In dit artikel ga ik nader in op het ubo-register vonnis.
Interessant aan het kort geding vonnis over het ubo-register is dat de rechter oordeelt dat er alle aanleiding is om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU over de verenigbaarheid van AMLD4 en AMLD5 met de artikelen 7, 8, 16 en 52 lid 1 van het Handvest, artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de AVG. Het is niet vereist dat de Nederlandse wetgeving onmiskenbaar onverbindend is.
De rechter overweegt in paragraaf 4.4:
Naar de voorzieningenrechter begrijpt, betoogt de Staat dat voor het stellen van prejudiciële vragen geen grond bestaat, nu niet is gebleken dat de Nederlandse UBO-wetgeving onmiskenbaar onverbindend is. De voorzieningenrechter volgt de Staat in dat betoog niet. Het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU is juist een van de instrumenten die door de rechter kan worden ingezet bij de beantwoording van de vraag of nationale wetgeving onmiskenbaar onverbindend is. De omstandigheid dat het HvJEU een aan nationale wetgeving ten grondslag liggende Europese richtlijn onverbindend verklaart, is immers een factor van groot gewicht bij de beantwoording van die vraag (vgl. de hiervoor genoemde zaak over de Wet Bewaarplicht Telecommunicatiegegevens). Tot het stellen van prejudiciële vragen kan in dit geval door de voorzieningenrechter worden overgegaan bij twijfel over de rechtsgeldigheid van (onderdelen van) de aan de Nederlandse UBO-wetgeving ten grondslag liggende AMLD4 en AMLD5. Beoordeeld moet dus worden of er ten aanzien van de uit deze richtlijnen voortvloeiende verplichting tot het inrichten van een (deels) openbaar UBO-register aanleiding bestaat voor dergelijke twijfel.
Openbaarheid
Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat het (deels) openbare karakter van het register aanleiding geeft voor het stellen van prejudiciële vragen:
4.5. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag voor wat betreft het door AMLD5 verplicht voorgeschreven (deels) openbare karakter van het UBO-register bevestigend. Daarbij kent de voorzieningenrechter een groot gewicht toe aan het ter zake kritische advies van de EDPS van 18 maart 2017 (Publicatieblad van de Europese Unie, 2017/ C 85/04) met betrekking tot de destijds voorgenomen wijzigingen van AMLD4. In (de Nederlandse vertaling van) dit advies valt immers onder meer het volgende te lezen:
“Het laatste en belangrijkste punt is echter dat de wijzigingen de toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden zowel voor de bevoegde autoriteiten als voor het publiek aanzienlijk uitbreiden, als een beleidsinstrument om de handhaving van de fiscale verplichtingen te vergemakkelijken en te optimaliseren. We zien in de manier waarop een dergelijke oplossing ten uitvoer wordt gelegd een gebrek aan evenredigheid, met aanzienlijke en onnodige risico’s voor de individuele rechten op privacy en gegevensbescherming.
(…)
66. We hebben het voorstel beoordeeld en zijn van mening dat het ervoor had moeten zorgen:
(…)
– dat elke beperking van de uitoefening van het fundamentele recht op privacy en gegevensbescherming wordt voorzien door de wet, de essentie van dat recht respecteert en, onder voorbehoud van het evenredigheidsbeginsel, alleen wordt voorgeschreven indien nodig om door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang te bereiken of de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.
(…)
– voor speciaal ontworpen toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden met naleving van het evenredigheidsbeginsel, onder meer om te garanderen dat alleen toegang wordt verkregen door entiteiten die belast zijn met de handhaving van de wet.”4.6. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat het HvJEU mede aan hand van dit advies van de EDPS tot de conclusie zal komen dat het (deels) openbare karakter van het UBO-register zich in het licht van de doelstelling van het UBO-register niet verhoudt met het door de Europese wetgever te respecteren evenredigheidsbeginsel. Dit brengt met zich dat hierover in beginsel door de Nederlandse rechter prejudiciële vragen aan het HvJEU kunnen worden gesteld.
Echter, nu de Luxemburgse rechter gelijksoortige prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJEU, ontbreekt bij Privacy First het belang om dezelfde vragen te stellen (4.6):
De voorzieningenrechter zal echter niet tot het stellen van vragen hieromtrent overgaan. Daartoe is redengevend dat het Tribunal d’arrondissement te Luxemburg reeds op 13 november 2020 vragen op dit punt aan het HvJEU heeft gesteld. Deze vragen komen grotendeels overeen met de vragen die Privacy First in haar dagvaarding ten aanzien van het (deels) openbare karakter van het UBO-register heeft geformuleerd. Privacy First heeft niet inzichtelijk gemaakt dat en zo ja hoe haar belangen ermee zijn gediend als de voorzieningenrechter in essentie dezelfde vragen ook aan het HvJEU voorlegt. De beantwoording van die vragen door het HvJEU zal hierdoor immers niet op andere wijze plaatsvinden. Daarmee ontbreekt het Privacy First aan voldoende belang bij haar vordering tot het stellen van prejudiciële vragen, voor zover deze betrekking hebben op het (deels) openbare karakter van het UBO-register. Het aanhouden van dit kortgeding in afwachting van de beantwoording van die prejudiciële vragen door het HvJEU verhoudt zich onder meer vanwege de duur van de prejudiciële procedure niet met de aard en het karakter van de kortgedingprocedure.
Registratieplicht
Een ander thema dat Privacy First heeft aangesneden was de verplichting tot registreren van ubo-gegevens in het ubo-register. Daar wil de voorzieningenrechter geen prejudiciële vragen over gaan stellen:
4.7. De vordering tot het stellen van prejudiciële vragen over de verplichting tot het registreren van UBO-gegevens in het UBO-register is evenmin toewijsbaar. Privacy First heeft naar het voorlopig oordeel onvoldoende onderbouwd dat met het in het leven roepen van een UBO-register en de daaraan gekoppelde registratieplicht een inbreuk wordt gemaakt op de Europeesrechtelijk gewaarborgde grondrechten van UBO’s dan wel dat in dat verband niet wordt voldaan aan de te respecteren beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er bestaat anders dan Privacy First lijkt te betogen voorshands onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de effectiviteit van het UBO-register bij het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering middels het financiële stelsel (ook als ervan uit moet worden gegaan dat de daarin opgenomen informatie niet (deels) openbaar toegankelijk mag zijn). Evenmin geeft aanleiding tot twijfel de onvoldoende onderbouwde en daarmee niet aannemelijke stelling van Privacy First dat er een aanzienlijke kans bestaat dat de thans afgeschermde aanvullende gegevens door datalekken en/of de op handen zijnde koppeling van Europese UBO-registers op straat zullen komen te liggen.
Dat is teleurstellend. De ubo-register bureaucratie brengt hoge kosten met zich mee zonder dat het aantoonbaar bijdraagt aan de misdaadbestrijding. De definitie van ‘uiteindelijk belanghebbende’ is niet proportioneel.
Het register past in de moderne registratiezucht en naïef geloof in digitale hulpmiddelen. Het is onderdeel van de ontwikkeling die wij doormaken naar een surveillance samenleving.


