1e wet ter implementatie van AMLD4 in de Eerste Kamer | Wwft

Wwft-watchers kunnen over de plenaire behandeling in de Eerste Kamer van gisteren het bericht “Debat Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn” op de site van de Eerste Kamer lezen:

Debat Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn
9 juli 2018

De Eerste Kamer debatteerde maandag 9 juli in eerste termijn over het voorstel van minister Hoekstra van Financiën over de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn (34.808).
Alle fracties in de Eerste Kamer steunen het strenger aanpakken van corruptie en witwaspraktijken. Wel uitten de meeste woordvoerders hun zorgen over het middel dat voorlag. Met name over het verscherpte onderzoek naar mensen met een publieke functie én hun naasten werden veel vragen aan de minister gesteld.

PVV-senator Van Strien wilde van de minister weten of hij tenminste een andere maatschappelijke groepering zou kunnen noemen die banken aan extra witwaspraktijken-onderzoek moeten onderwerpen. In hoeverre zijn financiële dienstverleners uitgerust om verscherpt onderzoek te doen, vroeg senator Sent (PvdA) aan de minister. Senator Köhler (SP) vroeg aan Hoekstra waarom bij het hebben van rekeningen geen financiële grens van 15.000 euro wordt gesteld, voordat moet worden overgegaan tot een verscherpt cliëntenonderzoek door de bank. Volgens het wetsvoorstel moeten instellingen passende maatregelen nemen om de hiervoor genoemde klanten in kaart te brengen. Senator Prast (D66) wilde van de minister weten wat hij hierbij verstaat onder passend.

Niet alleen de mensen met een publieke functie zelf, maar ook zijn of haar familie en naast geassocieerden worden gescreend. Senator Ester (ChristenUnie) vroeg de minister hoe stigmatisering van onschuldige en niets vermoedende familieleden kan worden voorkomen. Voor senator Knip (VVD) zijn de vergaande onderzoeksbevoegdheden van de bankmedewerkers een punt van zorg. Hij vroeg de minister welke concrete hij hier ziet voor de toezichthouders. Senator Vos (GroenLinks) ziet een tegenstrijdigheid tussen de verplichtingen in deze richtlijn en de privacy. Zij vroeg de minister of de Autoriteit Persoonsgegevens hier een rol in kan spelen. Uit de schriftelijke behandeling maakte senator Van Kesteren (CDA) op dat het voorstel verdedigd wordt met de stelling dat dit soort wetgeving in het buitenland noodzakelijk is. Hij vroeg de minister of dat wil zeggen dat we hier wetgeving aan het behandelen zijn die in Nederland niet nodig is.
Het debat wordt dinsdag 10 juli voortgezet met de beantwoording door de minister en de tweede termijn van de Kamer. Ook de stemming over het voorstel is dan voorzien. De voorgestelde maatregelen beogen het witwassen van uit criminaliteit verkregen geld of het aanwenden van gelden of voorwerpen voor terroristische doeleinden, met gebruikmaking van het financieel stelsel, verder aan te pakken.

Dit voorstel wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enkele andere wetten in verband met de (gedeeltelijke) implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn ((EU) 2015/849) en in verband met de uitvoering van de nieuwe verordening betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie ((EU) 2015/847).

Op de site van de Eerste Kamer staat een verslag van de vergadering van gisteren.

De vergadering wordt op 10 juli voortgezet.

 

 

Aanvulling 10 juli 2018
Op de site van de Eerste Kamer verscheen onderstaand bericht:

Behandeling Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn afgerond
10 juli 2018

De Eerste Kamer heeft vandaag de behandeling van het voorstel Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn (34.808) afgerond.
Tijdens het debat met de minister van Financiën zijn de volgende moties ingediend:

De stemmingen over het wetsvoorstel en de moties vinden vanavond aan het einde van de vergadering plaats.

 

Op twitter stond op het account van de Eerste Kamer:

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Ubo-register | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Gegevensuitwisseling tussen banken en overheid ten behoeve van de opsporing | wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden

Al enige tijd wordt binnen de Nederlandse overheid aangedrongen op verbetering van de mogelijkheden om ten behoeve van de opsporing van criminaliteit (inclusief belastingfraude) gegevens tussen overheid en bedrijfsleven uit te wisselen. In december 2016 schreef ik er over; onlangs werd bekend dat het voorstel bijna af was.

Gegevensuitwisseling met de private sector
Een voorbeeld van een dergelijke gegevensuitwisseling is dat de politie persoonsgegevens  van vermoedelijke criminelen aan banken geeft, zodat de banken gericht de transacties van deze mensen kunnen monitoren en makkelijker ‘ongebruikelijke transacties’ aan FIU-Nederland kunnen melden.

Een dergelijke geval kwam onlangs in het nieuws, de politie verschafte persoonsgegevens aan banken, aan de hand waarvan de banken mogelijke terrorismefinanciering opspoorden. Dat de banken – zoals in het geval in het nieuws – financiële transacties monitoren en eventueel melden, is gebaseerd op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Ik vraag me af of er wel een wettelijke grondslag is voor de politie om gegevens van verdachten aan de banken te verstrekken. (Maar dat is meer iets voor strafrechtspecialisten.)

Consultatie
Op 7 juli jl. is de internetconsultatie gestart over het Wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS). Het voorstel wordt in de aankondiging als volgt samengevat:

Doelgroepen die door de regeling worden geraakt
Overheidsorganisaties en private partijen die willen deelnemen aan samenwerkingsverbanden ten behoeve van een doel van zwaarwegend belang op het gebied van:
a. de voorkoming van onrechtmatig gebruik van overheidsgelden en het bevorderen dat aan wettelijke verplichtingen wordt voldaan tot betaling van belastingen,
b. de uitoefening van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften,
c. de handhaving van de openbare orde en veiligheid,
d. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.

Verwachte effecten van de regeling voor de doelgroepen
In de praktijk lopen samenwerkingsverbanden nu regelmatig tegen knelpunten aan bij de gezamenlijke verwerking van gegevens. Deze knelpunten bemoeilijken een integrale aanpak van maatschappelijke vraagstukken zoals ondermijning. De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden lost deze knelpunten op door middel van:
1. Een heldere basis voor gegevensverstrekking aan samenwerkingsverbanden.
2. Een heldere basis voor gegevensverwerking binnen samenwerkingsverbanden
3. Een passende grondslag voor verstrekking van de resultaten van de verwerking vanuit samenwerkingsverbanden.

De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden is slechts van toepassing als een samenwerkingsverband bij algemene maatregel van bestuur onder de werking van die wet wordt gebracht.

Predictive policing
Uit de toelichting op het consultatievoorstel blijkt dat het de bedoeling is om de uitgewisselde gegevens te analyseren door middel van “artificiële intelligentie”, zie onder meer artikel 6 lid 3 en artikel 8 lid 4 van het voorstel:

Artikel 6 lid 3
Voor zover dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, kan het samenwerkingsverband gegevens systematisch verwerken, waaronder combineren, structureren, profileren en analyseren, teneinde daaruit voor de vervulling van het doel van het samenwerkingsverband noodzakelijke informatie af te leiden en vast te leggen. (…)

Artikel 8 lid 4
4. Indien een samenwerkingsverband gegevens verwerkt op een wijze als bedoeld in artikel 6, derde lid, treft het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven maatregelen om de kwaliteit van de gegevensverwerking te waarborgen en de resultaten van de verwerking te valideren en verschaft het, tenzij naar het oordeel van een deelnemer zwaarwegende rede- nen zich daartegen verzetten, op een voor het publiek toegankelijke wijze informatie over:
a. de toepassing en het doel van deze verwerkingswijze;
b. nuttige informatie over de onderliggende logica als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder g, van de Algemene verordening gegevensbescherming;
c. de eventuele toepassing van artificiële intelligentie bij de verwerking, en
d. de in de aanhef bedoelde maatregelen.

Een dergelijke analyse is vooral interessant bij grote gegevensverzamelingen die zinvolle persoonsgegevens bevatten, zoals de databanken van de belastingdienst, banken / betaalinstellingen en telecombedrijven.

Er bestaat een grote behoefte om op basis van dergelijke analyses te voorspellen wie crimineel gedrag zal kunnen gaan vertonen, zie bijvoorbeeld deze passage in de toelichting:

Een en ander laat een individuele deelnemer aan een samenwerkingsverband voldoende ruimte de blootgelegde patronen en de groepsprofielen die hij van het samenwerkingsverband heeft ontvangen, te gebruiken om deze binnen de grenzen van zijn wettelijke taken en bevoegdheden te matchen met gegevens waarover hijzelf rechtmatig beschikt, om daaruit bijvoorbeeld lijsten te destilleren van personen die bepaalde risico’s op het desbetreffende taakgebied vertonen. Dat is niet anders dan dat hij dergelijke lijsten opstelt aan de hand van patronen en profielen die op basis van meer “klassiek” wetenschappelijk onderzoek tot stand zijn gebracht. Wat op dit moment echter niet is toegestaan is dat samenwerkingsverbanden op basis van de door de deelnemers verstrekte persoonsgegevens gemeenschappelijke data-analyses verrichten die tot lijsten leiden van personen aan wie bepaalde risico’s zijn verbonden, als het doel van deze analyse niet verenigbaar is met de doelen waarvoor de desbetreffende gegevens zijn verzameld. Omdat het dan om een verwerking voor operationele doeleinden zou gaan, kunnen de eerder bedoelde mogelijkheden van gegevensverwerking voor wetenschap en statistiek, met inbegrip van de mogelijkheid om voor onverenigbare doelen te verwerken, daarvoor geen basis bieden.12 Als voor het onderzoek of de statistiek strafrechtelijke gegevens worden verwerkt die op grond van de Wpg en Wjsg zijn verstrekt, geldt bovendien expliciet dat de resultaten van de verwerking geen persoonsgegevens mogen bevatten.13 Een en ander brengt mee dat zo’n subjectgerichte data-analyse aan alle algemene voorwaarden voor gegevensverwerking moet voldoen, met inbegrip van de eisen rond doelbinding en met inachtneming van de verboden om bijzondere categorieën van persoonsgegevens of strafrechtelijke gegevens te verwerken.

Dit beperkt de mogelijkheden om in samenwerkingsverbanden met moderne analysetechnieken bepaalde risico’s met betrekking tot individuele personen in beeld te brengen. Zo kan de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV)14 de door haar ontwikkelde profielen niet matchen met de haar ter beschikking staande gegevens om een lijst te genereren van personen met een groot risico dat zij fraude (gaan) plegen. Eenzelfde knelpunt heeft zich destijds voorgedaan bij het project FinPro. In antwoord op Kamervragen over dat project heeft het kabinet dan ook de conclusie getrokken dat op dit moment een heldere basis ontbreekt voor het gebruik van de uitkomsten van moderne analysetechnieken door samenwerkingsverbanden ten behoeve van de uitvoering van de wettelijke taken van de deelnemers.15 Immers, de basis die men daarvoor thans gebruikt, is het regime voor wetenschap en statistiek en op grond daarvan is verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van operationele doeleinden niet mogelijk.

12 De Artikel 29 werkgroep – het onafhankelijke advies -en overlegorgaan van Europese privacytoezichthouders – hanteert in dit verband het principe van functionele scheiding: “This means that data used for statistical purposes or other research purposes should not be available to ‘support measures or decisions’ that are taken with regard to the individual data subjects concerned (unless specifically authorized by the individuals concerned).” Zie hoofdstuk III.2.3 van Opinion 03/2013 on purpose limitation (http://ec.europa.eu/justice/dataprotection/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2013/wp203_en.pdf).

13 Zie artikel 22 Wpg en de artikelen 15 en 39g Wjsg.
14 iCOV is een samenwerkingsverband van de Belastingdienst, de Douane, de FIOD, de politie, FIU Nederland en het OM.
15 Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 3413.

Door middel van een algemene maatregel van bestuur worden samenwerkingsverbanden die gegevens mogen uitwisselen aangewezen. Belangrijk is hoe met die aanwijzingsbevoegdheid wordt omgegaan en of men zich beperkt tot die terreinen waar overheidsingrijpen dringend noodzakelijk is (zoals het geval is bij criminele infiltratie in het overheidsbestuur). Verder is belangrijk of de kwaliteit van de organisatie en de systemen hoog is. Als onschuldige burgers worden beschuldigd en hinder ondervinden (‘collateral damage’), kunnen dit soort systemen averechts werken.

Het voorstel past in de ontwikkeling dat de wettelijke mogelijkheden worden verruimd om gegevens uit te wisselen in het kader van de opsporing van criminaliteit.

Meer informatie:


Aanvulling 10 juli 2018

 

Aanvulling 12 juli 2018
Ook binnen de overheid mogen niet altijd gegevens worden uitgewisseld. Op 11 juli jl. stond bij DeBontSpotOn het bericht “AFM teruggefloten door het CBb” over de (destijds) illegale verstrekking door de belastingdienst aan de AFM van gegevens over personen die gebruik hadden gemaakt van de fiscale inkeerregeling, in verband met toetsing van die personen door de AFM op hun antecedenten.

Het betreft twee uitspraken uit 2017: College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:46 en ECLI:NL:CBB:2017:47.

De samenvatting op rechtspraak.nl van de tweede zaak luidt:

Heenzending van beleidsbepaler – antecedenten – verkrijging belastinggegevens door AFM van de Belastingdienst – Onderdelen u en s van artikel 43c, eerste lid, aanhef, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (Uitvoeringsregeling Awr)

De regelgever heeft het noodzakelijk geacht om in genoemd onderdeel u een uitzondering op de geheimhoudingsplicht te maken als het gaat om de versterking van de integriteit van de financiële sector. Binnen dat – ruim geformuleerde – doel is het kunnen uitvoeren van de betrouwbaarheidstoetsing als bedoeld in genoemd onderdeel s een specifiek doel. Ten aanzien van dat specifieke doel heeft de regelgever, daarbij kennelijk rekening houdende met de met de geheimhoudingsplicht te beschermen belangen, de gegevensverstrekking beperkt tot gegevens over opgelegde vergrijpboetes. Het College volgt AFM niet in haar betoog dat op grond van onderdeel u en het FEC Convenant ook andere gegevens ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing kunnen worden verstrekt, omdat anders onderdeel s als speciale uitzondering geen betekenis meer zou hebben. Gelet op het voorgaande en nu de Belastingdienst gegevens over de inkeerregeling aan AFM heeft verstrekt ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing als bedoeld in onderdeel s en die gegevens geen vergrijpboete betreffen, deelt het College met de rechtbank de conclusie dat de uitzondering van onderdeel u hier niet van toepassing is. Nu voorts AFM niet bestrijdt dat hier geen andere uitzondering geldt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst door gegevens over de inkeerregeling aan AFM te verstrekken heeft gehandeld in strijd met de geheimhoudingsplicht en dat aldus AFM die gegevens onrechtmatig heeft verkregen.

Het College constateert dat tot aan de aangevallen uitspraak over de uitleg van (de verhouding tussen) de onderdelen u en s van artikel 43c, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awr geen toelichting van de regelgever of een uitspraak van de rechter beschikbaar was. Gelet hierop was de destijds op de tekst van onderdeel u en het FEC Convenant gebaseerde opvatting van AFM en de Belastingdienst, dat gegevensverstrekking over de inkeerregeling ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing mogelijk was, niet op voorhand onverdedigbaar. Voorts is niet zonder betekenis dat op grond van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015, nr. DB/2015/465M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit, toeslagen en douane alsmede van de Wet op de accijns (Stcrt. 2015, 47716) met ingang van 1 januari 2016 een gewijzigd onderdeel s in werking is getreden op grond waarvan de verstrekking van gegevens is verruimd (van opgelegde vergrijpboetes) tot gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de betrouwbaarheidstoetsing. Volgens de nota van toelichting bij die regeling is het voor een adequate en integrale betrouwbaarheidstoetsing noodzakelijk dat niet alleen informatie over vergrijpboetes maar ook andere relevante informatie kan worden verstrekt.

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden gezegd dat AFM de gegevens van de Belastingdienst heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat gebruik hiervan door AFM ontoelaatbaar moet worden geacht. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat AFM de door de Belastingdienst verstrekte gegevens niet ten grondslag mocht leggen aan haar besluitvorming.

AFM heeft kunnen vaststellen dat de betrouwbaarheid van de beleidsbepaler niet buiten twijfel staat.
De heenzending is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
AFM zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen waarbij onder herroeping van het primaire besluit hooguit een minder verstrekkende aanwijzing wordt opgelegd

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce, Strafrecht | Tags: , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Wwft-toezichthouders mogen FIU-Nederland informeren | Wwft

Onlangs is een wijzigingsnota ingediend in het kader van het voorstel Wijzigingswet financiële markten 2018, waarin wordt voorgesteld dat de Wwft-toezichthouders FIU-Nederland mogen informeren als zij “feiten ontdekken die kunnen duiden op witwassen of financieren van terrorisme“, ook als die feiten worden ontdekt bij ander toezicht waarmee zij belast zijn:

Artikel 25
1. Indien de medewerkers van een toezichthoudende autoriteit, dan wel de in artikel 24, tweede lid, bedoelde deken, bij de uitoefening van hun taak op grond van deze wet of enige andere wet feiten ontdekken die kunnen duiden op witwassen of financieren van terrorisme, licht de toezichthoudende autoriteit onder wiens verantwoordelijkheid zij hun taak uitoefenen, dan wel de in artikel 24, tweede lid, bedoelde deken, de Financiële inlichtingen eenheid in, zo nodig in afwijking van de toepasselijke wettelijke geheimhoudingsbepalingen, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van de wettelijke taken van de Financiële inlichtingen eenheid.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van medewerkers van De Nederlandsche Bank N.V., voor zover zij betrokken zijn bij de verwisseling, intrekking en aftekening van bankbiljetten als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Bankwet 1998

Dit wordt als volgt toegelicht:

In artikel 25, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals dit luidt na implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn,3 is de verplichting tot het melden van feiten die duiden op witwassen of financieren van terrorismefinanciering bij de Financiële inlichtingen eenheid onbedoeld versmald tot feiten die zijn ontdekt door de personen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de Wwft. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn dient deze verplichting zich echter ook uit te strekken tot feiten die zijn ontdekt bij de uitoefening van taken die op grond van een andere wet aan de toezichthoudende autoriteiten toekomen. Om die reden wordt in het eerste lid van artikel 25 Wwft verduidelijkt dat de meldplicht ook geldt ten aanzien van feiten die door medewerkers van een toezichthoudende autoriteit worden ontdekt bij de uitoefening van een taak op grond van andere wetten. Als gevolg hiervan is de redactie van artikel 25 Wwft aangepast en kan ook het huidige tweede lid van artikel 25 Wwft, dat strekt tot het melden van feiten die zijn ontdekt bij de uitoefening van het toezicht op de effectenmarkten, valutamarkten en financiële derivatenmarkten, komen te vervallen. Nu deze taken toekomen aan de AFM en de AFM tevens als toezichthoudende autoriteit op grond van de Wwft wordt aangemerkt, volstaat de algemene verwijzing naar de uitoefening van taken onder verantwoordelijkheid van een toezichthoudende autoriteit in het eerste lid. Wel wordt voor de volledigheid in een nieuw tweede lid van artikel 25 Wwft geëxpliciteerd dat de meldplicht uit het eerste lid ook van toepassing is op het verwisselen van bankbiljetten door medewerkers van DNB, op grond van de Bankwet 1998. Artikel 36, eerste lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn beperkt zich immers niet tot de uitoefening van toezichthoudende taken.

Vindplaats: tweede nota van wijziging in het dossier 34859

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , | Plaats een reactie

Overdraagbaarheid handelsvorderingen mag niet meer worden beperkt | internetconsultatie

Eerder deze maand schreef ik over supply chain financing (‘SCP’) als onderdeel van de methode van grote bedrijven om hun leveranciers uit het MKB in te zetten voor financiering van hun onderneming.

Het komt er op neer dat het grote bedrijf (‘de afnemer’) met zijn MKB-leverancier (‘de leverancier’) een lange betalingstermijn overeen komt, bijvoorbeeld 90 of 120 dagen. Vervolgens biedt de afnemer aan zijn leveranciers een arrangement aan, dat de afnemer via zijn bank of via andere financiële partijen heeft geregeld. Het arrangement kan bijvoorbeeld inhouden dat de leverancier zijn vordering op de afnemer kan verkopen op een digitale marktplaats tegen een lagere prijs dan de factuurwaarde; de leverancier krijgt dan wel sneller betaald. De MKB-leverancier krijgt ingewikkelde, door advocaten van grote ondernemingen ontwikkelde, overeenkomsten voorgeschoteld met het verzoek “bij het kruisje” te tekenen.

Consultatievoorstel
Onderwerp van een recent bekend gemaakt consultatievoorstel is het tegengaan van het verbod om handelsvorderingen over te dragen. Het verkopen van de handelsvorderingen kan zijn geblokkeerd in de overeenkomst tussen de afnemer en de MKB-leverancier.

Een afnemer die SCP aanbiedt, zal dat overigens niet doen, omdat de SCP dan niet mogelijk is (of de afnemer maakt een uitzondering voor het door de afnemer goedgekeurde SCP arrangement).

De Nederlandse overheid zegt nu MKB-ondernemingen van dienst te willen zijn, door te regelen dat in de overeenkomst tussen leverancier en afnemer de overdraagbaarheid van de vordering (van leverancier op afnemer) niet kan worden uitgesloten. Dit zal het mogelijk maken dat de MKB-onderneming zijn vordering verkoopt aan bijvoorbeeld een bank of aan een ‘onafhankelijke’ digitale marktplaats als hierboven beschreven. Aan zo’n verkoop zijn nadelen verbonden:

  • De prijs die de MKB-leverancier krijgt is lager dan de factuurwaarde.
  • De leverancier moet zich laten adviseren over de contractsvoorwaarden die hij krijgt voorgelegd en moet beoordelen of de partijen die dit financiële product aanbieden solide zijn.
  • De relatie tussen de prestatie (door de leverancier) en de betaling (door de afnemer) wordt los gelaten, wat juridische verwikkelingen kan geven.

Het consultatievoorstel lijkt geen oplossing voor het probleem dat grote afnemers zeer lange betalingstermijnen bedingen. Ik ben van mening dat het MKB het meest geholpen is als ook hun grote afnemers snel betalen. Dan is verkoop van vorderingen niet nodig.

Voorkomen moet worden dat dit nieuwe voorstel leidt tot digitale marktplaatsen en financiële SCP-producten die juist de grote afnemers van de MKB-leveranciers faciliteren. Ik beveel dit onderwerp daarom in de warme aandacht van MKB-belangenorganisaties aan.

Citaten consultatiedocument
Hierna volgt tekst uit het consultatiedocument.

Voorgesteld wordt om het tweede lid van artikel 83 BW3 als volgt te laten luiden:

2. De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten, tenzij het een geldvordering op naam betreft, anders dan een vordering uit hoofde van een betaal- of spaarrekening, die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf en wordt overgedragen voor financieringsdoeleinden. Elk hiermee strijdig beding is nietig.

Een deel van de toelichting volgt hierna:

Contractvrijheid is een hoeksteen van onze samenleving en onze economie. Waar het gaat om de overdraagbaarheid en verpanding van eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten werkt die contractvrijheid twee kanten op. Aan de ene kant maakt zij de overdracht of verpanding mogelijk. Aan de andere kant kan de overdracht of verpanding van vorderingsrechten bij overeenkomst juist worden uitgesloten (art. 3:83 lid 2 juncto 3:98 Burgerlijk Wetboek; hierna: BW).
In bepaalde economische sectoren, zoals (delen van) de bouw- en retailsector, wordt de mogelijkheid tot overdracht of verpanding van vorderingsrechten contractueel op grootschalige wijze, om niet te zeggen categorisch, uitgesloten. Deze praktijk leidt, zo blijkt uit krachtige signalen vanuit diverse geledingen van het bedrijfsleven, tot de nodige economisch ongewenste neveneffecten. Het gevolg is namelijk dat vorderingen en kredietportefeuilles de facto niet meer ingezet worden als dekking voor kredietverlening. Dat (bedrijfs)economisch averechtse effect wordt nog versterkt door het feit dat in ons omringende landen, zoals Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk, de werking van contractuele onoverdraagbaarheids- en niet-verpandingsbedingen al wel is beperkt of afgeschaft. Dat leidt tot verstoring van het level-playing-field ten nadele van het Nederlandse bedrijfsleven. Dit wetsvoorstel beoogt een gericht einde te maken aan deze ongewenste contractuele praktijken, op een wijze die niet onnodig ingrijpt in de contractvrijheid. De inzet is om daarmee te komen tot een navenante verruiming van het kredietpotentieel voor het bedrijfsleven, in het bijzonder voor het midden- en kleinbedrijf. Naar schatting van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Factoring & Asset Based Financing Association Netherlands (FAAN) zou dit kunnen leiden tot een extra kredietruimte van bijna 1 miljard, alleen al voor het midden- en kleinbedrijf. Hiermee kunnen onnodige liquiditeitsproblemen worden voorkomen en middelen vrijkomen die kunnen worden ingezet voor een groei- en werkgelegenheidsbevorderende investerings- en innovatie- impuls.

b. Strekking wetsvoorstel
Artikel 3:83 BW, eerste lid, gaat uit van het algemene beginsel dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten vrij overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht daaraan in de weg staan. Deze overdraagbaarheid kan verder “door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.” (art. 3:83, tweede lid, BW). Ingevolge de schakelbepaling van art. 3:98 BW gelden deze uitgangspunten ook voor “de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een goed”, zoals de vestiging of overdracht van een pandrecht.
De contractuele beperking of uitsluiting van de overdracht of verpanding van, met name, geldvorderingen op naam komt in verschillende economische sectoren tegenwoordig bijna standaard voor, hetzij bij contract, hetzij bij daarvan integraal deel uitmakende algemene voorwaarden. Daarmee worden zij in zekere zin aan het economisch verkeer onttrokken, in die zin dat zij geen grondslag (meer) kunnen vormen voor kredietfinanciering of overdracht aan bijvoorbeeld factoringmaatschappijen. Dat geschiedt bijvoorbeeld door clausules met de volgende strekking:

• de vorderingen van de opdrachtnemer zijn niet overdraagbaar (zoals bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW) en niet verpandbaar (zoals bedoeld in artikel 3:83 lid 2 juncto artikel 3:98 BW);
• zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever is het de opdrachtnemer verboden om vorderingen die hij op grond van de overeenkomst heeft of zal verkrijgen, aan derden te cederen, te verpanden of anderszins over te dragen. Ten aanzien van deze vorderingen is overdraagbaarheid uitgesloten als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW, welke uitsluiting goederenrechtelijk effect heeft;
• vorderingen van de wederpartij zijn onoverdraagbaar respectievelijk onverpandbaar als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 respectievelijk artikel 3:83 lid 2 juncto artikel 3:98 Burgerlijk Wetboek;
• de aannemer of leverancier is niet bevoegd om rechten uit de overeenkomst, daaronder mede verstaan vorderingen, op enigerlei wijze te verpanden, anderszins te bezwaren en/of te cederen.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe dergelijke contractuele bedingen straks onmogelijk te maken. Daartoe wordt een aantal welomschreven – hierna nader te bespreken – voorwaarden gesteld, om te verzekeren dat de beperking van de contractvrijheid beperkt blijft tot het strikt functionele. Een kernelement daarvan is dat het moet gaan om vorderingen die in het reguliere handelsverkeer, dat wil zeggen: in de uitoefening van beroep of bedrijf, tussen ondernemingen zijn ontstaan. Particuliere geldvorderingen worden door dit wetsvoorstel niet geraakt.

Daarmee wordt tevens aangesloten bij de ontwikkelingen in de ons omringende landen, zoals Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk. In het Duitse Handelsgesetzbuch (HGB) is in essentie geregeld dat handelsvorderingen tussen kooplieden steeds overdraagbaar zijn. [1]
De Franse Code de commerce verbiedt expliciet cessieverboden. [2] Het Oostenrijkse Burgerlijk Wetboek impliceert dat contractuele cessieverboden nietig zijn als zij het gevolg zijn van algemene voorwaarden en betrekking hebben op geldvorderingen in het handelsverkeer tussen ondernemers. Ook een individueel uitonderhandeld cessieverbod “steht der Wirksamkeit einer Abtretung aber nicht entgegen; sobald die Abtretung und der Übernehmer dem Schuldner bekannt gemacht worden sind, kann dieser nicht mehr mit schuldbefreiender Wirkung an den Überträger leisten [….].” [3]
Rigoureuze niet-verpandings- en onoverdraagbaarheidsbedingen komen tegenwoordig in de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden niet meer voor. De vestiging van beperkte rechten, zoals verpanding, is als regel toegestaan, terwijl de overdracht van rechten weliswaar afhankelijk wordt gemaakt van een voorafgaande toestemming van de wederpartij, maar die wordt niet geweigerd zonder redelijke grond. [4] Voor een recente Europese ontwikkeling kan, ten slotte, worden gewezen op het Commissievoorstel van 12 maart 2018 inzake grensoverschrijdende cessies. Dit instrument beoogt een internationaal- privaatrechtelijk kader te geven voor de bepaling van het toepasselijk recht op grensoverschrijdende cessies, maar raakt niet aan de materiële inhoud van dit wetsvoorstel (COM 2018/96 def.).

{Noten}

[1] Art. 354a, eerste lid, HGB luidt, voor zover hier van belang: “Ist die Abtretung einer Geldforderung durch Vereinbarung mit dem Schuldner [….] ausgeschlossen und ist das Rechtsgeschäft, das diese Forderung begründet hat, für beide Teile ein Handelsgeschäft […..], so ist die Abtretung gleichwohl wirksam. [….] Abweichende Vereinbarungen sind unwirksam.“
[2] Vgl. art. L442-6-II Code de commerce: “Sont nuls les clauses ou contrats prévoyant pour un producteur, un commerçant, un industriel ou une personne immatriculée au répertoire des métiers, la possibilité: [….] c) D’interdire au cocontractant la cession à des tiers des créances qu’il détient sur lui;”
[3] Vgl. § 1396a lid 1 van het Oostenrijkse Algemene Burgerlijk Wetboek, dat verder onder meer bepaalt: “Eine Vereinbarung, dass eine Geldforderung zwischen Unternehmern aus unternehmerischen Geschäften nicht abgetreten werden darf (Zessionsverbot), ist nur verbindlich, wenn sie im Einzelnen ausgehandelt worden ist und den Gläubiger unter Berücksichtigung aller Umstände des Falles nicht gröblich benachteiligt.”
[4] Bijv. art. 19 van de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden (2018) en art. 24 van de Algemene Rijksvoorwaarden it-overeenkomsten (2018), beide vastgesteld op 2 mei 2018, Stcrt. 2018, nr. 26414.

Duitse digitale marktplaats
Het valt op dat Duitsland als voorbeeld wordt genoemd. Ik ben al eens tegen gekomen dat in Duitsland financiële ondernemingen een SCP-product aanbieden, inhoudend dat leveranciersvorderingen op een digitale marktplaats te koop worden aangeboden. Het kan dan gaan om leveranciers die pas op zeer lange termijn betaald worden door hun (grote) afnemers, zodat het lijkt of deze financiële ondernemingen juist de praktijken van laat betalende grote ondernemingen faciliteren.

Meer informatie:

Geplaatst in Handelsrecht, Internationale handel | Tags: , , , , | Plaats een reactie

AML/CFT for lawyers | CCBE

In its latest newsletter CCBE reported on Belgian resistance by lawyers against the implementation of the 4th Anti-money laundering Directive in Belgium.
Further CCBE informs the public it is involved in revision of the FATF guidance for lawyers, accountants and company service providers.

Anti-money laundering: CCBE intervention in support of the Belgian bars
The CCBE is seeking to intervene before the Belgian Constitutional Court in support of the Belgian Bars against provisions of the national law implementing the 4th Anti-money laundering Directive in Belgium. The case also involves a possible preliminary reference to the European Court of Justice. The case concerns the protection of professional secrecy/privilege, and it is being contested that the national implementing act in Belgium (act of 18 September 2017) implementing the provisions of the 4th AML Directive (Directive 2015/849) violates the right to professional secrecy/privilege.

FATF revision of the risk-based approach guidance for professions (lawyers, accountants and trusts and company service providers)
The work on the revision of the 2008 risk-based approach guidance for the legal profession is continuing. The work commenced in March 2018 and a first draft of the revised guidance was prepared in advance of an FATF meeting in Vienna on 23/24 April. The next FATF meeting took place on 26 June. The CCBE will continue to be involved in providing its input.

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], English - posts in English on this blog, Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Ubo-register | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Wwft-bureaucratie | risicoprofiel per klant | hoog tijd voor wetenschappelijk onderzoek

Naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) levert omvangrijke bureaucratische lasten op voor alle ondernemers die onder deze wet vallen, zoals handelaren, makelaars, domicilieverleners, verhuurders van safes, juridisch adviseurs en administratiekantoren. Zie voor een overzicht van alle Wwft-plichtigen deze pagina op de site van FIU-Nederland.

One-size-fits-all wet
Een van de kenmerken van de Wwft is dat het een one-size-fits-all wet is. Oorspronkelijk is de wet bedacht voor banken en andere (grote) financiële instellingen.
Vervolgens is de wet zonder enige aanpassing uitgebreid naar een groot aantal andere ondernemingen. Onderdeel van deze wet is dat de Wwft-plichtige moet bewijzen de verplichtingen op grond van deze wet te hebben nagekomen. Dat wordt tot uitdrukking gebracht door de vele malen dat wordt vermeld dat er moet worden ‘vastgelegd’.

Risicoprofiel per klant
Onder meer verplicht deze wet alle Wwft-plichtigen tot het per klant opstellen van een risicoprofiel. Dit onderwerp kwam recent aan de orde in een uitspraak over een betaalinstelling maar is relevant voor alle andere Wwft-plichtigen.

In deze zaak verschilde een betaalinstelling van mening met Wwft-toezichthouder DNB. De betaalinstelling vond dat schriftelijke vastlegging van een risicoprofiel per klant niet nodig was.

Zie hierna een citaat uit de uitspraak, waarbij ‘[eiseres]” de betaalinstelling is:

Schriftelijk vastgelegd risicoprofiel

7. [eiseres] betoogt dat zij artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft niet heeft overtreden. Op grond van de Wwft bestaat geen verplichting een schriftelijk risicoprofiel op te stellen en vast te leggen in het dossier en bij aanvang van de relatie werd wel degelijk onderscheid gemaakt tussen cliënten op basis van de relevante risico’s. Daarnaast heeft [eiseres] aan haar monitoringsverplichting voldaan.
Ook dit betoog slaagt niet.

7.1 Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wwft verricht een instelling ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntenonderzoek.
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft, zoals luidend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2012, stelt het cliëntenonderzoek de instelling in staat om, voor zover mogelijk, een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te voeren, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en van zijn risicoprofiel, met in voorkomend geval een onderzoek naar de bron van het vermogen.
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft, zoals luidend in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014, stelt het cliëntenonderzoek de instelling in staat om een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te oefenen, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en diens risicoprofiel, met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen die bij de zakelijke relatie of de transactie gebruikt worden.

7.3 Uit de memorie van toelichting op dit artikellid (TK 2007-2008, 31 238, nr. 3, blz. 18) volgt dat het van belang is dat de instelling periodiek toetst of de cliënt nog voldoet aan het risicoprofiel, zoals dat is opgesteld bij aanvang van de dienstverlening. Instellingen kunnen immers alleen ongebruikelijke transacties opmerken als ze een goed beeld hebben van de betreffende cliënt. Indien uit bepaalde transacties blijkt dat de cliënt afwijkt van het profiel, dient de instelling na te gaan welke risico’s dit oplevert.
Uit de wettekst en de toelichting daarop volgt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat een betaalinstelling bij aanvang van de dienstverlening een risicoprofiel van de (nieuwe) cliënt moet opstellen.

Verder wordt de betaalinstelling verweten dat het eigen kantoorhandboek niet werd nageleefd:

7.4 DNB heeft [eiseres] kunnen verwijten dat zij in de overtredingsperiode in drie (van de zeven) door DNB onderzochte dossiers ([dossier 1], [dossier 2] en [dossier 3]) bij aanvang van de relatie geen schriftelijk risicoprofiel van de cliënt heeft vastgelegd in het dossier. In de overige onderzochte dossiers heeft [eiseres] de risico-indeling niet uitgevoerd op basis van de juiste indicatoren, te weten de criteria die in het Handboek KYC (know your customer; ken uw cliënt) van [eiseres] zijn opgenomen en die betrekking hebben op de Wwft (witwassen), maar op basis van criteria die gelieerd zijn aan fraude. Dat de dossiers volgens [eiseres] wel zijn ingedeeld in een bepaalde risico-categorie is onvoldoende om te spreken van een risicoprofiel aan de hand waarvan het handelen van de cliënt voortdurend kan worden gemonitord. Als niet duidelijk is waarom tot een bepaalde categorisering is gekomen, is ook niet duidelijk welke specifieke risico’s (vooral) van belang zijn in het kader van de door [eiseres] te verrichten controles in het kader van de naleving van de Wwft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat DNB [eiseres] terecht heeft tegengeworpen dat zij onvoldoende cliëntenonderzoek heeft uitgevoerd en dat [eiseres] in haar bedrijfsvoering artikel 3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft heeft overtreden. 

Wellicht dat van een betaalinstelling meer kennis mag worden verwacht dan van een administratiekantoor. Het probleem dat een groot deel van de Wwft-plichtigen uit het MKB onvoldoende kennis heeft van criminaliteit om een goed risicoprofiel te maken, blijft.

Aanbod van naleefkundige producten
Op dit moment worden door aanbieders van naleefkundige diensten, die hun kennis hebben opgedaan in de financiële sector, kant-en-klare kantoorhandboeken, systematische integriteitsrisicoanalyses (‘SIRA’s’) en en risicoanalyses op klantniveau aangeboden. De aanbieders pretenderen daarmee de Wwft-plichtigen te ontzorgen. De vraag is of dat het geval is.

Het lijkt er op dat de betaaldienstverlener uit de uitspraak hierboven een kantoorhandboek heeft gekocht. Dat leid ik af uit “In de overige onderzochte dossiers heeft [eiseres] de risico-indeling niet uitgevoerd op basis van de (…) de criteria die in het Handboek KYC“.

Het kopen van kant-en-klare producten werkt niet als er binnen de Wwft-plichtige onderneming onvoldoende kennis is omtrent de Wwft respectievelijk als de Wwft onhaalbare eisen stelt aan het desbetreffende type onderneming. (Even los van de vraag of juridische confectie wel adequaat is.)

Onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek gewenst
Het is hoog tijd dat er onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar de zin van het uitrollen van op de grote ondernemingen in de financiële sector geïnspireerde regelgeving op het gebied van preventie en opsporing van criminaliteit, naar allerlei andere ondernemingssectoren met geheel andere kenmerken.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , , | 2 reacties

1e wet ter implementatie van AMLD4 aanstaande maandag en dinsdag op de agenda van de Eerste Kamer | Wwft

Aanstaande maandag en dinsdag staat het eerste wetsvoorstel ter implementatie van de 4e Europese anti-witwasrichtlijn (AMLD4), de “Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn” op de agenda van de Eerste Kamer.

Door middel van het wetsvoorstel wordt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gewijzigd. De nieuwe regels beogen financieel-economisch criminaliteit beter te bestrijden, wat wordt gedaan door middel van een enorme bureaucratie, waarbij grote hoeveelheden persoonsgegevens worden verzameld en uitgewisseld.

De implementatie van AMLD4 vindt in Nederland zeer verbrokkeld plaats, door middel van twee aparte wetsvoorstellen (waarvan het tweede nog niet bekend is) en meerdere uitvoeringsregelingen (van één zijn inmiddels twee versies bekend).

Ondanks de kritiek die de Eerste Kamer tijdens de behandeling had, wordt verwacht dat het wetsvoorstel aanstaande dinsdagavond zal worden aangenomen.

Meer informatie:


Aanvulling 10 juli 2018
Zie het bericht “Debat Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn” op de site van de Eerste Kamer:

Debat Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn
9 juli 2018

De Eerste Kamer debatteerde maandag 9 juli in eerste termijn over het voorstel van minister Hoekstra van Financiën over de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn (34.808).
Alle fracties in de Eerste Kamer steunen het strenger aanpakken van corruptie en witwaspraktijken. Wel uitten de meeste woordvoerders hun zorgen over het middel dat voorlag. Met name over het verscherpte onderzoek naar mensen met een publieke functie én hun naasten werden veel vragen aan de minister gesteld.

PVV-senator Van Strien wilde van de minister weten of hij tenminste een andere maatschappelijke groepering zou kunnen noemen die banken aan extra witwaspraktijken-onderzoek moeten onderwerpen. In hoeverre zijn financiële dienstverleners uitgerust om verscherpt onderzoek te doen, vroeg senator Sent (PvdA) aan de minister. Senator Köhler (SP) vroeg aan Hoekstra waarom bij het hebben van rekeningen geen financiële grens van 15.000 euro wordt gesteld, voordat moet worden overgegaan tot een verscherpt cliëntenonderzoek door de bank. Volgens het wetsvoorstel moeten instellingen passende maatregelen nemen om de hiervoor genoemde klanten in kaart te brengen. Senator Prast (D66) wilde van de minister weten wat hij hierbij verstaat onder passend.

Niet alleen de mensen met een publieke functie zelf, maar ook zijn of haar familie en naast geassocieerden worden gescreend. Senator Ester (ChristenUnie) vroeg de minister hoe stigmatisering van onschuldige en niets vermoedende familieleden kan worden voorkomen. Voor senator Knip (VVD) zijn de vergaande onderzoeksbevoegdheden van de bankmedewerkers een punt van zorg. Hij vroeg de minister welke concrete hij hier ziet voor de toezichthouders. Senator Vos (GroenLinks) ziet een tegenstrijdigheid tussen de verplichtingen in deze richtlijn en de privacy. Zij vroeg de minister of de Autoriteit Persoonsgegevens hier een rol in kan spelen. Uit de schriftelijke behandeling maakte senator Van Kesteren (CDA) op dat het voorstel verdedigd wordt met de stelling dat dit soort wetgeving in het buitenland noodzakelijk is. Hij vroeg de minister of dat wil zeggen dat we hier wetgeving aan het behandelen zijn die in Nederland niet nodig is.
Het debat wordt dinsdag 10 juli voortgezet met de beantwoording door de minister en de tweede termijn van de Kamer. Ook de stemming over het voorstel is dan voorzien. De voorgestelde maatregelen beogen het witwassen van uit criminaliteit verkregen geld of het aanwenden van gelden of voorwerpen voor terroristische doeleinden, met gebruikmaking van het financieel stelsel, verder aan te pakken.

Dit voorstel wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enkele andere wetten in verband met de (gedeeltelijke) implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn ((EU) 2015/849) en in verband met de uitvoering van de nieuwe verordening betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie ((EU) 2015/847).

Op de site van de Eerste Kamer staat een verslag van der vergadering van gisteren.

Geplaatst in Europa, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Europol security tips for the public

Europol is providing security tips for the public, to be found on their twitter account, recently for instance:

#BuySafePaySafe tip: Use a #creditcard when shopping online 💳 Most credit cards have a strong customer protection policy. If you don’t get what you ordered, the card issuer will refund you 👍 pic.twitter.com/uvFRMs66da

— Europol (@Europol) 19 juni2018

Protect yourself from holiday fraud! 🌴✈This happens when you pay for rental services offered online & find out that the service you booked:
– Doesn’t exist
– Was paid with a compromised card of another victim, making your purchase invalid
See how ➡https://t.co/FqcRp2o8rb pic.twitter.com/RnkCkT0PPb

— Europol (@Europol) 12 juni2018

Protect yourself from #fraud scams targeting employees! Here is what you can do👇 pic.twitter.com/UzQJxTlsTw

— Europol (@Europol) 8 juni2018

 

Further they have a section on their website with guidance:
Europol Public awareness and prevention guides

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, ICT, privacy, e-commerce | Tags: | Plaats een reactie

Rule-Making as Structural Violence: From a Taxi to Uber Economy in San Francisco

In het artikel “Rule-Making as Structural Violence: From a Taxi to Uber Economy in San Francisco” beschrijft Veena Dubal hoe de overheid de burger in de steek laat en IT-boefjes hun gang laat gaan. Ze schrijft onder meer:

Today, workers’ wages across the Uber-taxi divide are roughly 65% of what they were in 2010. They are often below the minimum wage. Told through the eyes of workers, the case study of how regulators responded to rule-breaking platforms and created the city’s contemporary Uber economy can neither be explained through innovation fanaticism nor fundamentally through a politics of efficiency and deregulation. Taxi workers understood innovation discourse as obscuring both their everyday hardships and corruptive, though legal, state practices. And they reframed the law in this process as playing an active role in undermining democratic principles, producing the myth of a free market, and exacerbating political and economic inequalities. As Mark wrote to me in a text following the fifth recent suicide of a taxi driver, “The invisible hand has shown its hand.”

 

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , | Plaats een reactie

Deceived by design

Onder de titel “Deceived by design” heeft een Noorse consumentenorganisatie een Engelstalig rapport uitgebracht over de manier waarop internetgiganten hun gebruikers misleiden en verleiden tot het verschaffen van niet alleen hun eigen persoonsgegevens maar ook persoonsgegevens van al hun relaties.

Dat doen zij door het voor die gebruikers moeilijk te maken de software zo in te stellen dat persoonsgegevens niet met de leverancier worden ‘gedeeld’.

Onderzocht zijn Facebook, Google en Microsoft (windows 10).

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , | Plaats een reactie