedure moet kunnen afwachten. In een bodemprocedure kan, anders dan in een kort geding, een principieel oordeel worden verkregen over de vraag of en hoe ING als een van de grootbanken in Nederland een gehele sector (in dit geval de sector van trustkantoren) van haar dienstverlening kan uitsluiten. De relatie met ING moet worden voortgezet totdat die uitkomst er is, op voorwaarde dat CIS de bodemprocedure binnen één maand na heden aanhangig maakt. De meer subsidiaire vordering zal in die zin worden toegewezen. Mede gelet op het belang van ING om in beginsel haar eigen beleid te mogen bepalen, kan niet van haar worden verwacht dat zij de overeenkomst met CIS oneindig voortzet, zoals primair gevorderd. De subsidiaire vordering (voortzetting tot een andere, respectabele bank uit de SEPA-zone is gevonden) is te vaag en zal enkel leiden tot executiegeschillen. De subsidiaire vordering is dus evenmin toewijsbaar.

4.15. ING heeft terecht bezwaar gemaakt tegen de in het petitum opgenomen zinsnede “onder dezelfde voorwaarden als tot 1 oktober 2020” omdat dit een redelijke wijziging van de algemene voorwaarden onmogelijk zou maken. ING kan niet worden verplicht de algemene voorwaarden te “bevriezen”, te meer nu zij op grond van de algemene voorwaarden gerechtigd is die voorwaarden eenzijdig te wijzigen.

4.16.  Nu ING heeft toegezegd dat zij vrijwillig aan een veroordeling zal voldoen en er geen reden is om deze toezegging in twijfel te trekken, is het opleggen van dwangsommen niet nodig.

 

De beslissing luidt dat de bank wordt geboden de dienstverlening aan het trustkantoor dient voor te zetten totdat de bodemrechter in een door het trustkantoor aanhangig te maken bodemprocedure vonnis heeft gewezen. De procedure moet binnen één maand na het vonnis aanhangig worden gemaakt.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Contractenrecht, privaatrecht algemeen, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Trustkantoren | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

PCR-test wet breekt snelheidsrecord | corona

In tijden van corona worden alle snelheidsrecords op het gebied van wetgeving gebroken. Op 31 december wees de Haagse voorzieningenrechter het PCR-test vonnis, op 7 januari werd het wetsvoorstel [*] ingediend en op dezelfde datum door de Tweede Kamer aangenomen. De verwachting is dat de Eerste Kamer het voorstel vandaag aanneemt. Publicatie in het Staatsblad kan dan snel volgen.

Mijn eerdere artikel over een snelle corona-wet is hier te vinden.

[*] Wetsvoorstel ‘Verduidelijking tijdelijke grondslag voor regels over de toegang tot en het gebruik van voorzieningen voor personenvervoer‘, 35695, dossier overheid.nl, dossier Eerste Kamer.

 


Update 19:25 uur
Inmiddels is het wetsvoorstel door de Eerste Kamer aangenomen met alleen FVD tegen, aldus de pagina van de Eerste Kamer:

De Eerste Kamer heeft het voorstel op vrijdag 8 januari 2021 na stemming bij zitten en opstaan aangenomen.
Voor: SGP, ChristenUnie, VVD, PvdA, CDA, GroenLinks, PvdD, 50PLUS, OSF, SP, D66, PVV, Fractie-Otten, Fractie-Van Pareren.
Tegen: FVD,

Over drie moties wordt op 12 januari a.s. gestemd.
De wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst, dat zal naar verwachting snel gebeuren.


Aanvulling 13 januari 2021
De wet is op 8 januari in het Staatsblad verschenen en daardoor op 9 januari in werking getreden. Op 13 januari werd een brief over de noodzakelijkheidsverklaring internationaal reizen bekend gemaakt. In een andere brief van dezelfde datum komt de PCR-test ook aan bod:

3. Ontwikkelingen reizigers/negatieve testuitslag
De epidemiologische situatie is in Nederland en omringende landen zeer ernstig. Elke buitenlandse reis verhoogt de kans op verspreiding van het coronavirus in Nederland en in het buitenland. Daarom is het dringende advies: blijf in Nederland. Ga niet op reis en boek geen reizen. Dit advies is verlengd tot in ieder geval eind maart. Bent u toch in een hoog risicogebied geweest, dan moet u voor terugkeer naar Nederland een negatieve testuitslag kunnen tonen en in Nederland 10 dagen in thuisquarantaine.

Negatieve testuitslag
Vorige week hebben zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer ingestemd met een aanpassing van de Wet publieke gezondheid die een juridische basis creëert onder de Twm om reizigers uit hoog-risicogebieden te verplichten een negatieve PCR-testuitslag te laten zien voor vertrek naar Nederland. Dit geldt voor alle passagiers die per vliegtuig, schip, bus of trein (het kort grensoverschrijdend verkeer uitgezonderd)vanuit deze gebieden naar Nederland komen. Hiermee is de juridische grondslag zeker gesteld.

Alle reizigers per vliegtuig, schip, trein en bus moeten voor vertrek de negatieve testuitslag tonen aan de vervoerder. Zonder test mogen ze het vervoersmiddel niet in. Daarnaast controleert de Koninklijke Marechaussee in Nederland alle reizigers die van buiten de EU/Schengen naar Nederland reizen. Reizigers die uitgezonderd zijn van het EU inreisverbod en die toch aan boord van een vliegtuig of schip gekomen zonder negatieve testuitslag kan de toegang tot het Nederlands grondgebied geweigerd worden door de Koninklijke Marechaussee. Daarnaast voeren de veiligheidsregio’s een controle uit, zowel op de reizigers van binnen als buiten EU/Schengen. Voor de reizigers vanuit het Verenigd Koninkrijk en Zuid-Afrika is dat een 100% controle, dus alle reizigers van alle vluchten en veerboten worden gecontroleerd. Maar een heel klein aantal (<0,2%) had tot nu toe geen negatieve testuitslag. Met deze reizigers wordt een indringend gesprek gevoerd, onder andere over waar ze zijn geweest en hoe lang, ze worden gewezen op de thuisquarantaine van 10 dagen en op het belang van testen bij klachten. De overige reizigers die vanuit andere gebieden afkomstig zijn dan het Verenigd Koninkrijk of Zuid-Afrika worden steekproefsgewijs gecontroleerd door de veiligheidsregio’s.

LAMP-PCR-test voortaan ook toegestaan voor negatieve testuitslag
De LAMP (loop-mediated isothermal amplification)-test is een soort PCR-test, maar deze test is sneller dan de meeste PCR-testen. In het 94e OMT-advies is opgenomen dat de LAMP-PCR-test ook geschikt is voor reizigers. Deze test is in de praktijk echter niet zo goed beschikbaar als de reguliere PCR-test. Daarom krijgen reizigers de mogelijkheid om voordat ze aan boord mogen van een vliegtuig, schip, trein of bus een negatieve uitslag van ofwel een reguliere PCR-test of een LAMP-test te laten zien.

Inperken reizen vanuit Zuid-Afrika
De Kamer heeft verzocht om met concrete maatregelen te komen om het direct dan wel indirect reizen vanuit Zuid-Afrika in te perken. Er zijn momenteel al veel maatregelen getroffen om het reizen in te perken. Ten eerste is er een EU-inreisverbod voor alle niet-inwoners van de EU. Dit betekent dat reizen in principe niet mogelijk is, tenzij reizigers tot een uitzonderingscategorie behoren en daarmee een noodzakelijke reis maken. Hierop zijn enkele uitzonderingen, zoals voor diplomaten, journalisten en topsporters. Andere reizigers uit Zuid-Afrika kunnen dus niet naar Europa reizen. Daarnaast geldt voor reizigers die toch naar Nederland mogen, sinds 23 december jl. een verplichte negatieve testuitslag. Alleen met een recente negatieve PCR-testuitslag mag men aan boord van het vliegtuig. Ook moeten reizigers voor vertrek een gezondheidsverklaring invullen, reizigers met COVID-gerelateerde klachten of contacten van COVID-patiënten mogen niet reizen. Ten slotte krijgen alle reizigers uit Zuid-Afrika in het vliegtuig een brief waarin wordt aangeven dat ze zich aan de Nederlandse maatregelen moeten houden en bij klachten via een speciaal afsprakennummer van de GGD een testafspraak kunnen maken. Zij moeten hierbij aangeven dat ze onlangs uit Zuid-Afrika gereisd zijn. Daarmee is het kabinet van oordeel dat adequate maatregelen zijn genomen om de risico’s te beperken.

Inkorten geldigheidsduur negatieve testuitslag
Ook heeft uw Kamer verzocht om de termijn waarbinnen de test moet zijn uitgevoerd ten opzichte van het moment van binnenkomst in Nederland zoveel mogelijk te minimaliseren. Het is wenselijk de termijn zo kort mogelijk te houden. Hoe korter voor vertrek, hoe kleiner de kans dat iemand achteraf toch besmet blijkt te zijn. Op dit moment hanteert het kabinet een termijn van uitvoering van de test tot aankomst in Nederland van maximaal 72 uur. Dit is in lijn met wat de meeste andere Europese landen vragen. Het ministerie van VWS krijgt signalen dat deze termijn al krap is en dat het niet overal ter wereld goed haalbaar is. De luchtvaartmaatschappijen geven aan dat een termijn van 36 uur praktisch niet goed uitvoerbaar is. Net als in Nederland is in andere landen veelal meer dan 48 uur nodig het maken van een afspraak en het krijgen van een uitslag. In Nederland wordt er gestreefd naar twee keer 24 uur voor het maken van een afspraak en het krijgen van een uitslag. We onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om de termijn van 72 uur in te korten en kijken hierbij ook naar de ervaringen in het buitenland. Ik zal u hier volgende maand over informeren.

Testen na aankomst
Een derde aangenomen motie gaat over het mogelijk maken en bevorderen dat mensen die uitgezonderd zijn van de testverplichting zich vrijwillig na aankomst kunnen laten testen. De groep die uitgezonderd is op de verplichte PCR-test is beperkt. We onderzoeken of het mogelijk is om reizigers die uitgezonderd zijn van de testverplichting de mogelijkheid te geven om zich na aankomst te laten testen. Op de plek van aankomst is dit echter niet altijd uitvoerbaar. Er moeten dan testfaciliteiten bij elke luchthaven, aanmeerplaats, busstop en treinstation worden neergezet. We wijzen de reizigers die in de uitzonderingscategorieën vallen zoveel mogelijk op de geldende quarantaine. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft buitenlandse diplomaten bijvoorbeeld opgeroepen zich aan alle Nederlandse coronamaatregelen te houden, en zal dit weer doen specifiek met betrekking tot de negatieve testuitslag. Daarnaast onderzoeken we in overleg met de GGD of het mogelijk is om deze groep in de gelegenheid te stellen zich te laten testen bij één van de vele reguliere GGD-teststraten. Per 20 januari 2021 is het daarnaast mogelijk voor inkomende reizigers uit hoog-risicogebieden, om zich op dag 5 na aankomst te laten testen bij de GGD’en.

Toepassing hardheidsclausule
Ook heeft uw Kamer verzocht om te organiseren dat (snel)testcapaciteit beschikbaar is op of nabij aankomstplaatsen van de betreffende georganiseerde vervoermodaliteiten, zodat iedereen die op de plaats van vertrek geen test heeft kunnen ondergaan en op basis van de hardheidsclausule toch heeft mogen reizen, dat alsnog kan doen. Reizigers die zich in een schrijnende situatie bevinden, zullen zich in eerste instantie melden bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar zal een eerste afweging worden gemaakt of er inderdaad sprake is van spoed en of men een uitzondering zou kunnen maken. Zij zullen vervolgens de situatie aan het Ministerie van VWS voorleggen. Als er in gezamenlijkheid wordt besloten dat de reizigers op basis van de hardheidsclausule worden uitgezonderd, zal dit gecommuniceerd worden aan de vervoerder. Het aantal gevallen is tot nu toe wekelijks op één hand te tellen. Het is de bedoeling dat het gebruik van de hardheidsclausule zeer uitzonderlijk blijft. Daarmee zullen ook de aantallen die getest kunnen worden bij aankomst zeer beperkt zijn. We wijzen de reizigers daarnaast nogmaals op het belang van het naleven van de regels over bijvoorbeeld thuisquarantaine. De ervaring tot nu toe is dat de bereidheid van reizigers om aan aanvullende vragen te voldoen groot is. Vanaf deze week wordt het ook mogelijk gemaakt voor deze reizigers die een beroep doen op de hardheidsclausule om een afspraak te maken bij de GGD om zich daar te laten testen. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de reguliere testfaciliteiten, welke in de buurt van de plek van aankomst liggen of nabij de plaats van verblijf. Kortom, het kabinet heeft gewaarborgd dat degene die gebruik maken van de hardheidsclausule bij aankomst getest kunnen worden in de nabijheid van de aankomstplek, in lijn met de aangenomen Kamermotie Paternotte/Otterloo, waarbij het kabinet nogmaals benadrukt dat dit om kleine aantallen dient te gaan.

Communicatie
De hoofdboodschap is: blijf in Nederland tot eind maart. Ga niet op reis en boek geen reizen. Elke buitenlandse reis verhoogt de kans op verspreiding van het coronavirus in Nederland en het buitenland.

Er zijn diverse informatie- en communicatiemiddelen ingezet om reizigers en andere relevante partijen te informeren over de verplichte negatieve testuitslag en de juridische borging. Enkele voorbeelden hiervan zijn uitgebreide informatie op Rijksoverheid.nl en Government.nl, de inzet van nieuwsmedia, factsheets in verschillende talen, brieven die via luchtvaartmaatschappijen aan reizigers worden overhandigd en vraagbeantwoording via de diverse publieksinformatienummers en social media.

Daarnaast leveren veel posten consulaire bijstand en informatie om testen te krijgen aan de Nederlander in het buitenland. Daarbij is tevens aandacht gevraagd voor het in kaart kunnen brengen van de testmogelijkheden die er voor Nederlands in het buitenland zijn.

Geplaatst in Grondrechten | Tags: | Plaats een reactie

AVG en Brexit

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de AVG-gevolgen van Brexit bekend gemaakt:

Brexit
De brexit heeft gevolgen voor alle organisaties in de EU die persoonsgegevens doorgeven aan organisaties in het Verenigd Koninkrijk (VK). Tot en met 31 december 2020 zit het Verenigd Koninkrijk (VK) in de overgangsperiode. Er verandert dan voor u niets.

Situatie vanaf 1 januari 2021
In de brexit deal die op 24 december 2020 is gesloten, is opgenomen dat in de eerste 4 maanden van 2021 de doorgifte van persoonsgegevens nog op dezelfde manier mag plaatsvinden als voorheen. Maar alleen als het VK in deze periode de regels voor de bescherming van persoonsgegevens niet verandert.

Lees meer: Wat zijn de mogelijke gevolgen van de brexit voor de doorgifte van persoonsgegevens naar het Verenigd Koninkrijk?

In dit dossier vindt u meer informatie. Zodat u kunt bepalen of de brexit ook gevolgen heeft voor uw organisatie. En zo ja, wat u moet doen.

Lees ook bij de European Data Protection Board (EDPB):

The EDPB issued a statement on the end of the Brexit transition period in which it describes the main implications of the end of this period for data controllers and processors. In particular, the EDPB underlined the issue of data transfers to a third country as well as the consequences in the area of regulatory oversight and the One-Stop-Shop (OSS) mechanism. The Brexit transition period, during which the UK Supervisory Authority is still involved in the EDPB’s administrative cooperation, expires at the end of 2020. Additionally, the EDPB adopted an information note on data transfers under the GDPR after the Brexit transition period ends.

Er wordt verwezen naar:

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , | Plaats een reactie