Hoe Nederland afglijdt: coronapas discriminatie

In tijden van corona verdwijnt in Nederland het laatste laagje beschavingsvernis: de middenpartijen VVD, CDA en D66 laten toe dat het kabinet door middel van de coronapas onacceptabele druk op niet-gevaccineerden uitoefent. Diezelfde partijen accepteren kritiekloos het verhaal dat vaccineren de oplossing zou zijn (wat het niet is) en dat een coronapas nuttig zou zijn en tot ‘veiligheid’ zou leiden [1]. Niet voor niets zegt het OMT dat een coronapas niet nodig is in de zorg, dat geldt dus overal. De coronapas leidt tot discriminatie en draagt niet bij aan de bestrijding van het virus [2].

Excessen
Er komen steeds meer excessen naar buiten, zoals advocaten die hun strafklanten in detentie niet mochten bezoeken zonder coronapas:

 

 

Een advocaat in opleiding kan zonder coronapas niet aan de Beroepsopleiding mee doen:

 

 

Ongetwijfeld zijn er nog veel meer voorbeelden.

Tegenspraak ontbreekt
Er zijn maar weinig leden van de Tweede Kamer die het aandurven om tegenspraak te leveren en in de ‘wappie’ hoek geframed te worden. Een van hen is Pieter Omtzigt die op 4 november naar aanleiding van een motie van Wilders het volgende opmerkte:

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):

Voorzitter. Een stemverklaring over de motie-Wilders op stuk nr. 1473 over het coronatoegangsbewijs. Ik ben tegen het coronatoegangsbewijs omdat het coronatoegangsbewijs een schijnzekerheid biedt, nu ook gevaccineerden helaas wat besmettelijker zijn. Ze zijn dat wel een heel stuk minder dan ongevaccineerden en hebben ook een heel stuk minder de kans om in het ziekenhuis te komen, maar die kans bestaat wel. Daarom zegt het OMT ook: zet in op de algemene maatregelen. Maar zelfs de vraag om daar een algemene campagne over te houden, zodat mensen in het land zouden weten wat er met ventileren bedoeld wordt, hoe we ervoor zorgen dat CO2-meters worden opgehangen, hoe we ervoor zorgen dat mensen weten dat ze een bepaalde mate van afstand moeten houden, hoe je het werk veilig moet houden, komt niet van de grond. Daarmee kiest het kabinet te veel voor een vorm van verdeeldheid.

Maar ik wil hier wel zeggen dat het niet zijn van een coronatoegangsbewijs niet betekent dat er niet een aantal maatregelen genomen moeten worden, dus daar verschil ik een klein stuk van de indiener.

Vindplaats: verslag (docx) te vinden via deze pagina.

Omtzigt meldt terecht in een andere tweet – over een onderzoek dat zou moeten plaats vinden naar het coronabeleid – dat de Tweede Kamer zelf nalatig is:

 

 

De druk op de tegenstanders van de coronapas en het coronabeleid wordt opgevoerd. Thomas Bollen spreekt hen moed in:

 

 

Maarten Keulemans over het falen van het kabinet dat heeft ingezet op het vaccin:

 

Noten:
[1] Inmiddels is duidelijk geworden dat gevaccineerden nog steeds besmettelijk zijn en ernstige corona kunnen krijgen. Verder verliest het vaccin snel zijn werking. Het verhaal dat de coronapas (respectievelijk vaccinatie) voor veiligheid zou zorgen, is dus onjuist.
Zie voor informatie onder meer het twitter account van Thomas Bollen en de site van het Artsencollectief. Overigens valt op dat kritiek van het Artsencollectief en andere medici niet door VWS of RIVM wordt weersproken.
[2] Lees over corona-discriminatie ook dit artikel waarin ik de resolutie van de Raad van Europa bespreek.

Geplaatst in Grondrechten | Tags: , , , | 1 reactie

Minimumeisen aan digitale veiligheid slimme apparaten

Het is verheugend nieuws dat er minimumeisen aan de digitale veiligheid van slimme apparaten zullen worden gesteld, lees het nieuwsbericht van de rijksoverheid.

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , | Plaats een reactie

Onbarmhartige Nederlandse overheid en strijd tegen molens | tegenwind in de Veenkoloniën

De onbarmhartige Nederlandse overheid komen we tegen in de Toeslagenaffaire en in de witwasbestrijding [*]. Ook in andere domeinen is zichtbaar dat de overheid de mensen soms niet meer ziet staan en soms over hen heen walst, zoals in de door Kees Vlaanderen geregisseerde documentaire voor 2doc, Tegenwind: Het Verdriet van de Veenkoloniën. De introductie op 2doc luidt:

De komst van een mega windturbinepark in de veenkoloniën drijft de omwonenden uit elkaar. De strijd begint ludiek, maar eindigt grimmig en hard in ondergronds verzet.

Vlaanderen wordt onder meer als volgt geciteerd:

Wat wil je dat mensen meenemen uit deze documentaire?
‘Ik vond het echt tragisch om te zien hoe goedwillende burgers in het harnas worden gejaagd. Deze burgers zien echt wel de noodzaak van groene energie, maar ze worden niet serieus genomen. Ik vind het heel verdrietig om te zien hoe deze mensen hun vertrouwen in de democratie en de rechtstaat kwijtraken. Ik wil met deze documentaire laten zien hoe verkeerd het kan aflopen als er van bovenaf met ‘bulldozerpolitiek’, zoals voormalig minister Wiebes het noemde, over burgers wordt heen gewalst. De verleiding is namelijk heel groot om klimaatproblematiek op die manier aan te pakken: gewoon doordrammen met het idee dat je sneller klaar bent. Maar mensen zetten de hakken in het zand en het duurt daardoor eigenlijk langer. Het veroorzaakt ook enorm veel persoonlijk leed. Zoals de dochter uit de film, die haar vader op een gegeven moment moet opzoeken in de gevangenis.’

Kees Vlaanderen werd op 30 oktober door Nieuwsweekend geïnterviewd, beluister het fragment.

 

Trailer op vimeo

Trailer Tegenwind, het verdriet van de Veenkoloniën from Moondocs on Vimeo.

 

Documentaire op NPO Start: hier.

 

[*] Zo zijn aan banken onuitvoerbare misdaadbestrijdingsverplichtingen opgelegd (zie onder meer het artikel over Mollie en de podcast) en zorgt de overheid er voor dat banken uit angst voor boetes en vanwege de hoge compliance kosten nette klanten weigeren (‘de-risking‘).

Geplaatst in Grondrechten | Plaats een reactie

President of the General Court rejects request for interim measures against EU covid-19 certificate

Today the order of the President of the General Court of 29 October in a covid-19 certificate case was published. I have not yet heard on European level there was a decision in such a case before.

The order was published in French and Italian, below you find a machine translation into English. It only concerns the request for interim measures, a request that is rejected. The President thinks the matter is not urgent enough for interim measures and amongst others considers:

33 Furthermore, in so far as the applicants maintain that the infringement of their fundamental rights directly and immediately causes them non-material damage, it is sufficient to recall that, according to well-established case-law, even assuming that such damage is actually caused by the contested regulation, the annulment of that regulation at the end of the main proceedings would constitute sufficient compensation for the non-material damage alleged (see, to that effect, Order of 20 July 2016, Director General of OLAF v Commission, T-251/16 R, unreported, EU: T:2016:424, paragraph 57 and the case-law cited). It follows that the non-material damage alleged cannot be regarded as irreparable.

We’ll see what the main procedure will bring.

 

More information:

Nº 194/2021 : 29 October 2021
Order of the President of the General Court in case T-527/21 Abenante and Others v Parliament and Council:

 

Machine translation of the French version of the Order:

WORKING DOCUMENT 

ORDER OF THE PRESIDENT OF THE COURT
29 October 2021 (*)

“(*) “Interim measures – Regulation (EU) 2021/953 – EU digital COVID certificate – Application for suspension of operation – No urgency

In Case T-527/21 R,

Stefania Abenante, residing in Ferrara (Italy), and the other applicants whose names are listed in the Annex (1 ), represented by M. Sandri, lawyer,
applicants,

against

European Parliament, represented by L. Visaggio, J. Rodrigues and P. López-Carceller, acting as Agents,

and

Council of the European Union, represented by M. Moore and S. Scarpa Ferraglio, acting as Agents,
defendants,

application under Articles 278 and 279 TFEU for suspension of operation of Article 3(1)(a) and (b) of Regulation (EU) No 2021/953 of the European Parliament and of the Council of 14 June 2021 on a framework for the issue, verification and acceptance of certificates of origin verification and acceptance of interoperable COVID-19 certificates of vaccination, testing and recovery (EU digital COVID certificate) in order to facilitate the free movement during the COVID-19 pandemic (OJ 2021 L 211, p. 1),

THE PRESIDENT OF THE COURT

hereby makes this

Order

Background to the dispute, procedure and conclusion of the parties

1 The applicants, Ms Stefania Abenante and the other natural persons whose names are annexed, are citizens of the European Union.
2 In order to limit the spread of Severe Acute Respiratory Syndrome (SARS-CoV-2), Member States have adopted certain measures which have affected the exercise by citizens of the Union of their right to move and reside freely within the territory of the Member States, such as restrictions on entry or requirements for cross-border travellers to be quarantined or self-contained or to be tested for SARS-CoV-2 infection
3 In order to facilitate the exercise of the right to move and reside freely within the territory of the Member States, the European Parliament and the Council of the European Union have decided to establish a common framework for the issuance, verification and acceptance of interoperable certificates of vaccination, testing and reinstatement in relation to coronavirus 2019 (COVID-19), which is caused by SARS-CoV-2. The objective of this common framework is to facilitate, as far as possible on the basis of scientific evidence, the gradual lifting of restrictions by Member States in a coordinated manner, taking into account the lifting of restrictions on their own territory.
4 To that end, the Parliament and the Council adopted, on 14 June 2021, Regulation (EU) 2021/953 on a framework for the issue, verification and acceptance of interoperable COVID-19 certificates of vaccination, testing and recovery (EU digital COVID certificate) in order to facilitate free movement during the COVID-19 pandemic (OJ 2021 L 211, p. 1, hereinafter ‘the contested regulation’).
5 According to recital 13 of the contested regulation, although it is without prejudice to the competence of Member States to impose restrictions on free movement, in accordance with Union law, in order to limit the spread of SARS-CoV-2, it should help to facilitate the gradual lifting of those restrictions in as coordinated a manner as possible.
6 Article 3(1) of the contested regulation provides that the framework of the interoperable certificate containing information on the holder’s vaccination, test results or recovery issued in the context of the COVID-19 pandemic (hereinafter the ‘EU digital COVID certificate’) allows for the issue, verification and cross-border acceptance of one of the following certificates: a certificate confirming that its holder has received a COVID-19 vaccine in the issuing Member State, referred to as a “vaccination certificate” (Article 3(1)(a) of the contested regulation), a certificate confirming that its holder has been tested by health professionals or qualified testing personnel in the issuing Member State, and indicating the type of test, the date on which it was carried out and the result of the test, ‘test certificate’ (Article 3(1)(b) of the contested regulation), and a certificate confirming that, following the positive result of a test carried out by health professionals or qualified testing personnel, the holder has recovered from an infection with SARS-CoV-2, ‘recovery certificate’ (Article 3(1)(c) of the contested regulation)
7 By application lodged at the Registry of the Court of First Instance on 30 August 2021, the applicants have brought an action seeking, inter alia, the annulment in whole or in part of the contested regulation.
8 By separate document lodged at the Registry of the Court of First Instance on 31 August 2021, the applicants have brought the present application for interim measures, in which they claim that the President of the Court of First Instance should
– as an immediate and interim measure, suspend the operation of Article 3(1)(a) and (b) of the contested regulation
– Primarily, annul the contested regulation in its entirety;
– in the main alternative, annul Article 3(1)(a) and (b) of the contested regulation
– in the further alternative, for the purpose of balancing the practical needs of the parties, partially amend the contested regulation by providing, in place of Article 3(1)(a) and (b) thereof, for an obligation, for the issue of the EU digital COVID certificate to every citizen of the Union, to submit to the Commission’s examination of the application for a COVID certificate in the situations referred to in that regulation, to take a salivary smear and, in the event of a positive result, to undergo an effective check to confirm a case of SARS-CoV-2 or Covid-19, in accordance with the protocols laid down by the World Health Organisation (WHO) and the European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) ;
– order any defendant to pay the costs.
9 In its observations on the application for interim measures, lodged at the Registry of the Court of First Instance on 15 September 2021, the Council claims that the President of the Court should:
– reject the application for a protective stay as manifestly inadmissible ;
– in the alternative, dismiss the application for a protective stay as manifestly unfounded
– order the applicants jointly and severally to pay the costs.
10 In its observations on the application for interim measures, lodged at the Court Registry on 15 September 2021, the Parliament claims that the President of the Court should:
– reject the application for suspension of operation ;
– order the applicants to pay the costs.

In law
11 It follows from a combined reading of Articles 278 and 279 TFEU, on the one hand, and Article 256(1) TFEU, on the other, that the interim relief judge may, if he considers that the circumstances so require, order the suspension of operation of an act challenged before the Court of First Instance or prescribe the necessary interim measures, pursuant to Article 156 of the Rules of Procedure of the Court of First Instance. However, Article 278 TFEU lays down the principle that actions are not suspensive, as acts adopted by the Union institutions are presumed to be lawful. It is therefore only exceptionally that the judge hearing the application for interim measures may order a stay of execution of an act challenged before the Court of First Instance or prescribe interim measures (Order of 19 July 2016 in Case T-131/16 R Belgium v Commission, EU:T:2016:427, paragraph 12).
12 The first sentence of Article 156(4) of the Rules of Procedure provides that applications for interim measures must specify ‘the subject-matter of the dispute, the circumstances establishing urgency and the pleas of fact and law which prima facie justify the grant of the interim measure which they seek’.
13 Thus, the stay of execution and other interim measures may be granted by the interim relief judge if it is established that their grant is prima facie justified in fact and in law (fumus boni juris) and that they are urgent, in the sense that it is necessary, in order to avoid serious and irreparable damage to the interests of the party seeking them, that they be enacted and take effect before the decision in the main case. These conditions are cumulative, so that applications for interim measures must be rejected if one of them is missing. The interim relief judge also carries out, where appropriate, a balancing of the interests involved (see Order of 2 March 2016 in Case C-162/15 P-R Evonik Degussa v Commission, EU:C:2016:142, paragraph 21, and the case-law cited).
14 In the context of that overall examination, the interlocutory judge has a broad discretion and remains free to determine, in the light of the particular circumstances of the case, the manner in which those various conditions are to be verified and the order of that examination, since there is no rule of law which imposes on him a pre-established pattern of analysis for assessing the need to give a provisional ruling (see Order of 19 July 2012 in Case C-110/12 P(R) Akhras v Council, unreported, EU: C:2012:507, paragraph 23, and the case-law cited therein).
15 Having regard to the material in the file, the President of the Court of First Instance considers that he has all the information necessary to rule on the present application for interim measures, without there being any need to hear the parties’ oral explanations beforehand.
16 In the circumstances of the present case, it is appropriate to examine first whether the condition of urgency is satisfied.
17 In order to ascertain whether the interim measures sought are urgent, it should be recalled that the purpose of the interim measures procedure is to ensure the full effectiveness of the future final decision, in order to avoid a gap in the legal protection afforded by the Union court. In order to achieve this objective, urgency must, in general, be assessed in the light of the need to give a provisional ruling in order to avoid serious and irreparable harm to the party seeking interim protection. It is for that party to prove that it cannot await the outcome of the proceedings relating to the action on the merits without suffering serious and irreparable harm (see Order of 14 January 2016, AGC Glass Europe and Others v Commission, C-517/15 P-R, EU:C:2016:21, paragraph 27 and the case-law cited).
18 It is in the light of those criteria that it is necessary to examine whether the applicants succeed in demonstrating urgency.
19 In the present case, in order to demonstrate the serious and irreparable nature of the alleged damage, the applicants submit, first, that the contested regulation creates in practice discrimination between vaccinated and non-vaccinated persons and, therefore, between citizens of the Union in the exercise of their fundamental rights, which affects them directly.
20 Secondly, the applicants submit that the serious infringement of their fundamental rights, caused by the inadmissible content of the contested regulation, which is manifestly at variance with any scientific standard, must be brought to an immediate end in view of the material and, above all, non-material damage which it inflicts on them in a direct and immediate manner, thus depriving them of the opportunity to lead a normal social life.
21 For their part, the Parliament and the Council submit that the applicants have failed to establish that the requirement of urgency is satisfied.
22 In that regard, first, with regard to the applicants’ argument that the contested regulation discriminates in practice between citizens of the Union in the exercise of their fundamental rights, it should be recalled, first, that the interlocutory judge cannot be held responsible for the infringement of the fundamental rights of citizens, that the interim relief judge cannot mechanically and rigidly apply the condition relating to the irreparable nature of the damage – or, moreover, to the serious nature of the damage relied on – but must take account of the circumstances of each case (see, to that effect, Order of 25 July 2014 in Case T-189/14 R Deza v ECHA, not published, EU: T:2014:686, paragraph 105, and the case-law cited), especially since that criterion, which is purely praetorian in origin and does not appear in the Treaties or in the Rules of Procedure, must be left inapplicable where it is irreconcilable with the requirements of effective provisional protection (see, to that effect, Order of 23 April 2015 in Commission v Vanbreda Risk & Benefits, C-35/15 P(R), EU:C:2015:275, paragraph 30).
23 Second, the possibility of ordering a stay of execution or of taking interim measures solely on the basis of the manifest illegality of the contested measure is not excluded, for example, where the latter lacks even the appearance of legality and its execution must therefore be suspended immediately (see, to that effect, Orders of 7 July 1981 in IBM v Commission, 60/81 R and 190/81 R, EU: C:1981:165, paragraphs 7 and 8, and of 26 March 1987, Hoechst v Commission, 46/87 R, EU:C:1987:167, paragraphs 31 and 32).
24 Thirdly, however, although, as is apparent from paragraph 110 of the order of 23 February 2001 in Case C-445/00 R Austria v Council (EU:C:2001:123), the particularly serious nature of the fumus boni juris is not without influence on the assessment of urgency, it is, however, in accordance with the provisions of Article 156(4) of the Rules of Procedure, a question of two separate conditions governing the grant of a stay of execution. It is therefore for the party seeking interim measures to demonstrate the imminence of serious and difficult-to-repair, or even irreparable, damage, and the mere demonstration of the existence of a prima facie case, even a particularly serious one, cannot make up for the complete absence of a demonstration of urgency, except in very special circumstances (see, to that effect, Order of 2 May 2007 in Case T-297/05 R IPK International – World Tourism Marketing Consultants v. Commission, unreported, EU: T:2007:118, paragraph 52 and case law cited).
25 In the present case, moreover, none of the applicants’ arguments demonstrates, prima facie, the manifest nature of the alleged violation.
26 As regards the applicants’ argument that the infringement of their right to freedom of movement if they do not undergo invasive medical treatment contrary to their wishes entails a direct limitation of their personal freedom, as provided for in Article 6 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union, and of their professional freedom and right to work, as provided for in Article 5 of the Charter, as well as their professional freedom and their right to work, provided for in Article 15 of that Charter, it must first be observed that possession of the certificates provided for in the contested regulation does not constitute a precondition for the exercise of the right to freedom of movement, as is apparent from Article 3(6) of that regulation.
27 Furthermore, the applicants do not put forward any evidence which would allow the conclusion to be drawn that the contested regulation worsened their conditions of movement as compared with the situation before its entry into force. Indeed, the contested regulation is intended precisely to facilitate the exercise of the right to free movement within the Union during the COVID-19 pandemic by establishing a framework for the issue, verification and acceptance of EU digital COVID certificates.
28 Second, as regards the applicants’ argument that the infringement of their fundamental rights caused them material damage, it should be noted that financial damage cannot, save in exceptional circumstances, be regarded as irreparable or even difficult to repair, since it can, as a general rule, be the subject of subsequent financial compensation (see Order of 2 October 2019 in Case T-542/19 R FV v Council, unreported, EU:T:2019:718, paragraph 42, and the case-law cited).
29 It is true that, even in the case of purely pecuniary damage, an interim measure is justified if it appears that, in the absence of that measure, the party seeking it would be in a situation likely to jeopardise its financial viability, since it would not have available to it a sum which would normally enable it to meet all the expenditure necessary to satisfy its basic needs until the main action is decided (see Order of 2 October 2019, FV v Council, T-542/19 R, unreported, EU: T:2019:718, paragraph 43, and the case-law cited).
30 However, in order to be able to assess whether the alleged damage is of a serious and irreparable nature and therefore justifies suspending, exceptionally, the implementation of the contested measure, the judge hearing the application for interim measures must, in any event, have at his disposal concrete and precise information, supported by detailed documents which demonstrate the financial situation of the party seeking the interim measure and make it possible to assess the consequences which are likely to result from the absence of the measures requested (see Order of 27 April 2010, Parliament v Union, T-103/10 P(R), EU: T:2010:164, paragraph 37, and the case-law cited therein).
31 However, in the present case, the applicants failed to provide concrete and precise indications, supported by detailed certified documents.
32 Consequently, in such circumstances, the interim relief judge is not in a position to assess whether the alleged damage can be classified as serious and irreparable.
33 Furthermore, in so far as the applicants maintain that the infringement of their fundamental rights directly and immediately causes them non-material damage, it is sufficient to recall that, according to well-established case-law, even assuming that such damage is actually caused by the contested regulation, the annulment of that regulation at the end of the main proceedings would constitute sufficient compensation for the non-material damage alleged (see, to that effect, Order of 20 July 2016, Director General of OLAF v Commission, T-251/16 R, unreported, EU: T:2016:424, paragraph 57 and the case-law cited). It follows that the non-material damage alleged cannot be regarded as irreparable.
34 It follows from all the foregoing that the application for interim measures must be dismissed in the absence of evidence of urgency on the part of the applicants, without it being necessary to examine its admissibility, to rule on the fumus boni juris or to balance the interests.
35 Pursuant to Article 158(5) of the Rules of Procedure, costs should be reserved.

For these reasons
THE PRESIDENT OF THE COURT
orders:

1. The application for interim measures is dismissed.
2. Costs are reserved.

Done at Luxembourg on 29 October 2021.

(…)

* Language of the case: Italian.

1 The list of other applicants is annexed only to the version notified to the parties.

 

Addition 9 November 2021
Amended after the comments of Leo Neve.

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Europa, Grondrechten | Tags: , , , , | 2 reacties

Mollie en het mislukte concept van opsporing van misdaad door transactiemonitoring | Wwft, AML, CFT

Op het Ministerie van Financiën bestaat de vreemde veronderstelling dat banken en betaaldienstverleners misdaad kunnen opsporen door transacties te monitoren. Degene die belangstelling heeft voor de praktische werkelijkheid doet er goed aan te luisteren naar de podcast ‘Het verhaal van unicorn Mollie’ van BNR, waarin voormalig Mollie-directeur Remco Boer wordt geïnterviewd.

Naast informatie over de ontwikkeling van het bedrijf zijn bekende problemen rondom de misdaadbestrijdende taken van financiële instellingen te horen, zoals dat het monitoren van transacties is als het zoeken naar een speld in een hooiberg en dat de private witwasbestrijding zeer kostbaar en inefficiënt is. Vanwege de draconische sancties zijn financiële instellingen doodsbang fouten te maken. Nette klanten worden geweigerd, als de compliance te bewerkelijk is, wat betekent dat sommige mensen en groepen van het bancaire systeem worden uitgesloten (‘de-risking’). Kortom: misdaadbestrijding leidt tot maatschappelijk onbetamelijk handelen van financiële instellingen.

Boer legde het eind augustus ook uit in een artikel voor het NRC. Hij schreef over de risico’s die financiële instellingen lopen als zij hun misdaadbestrijdingstaken niet goed vervullen:

doen ze dit niet ‘goed’ genoeg, of maken ze een fout, dan krijgen ze miljoenenboetes en lopen reputatieschade op. Logischerwijs gaan financiële instellingen daarom kosten-baten analyses maken. Zit de klant in een grijs gebied en wordt er te weinig aan verdiend? Dan is het beter om het risico niet te nemen en hem af te sluiten. Omdat afsluiten een hoop gedoe oplevert, is het nóg beter dit type klanten bij voorbaat maar helemaal te weigeren. De-risking heet dat.

Hij besluit met een oproep aan de politiek:

Het blijkt nu opnieuw dat het strenge antiterrorismefinancieringsbeleid nadelige maatschappelijke consequenties heeft. Ik pleit daarom voor een duidelijk signaal van de politiek. Bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering, ja natuurlijk. Maar ook behoud van het recht tot vereniging. Met steun van de Nederlandse politiek kan toezichthouder DNB samen met banken en betaaldiensten komen tot een effectieve en pragmatische balans waarbij onze democratische waarden niet worden geschaad.

 

Meer informatie:

 


Aanvulling 16 november 2021
Transactiemonitoring is een raar fenomeen, waarmee beleggingsinstellingen ook lijken te tobben, zo valt uit een bericht van de AFM af te leiden. Banken zien alle transacties van hun klanten voorbij komen, dat lijkt me bij beleggingsinstellingen niet zo: zij zien alleen inleg, opname en rente/dividendbijschrijving. Wat moet er dan gemonitord worden? Aan de inleg valt niets te zien en aan de opname ook niet. Toch schrijft de AFM:

Bijna helft stelt geen transactieprofiel op
Ruim 48% van de beheerders stelt altijd een profiel op van de transacties die hij van de cliënt kan verwachten. Van de beheerders stelt 6% alleen een verwacht transactieprofiel op van cliënten die een medium of hoog/verhoogd risicoprofiel hebben. 45% van de beheerders stelt geen verwacht transactieprofiel op van hun cliënten. Een verwacht transactieprofiel kan helpen bij het monitoren van transacties en het detecteren van ongebruikelijke transacties.
Van de beheerders die wel een verwacht transactieprofiel opstellen, kijkt bijna 96% bij het monitoren van transacties of het transactiepatroon van de cliënt overeenkomt met de vooraf opgestelde verwachting.

Als een beleggingsinstelling zo weinig ziet, is het onwaarschijnlijk dat ‘ongebruikelijke transacties’ kunnen worden gesignaleerd. Toch veronderstelt de AFM dat er meer gemeld zou kunnen worden. Vreemd allemaal.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Sanctieregels | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

De dure klant van de bank | Wwft

Het inefficiënte systeem waarmee private bedrijven misdaad moeten bestrijden (‘witwasbestrijding’) brengt hoge kosten met zich mee, die bedrijven nu aan hun klanten gaan door berekenen, zo schreef ik eerder vandaag. Aanleiding voor de in mijn artikel besproken antwoorden van de Minister van Financiën was het artikel: ABN Amro gaat kosten witwascontroles doorberekenen aan coffeeshops [*]

Dat is het begin van het einde. Straks moet iedere burger en organisatie over zijn risicoprofiel met de bank onderhandelen. Sommigen zullen geen bankrekening meer kunnen aanhouden omdat zij ‘te duur’ zijn voor de bank.

 

[*] Ester Meerman, NRC 28 oktober 2021.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Hoe banken de misdaadbestrijdingskosten aan hun klanten doorberekenen | Wwft

Door middel van de witwasbestrijdingswetgeving [1] worden misdaadbestrijdingstaken aan bedrijven uitbesteed, dit is de zgn. ‘poortwachtersfunctie’. Onder meer hebben banken deze taak gekregen (er zijn veel meer ondernemingen die ‘poortwachter’ zijn, zie deze lijst).

Deze poortwachterstaken zijn duur en een reden voor banken om bepaalde (groepen) klanten te weigeren (‘de-risken’). Aangezien alle klanten die zich aan de wet houden toegang tot het bancaire systeem dienen te houden, kunnen banken klanten die zij riskant vinden niet altijd weg sturen.

Hogere tarieven voor ‘hoogrisicoklanten’
De nieuwste ontwikkeling (maar al lang gaande) is dat banken hogere kosten in rekening willen brengen aan klanten met een vermeend hoog risicoprofiel, zoals coffeeshops. Onlangs kwam ABN Amro in het nieuws, omdat de tarieven voor coffeeshops werden vertienvoudigd [2]. Daarbij rijst uiteraard de vraag of de bank die misdaadbestrijdingstaken wel kwalitatief goed en efficiënt uitvoert (maar de bank mag de vraag of DNB wel zuinig genoeg is in het toezicht op banken ook niet stellen, die kosten worden integraal aan banken doorberekend). Die vraag kunnen klanten van banken niet stellen en een andere bank vinden is ook niet gemakkelijk. Het geeft aan dat hier een foute situatie is ontstaan.

Antwoord Minister van Financiën
Inmiddels heeft de Minister van Financiën tijdens een vragenuur vragen hierover beantwoord [3]. De tekst van het voorlopig verslag volgt hierna.

Vragen Hammelburg

Vragen van het lid Hammelburg aan de minister van Financiën over het bericht dat ABN AMRO witwascontroles in rekening gaat brengen bij risicoklanten.

De voorzitter:
Dan gaan we over naar de volgende mondelinge vraag, namelijk die van de heer Hammelburg van D66. Hij stelt een vraag aan de minister van Financiën, die ik ook van harte welkom heet. Het gaat over het bericht dat ABN AMRO witwascontroles in rekening gaat brengen bij risicoklanten. Ik geef het woord aan de heer Hammelburg van D66 voor het stellen van zijn mondelinge vragen.

De heer Hammelburg (D66):
Dank u wel, voorzitter. Net als de overheid hebben banken een belangrijke maatschappelijke rol om criminaliteit en terrorisme aan te pakken. Het kan niet zo zijn dat criminelen en terroristen banken gebruiken voor hun activiteiten. De banken nemen dat serieuzer en serieuzer en dat brengt natuurlijk ook kosten met zich mee. Maar ze hebben ook die maatschappelijke rol en functie te vervullen.

Vorige week vrijdag kwam Het Financieele Dagblad met het bericht naar buiten dat ABN AMRO de kosten voor coffeeshophouders fors gaat verhogen, met wel 1.000%. Dit is een voorbeeld van weer een doorberekening door een Nederlandse bank naar een bepaalde sector van de kosten die de bank maakt om criminaliteit en terrorisme aan te pakken. Dat is niet de eerste keer. We hebben het eerder gezien met kleine autohandelaren, die gewoon geen bankrekening meer kunnen openen of voor wie de kosten gigantisch omhoog zijn gegaan. We zien stelselmatige discriminatie van coffeeshops. We zien het ook stelselmatig gebeuren bij sekswerkers, die bepaalde vormen betalingsverkeer niet meer kunnen gebruiken en die allerlei foefjes moeten uithalen om nog gewoon hun werk te kunnen doen.

Voorzitter. Nederlanders die zich aan de wet houden — of het een coffeeshopeigenaar is, een sekswerker of een autohandelaar — mogen erop rekenen dat zij niet door banken worden gediscrimineerd. Ze moeten niet worden uitgesloten van het betalingsverkeer. Ze mogen niet tegen veel hogere kosten aanlopen dan anderen. Ja, als er een oververtegenwoordiging is van kwaden, dan mogen de goeden daar nooit onder lijden. Ik heb eigenlijk één hele simpele vraag aan de minister. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat deze vormen van discriminatie en uitsluiting van bepaalde sectoren door banken zo snel als mogelijk worden gestopt?

De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de minister van Financiën.

Minister Hoekstra:
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de heer Hammelburg voor het stellen van een aantal vragen en het maken van een aantal opmerkingen over een onderwerp dat bepaald niet zonder dilemma’s is. Hij stelde een vraag over de toegang voor ondernemers tot het betalingsverkeer. Dat vind ik op zichzelf heel begrijpelijk, want die toegang is voor vrijwel elk bedrijf een randvoorwaarde. Daar staat overigens tegenover of daar moeten we naast leggen dat banken natuurlijk ook een belangrijke poortwachtersfunctie hebben en dat wij als kabinet, maar eigenlijk als hele politiek, die poortwachtersfunctie als het gaat om het financieren van terrorisme en om witwassen in toenemende mate indringend bij de banken onder de aandacht brengen. Wij spreken ze aan op de rol die ze te vervullen hebben.

Vervolgens kom je in een dilemma: wat moet je nou doen als een bank voor een bepaalde zakelijke hoogrisicoklantengroep zeer veel kosten maakt? Wat moet daarmee gebeuren? De heer Hammelburg verwees terecht ook naar andere categorieën, maar in Nederland en ook in het buitenland betekent dat dat banken proberen afscheid te nemen van zo’n hele categorie. Waarom? Onder andere omdat de politiek zegt: let goed op uw zaak, zorg dat er geen misbruik plaatsvindt. Dat vinden we met elkaar onwenselijk. We vinden het ook onwenselijk als hoogrisicoklanten vervolgens ook klanten blijken te zijn waar die risico’s materialiseren. De heer Hammelburg voegde nog een extra dilemma toe: je wilt vervolgens ook dat het allemaal proportioneel is. Volgens mij is dat proportionele precies de titel waarvan ik gebruik zou willen maken in mijn dialoog met de banken. Ik zou via het MOB, dat de heer Hammelburg meer dan bekend is, met de banken in gesprek willen gaan over het maken van gerechtvaardigd onderscheid op zo’n manier dat dat proportioneel is. Het gaat dus niet over discriminatie, maar over gerechtvaardigd onderscheid. Dat wordt overigens ook toegestaan. Gelijke gevallen moet je gelijk behandelen, maar ongelijke gevallen mag je ook ongelijk behandelen. Vervolgens heb je als financiële instelling natuurlijk in generieke maar ook in specifieke zin een belangrijke communicatieverplichting om uit te leggen waarom je doet wat je doet. Dat zou de manier zijn waarop ik dit zou willen aanvliegen. Nogmaals, het is een situatie die voor alle betrokkenen, voor de banken, voor de betrokken ondernemers maar ook voor de politiek, helaas niet zonder dilemma’s is. Dat is natuurlijk wel vaker zo met ingewikkelde zaken in het leven.

De heer Hammelburg (D66):
Ik dank de minister voor dit antwoord. Ik ben natuurlijk heel blij dat de minister het gesprek met de banken voert, maar dit is natuurlijk niet de eerste keer dat we deze vormen van uitsluiting en discriminatie bespreken. Ik weet dat de minister dat gesprek met de banken voert en de minister weet dat ik dat weet, maar het gaat nu wel te ver en het blijft maar doorgaan. Ergens moet je als politiek zeggen: hier moet het stoppen en hier moet een halt worden toegeroepen aan deze uitsluiting en deze discriminatie. Ik begrijp niet geheel wat in dit geval het verschil is tussen gerechtvaardigd onderscheid en discriminatie. Ik ken het juridische verschil, maar je zou kunnen beargumenteren, zeker wanneer het bijvoorbeeld om sekswerkers gaat of coffeeshops — laten we het bij sekswerkers houden, waar dit stelselmatig gebeurt — dat het toch echt over discriminatie gaat. Ik wil een brief van de minister met een goede uitleg waarom dit een geval is van gerechtvaardigd onderscheid en niet van discriminatie. Ik vraag de minister om dit vervolgens met de banken te bespreken, want ik vind dat dat dit echt vele malen te ver gaat. Het is niet de eerste keer dat we dit bespreken en het moet echt stoppen.

Minister Hoekstra:
Ik denk dat we het eens zijn op het meer algemene niveau. Volgens mij zijn we het ook eens over de principes waarover het hierbij gaat. Tegelijkertijd zegt de heer Hammelburg hier op voorhand dat er sprake is van discriminatie, dat dit onacceptabel is en dat we er dus een einde aan moeten maken. Dat zou ik echt in belangrijke mate willen nuanceren. Nogmaals, het is een situatie die niet zonder dilemma’s is. Je wil juist ook voorkomen — ik denk dat de heer Hammelburg mij onmiddellijk naar de Kamer zou halen als ik dat niet zou kunnen voorkomen — dat een hele categorie de banken uit wordt gewerkt en niet meer kan bankieren omdat banken zeggen: “Ja, maar het risico voor ons is zo hoog en zo groot; dat kunnen we niet meer redelijkerwijs voor onze kap nemen. Waarom niet? Omdat de politiek van ons vraagt dat wij optreden tegen witwassen en dat wij optreden tegen terrorismefinanciering.” Dat is het eerste dilemma.

Het is misschien goed om het tweede dilemma hier nog eens te schetsen. Met alle maatregelen die wij als politiek vragen van de banken betekent de ene klant natuurlijk wel degelijk aanzienlijk hogere kosten dan de andere klant. Dat is überhaupt ongemakkelijk voor de banken, maar we weten ook allemaal wie vervolgens opdraaien voor de meerkosten in bepaalde categorieën. Dat zijn namelijk de andere klanten van de bank. Dat betekent dat de extra kosten die gaan zitten in bijvoorbeeld de hoogrisicocategorie van de coffeeshops, worden omgeslagen over de bakker, de slager en andere ondernemers. Dat is gewoon een van de dilemma’s. Daarmee hebben we nog geen oplossing te pakken, maar het is wel belangrijk om dat te benoemen. Daarom nogmaals mijn voorstel.

Ik zeg de heer Hammelburg overigens graag toe dat ik de Kamer een brief daarover stuur, maar dat zou ik dan willen doen nadat ik het gesprek heb gevoerd. Ik wil graag met de banken in gesprek over: hoe ga je hiermee om, hoe probeer je een categorische uitsluiting te voorkomen, hoe probeer je te doen wat redelijk is richting individuele ondernemers? Nogmaals, ik ben niet op voorhand ervan overtuigd dat het maken van een onderscheid in alle gevallen onrechtvaardig is en zich niet zou verdragen met de wet. Ik vind wel dat je heel goed moet kijken naar proportionaliteit. Dat vraagt de wet ook. Het gaat hier overigens überhaupt om privaatrecht. Dat is ook een belangrijke loot aan deze stam. Daarvoor geldt dat banken zich uiteindelijk te houden hebben aan wat redelijk en billijk is in het privaatrechtelijke verkeer. Ik zal ook nog met de banken in gesprek gaan over hoe ze dit niet alleen proportioneel doen, maar ook op een manier die voldoende helder en inzichtelijk is, waarbij men daar afdoende over communiceert. Als ik dat hele pakket toezeg, dan ga ik eerst via het MOB niet alleen met deze bank maar met alle banken in gesprek en laat ik de Kamer daarna weten wat de afdronk is van het geheel.

De heer Hammelburg (D66):
Ergens in het betoog van de minister zie ik toch wel een probleem. De aanpak van terrorisme en de aanpak van ondermijnende criminaliteit, ook door banken, kost geld. We hebben al heel vaak een discussie gehad, ook in verschillende commissies hier in huis, over dat die kosten niet te zwaar mogen worden verhaald op de consumenten. Dat gebeurt nog veel te vaak. Maar dat is een ander debat. Ik ga, als ik het heb over uitsluiting en discriminatie, ook niet zeggen — ik pak nu de bakkers er maar even bij, in de veronderstelling dat die weinig te maken hebben met witwaspraktijken — dat als er ineens drie bakkers zijn die wat vaker in verband worden gebracht met criminaliteit, we alle bakkers heel veel hogere kosten in rekening brengen bij de bank of zelfs uitsluiten van een bankrekening. Ik vraag me echt ten stelligste af of hier sprake is van gerechtvaardigd onderscheid of discriminatie. Dit verhaal speelt al heel lang, bijvoorbeeld bij sekswerkers. Dus ik zou dan ook in de brief van de minister toch echt de juridisch grondslag willen hebben op basis waarvan banken denken dit te mogen doen. Dan kunnen we het debat daarna op een juiste basis met elkaar voeren in dit huis.

Minister Hoekstra:
Ik proefde nuance in het betoog. Ik zag de heer Hammelburg ook afbuigen naar dat we ons de vraag moeten stellen wat wel en niet gerechtvaardigd is. Dat is volgens mij precies wat je moet doen. Ik zal hier ook naar kijken. Ik wil nog wel één ding echt markeren. Het is niet een particuliere opvatting van mij als minister of van deze bank of van het kabinet dat, objectief kijkend, de ene groep veel meer, significant meer hoogrisicoklanten bevat dan anderen. Ik durf de stelling echt wel aan dat een bank die zegt “dat zien wij meer bij coffeeshops dan bij bakkerijen”, het vermoedelijk bij het juiste eind heeft. Maar nogmaals, die inschatting ga ik laten bij de experts, bij het ministerie van Justitie en anderen. Maar ik zou wel staande durven houden dat die generieke inschatting blijkt te kloppen.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een vervolgvraag van mevrouw Simons van BIJ1 en dan de heer Azarkan van DENK.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Heel fijn dat de minister in gesprek gaat met alle betrokken partijen. Ik vraag me af of hij in die gesprekken ook de volgende overweging mee zou kunnen nemen. Als wij te maken hebben met een bepaalde branche, met in die branche malafide en bonafide bedrijven, en wij verhogen de bankkosten van die beide takken met 1.000%, wie blijft er dan in staat om die te betalen? Is dat het malafide of het bonafide bedrijf?

Minister Hoekstra:
Dat is van mevrouw Simons een uitstekende vraag. Het is ook een retorische vraag. Natuurlijk kun je beargumenteren dat degenen die meer en ook oneigenlijke winst maken, makkelijker in staat zijn om die kosten te betalen. Overigens, die 1.000%; ook in echte euro’s gaat het om veel geld, maar om dat toch in perspectief te plaatsen: het gaat over nu €10 per maand en je zou gaan naar €110 per maand, overigens in een branche die aanzienlijke winstmarges maakt. Maar daar gaat het eerlijk gezegd niet om. Het gaat meer om de principiële gedachtewisseling die de heer Hammelburg en ik net hadden. Langs die lijnen moet je ernaar kijken. Misschien nog aansluitend op wat ik net tegen de heer Hammelburg zei: ik heb er geen enkel bezwaar tegen om ook te kijken nog naar andere branches waar dit type problematiek speelt, want volgens mij verwijst mevrouw Simons — maar misschien is dat impliciet, ook naar.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Vanzelfsprekend verwijs ik ook naar alle branches die de heer Hammelburg noemde: de sekswerkers, de coffeeshops, de autohandelaren. Dat zijn branches waarin, net als in elke andere branche, malafide en bonafide bedrijven werkzaam zijn. Dan zegt de minister: het punt dat mevrouw Simons inbrengt is leuk en waar, maar niet zo relevant. Nou ja, tenzij je uit wil kijken voor een glijdende schaal. Als je praat over of er wordt gediscrimineerd of niet, dan lijkt het mij wel degelijk dat je ook rekening houdt met wie je wel of niet faciliteert. Dan gaat het niet om het verschil tussen €10 of €110, maar dan gaat het over wie wij de mogelijkheid geven om kwaad te doen.

De voorzitter:
Dank u wel. Uw vraag?

Mevrouw Simons (BIJ1):
Als je maar kunt betalen, als je maar op een of andere manier de centjes hebt om je malafide praktijken netjes te financieren, dan vinden wij dat goed. Dát is een principiële kwestie.

Minister Hoekstra:
Ik probeerde juist twee dingen uit elkaar te trekken, waarover ik het volgens mij juist met mevrouw Simons eens was. Ik probeerde die 1.000% in perspectief te plaatsen door daar het bedrag in euro’s aan toe te voegen. Want “1.000%” klinkt voor de meeste mensen in eerste instantie nog groter dan een verhoging van €10 naar €110, wat overigens ook nog steeds een significante verhoging is in reële euro’s als het gaat om het bedrag per maand. Verder zou ik willen verwijzen naar de dialoog met de heer Hammelburg net.

De voorzitter:
Tot slot de heer Azarkan van DENK.

De heer Azarkan (DENK):
Ik merkte bij collega Hammelburg een zekere afkeer van datgene wat in de basis nu wordt voorgesteld. Ik begrijp dat wel. We hebben hier natuurlijk een aantal weken geleden een debat over gehad. Die Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme is best ingewikkeld, omdat het voor heel veel bedrijven onvoldoende duidelijk is op basis waarvan ze gecontroleerd worden, maar ook hoe ze daartegen in het geweer kunnen komen. We hebben daarover gesproken. Ik zou graag van de minister een brief willen hebben over hoe die banken dat ervaren, hoe ze dat inzetten en welke informatie men heeft die dit plan onderbouwt.

Minister Hoekstra:
De heer Azarkan en ik hebben daar vaker van gedachten over gewisseld, ook daar waar het ging over andere branches. Ik wil dat best meenemen in de brief. Ik zou toch nog een keer willen wijzen op het dilemma dat de heer Azarkan overigens in eerdere debatten zelf altijd heeft onderkend. Je wil juist niet dat banken te weinig doen tegen witwassen. Het is een enorm probleem dat nog jarenlang bij ons zal blijven en waar we het hier vaker met elkaar over gehad hebben. Dan is vaak de volslagen terechte roep vanuit de Kamer: minister, zorg ervoor dat die banken meer gaan doen. Dat is de ene kant.

De tweede piketpaal — daar ging het betoog van mevrouw Simons over — is dat je niet wil dat een hele sector de bank uit wordt geduwd en dan alleen nog is aangewezen op een andere manier van opereren, met contant geld en zonder betaalrekeningen. Dat wil je ook niet. Dan kom je dus voor dit type dilemma’s te staan. Dus het is wel belangrijk om ons die context te blijven realiseren. Verder ben ik het zeer eens met de heer Azarkan en zeg ik hem dus toe om in de brief, die ik de heer Hammelburg al had toegezegd, ook dit specifieke punt mee te nemen. Ik denk dat dat de discussie ook weer verder kan helpen.

Uit het verslag blijkt dat de Minister van mening is dat ‘ongelijke gevallen’ ongelijk behandeld mogen worden.

Er is dus geen enkele stimulans voor banken om zorgvuldig tot een indeling in risicocategorie te komen, op basis van individuele kenmerken van de klant. Een stimulans om de Wwft-compliance zorgvuldig en zuinig te doen is er evenmin. Dat betekent dat er een ongezonde situatie is ontstaan, want overstappen naar een andere bank is moeilijk (ook voor ‘niet-riskante’ bedrijven).

Het geeft aan hoe perfide het systeem van de witwasbestrijding is en dat deze misdaadbestrijdingstaken niet bij banken thuis horen [4].

 

Noten

[1] In Nederland via de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
[2] Zie onder meer RTL, NRC, NL Times, Nu.nl, accountant.nl, Accountancy Vanmorgen, Radar, Parool.
[3] Vragenuur op 2 november 2021, ongecorrigeerd stenogram.
[4] Mogelijk geldt dat ook voor andere Wwft-plichtigen.

Geplaatst in Bankrekening krijgen en behouden, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Failing AML/CFT-concepts exposed in FATF-publication on Cross-Border Payments

Though the title of the publication suggests a limited scope, the FATF-publication on Cross-Border Payments [*] shows the general inadequacy of the AML/CFT legislation as adopted by FATF. The only subject that is typical for cross-border payments, is the correspondent banking relationships. The failures include amongst others:

  • Unnecessary double work.
  • Problems caused by different legal systems in countries.
  • Different requirements on identification and verification of customers and beneficial owners.
  • Different definitions of ‘beneficial owner’.
  • Inconsistent supervisory approaches across jurisdictions.
  • Over compliance by financial institutions in fear of sanctions by the authorities.
  • High costs.

In the report nothing is to be found on the effectivity of the measures.

FATF has created a bureaucratic monster that is not certain to help fight crime.

Quote from the conclusion

 

[*] Announcement, report (pdf).

Geplaatst in English - posts in English on this blog, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Covid Certificate discrimination in the EU

The think tank of the European Parliament published a briefing (pdf) showing the domestic discriminatory practices in the EU-countries with Covid Certificates. According to the briefing member states are free to use the European Covid Certificates for other uses (that is different from the message originally sent).

Below the graphic on page 2 of the briefing:

 

It shows that discrimination has been normalized and that governments do not concern themselves with the Council of Europe’s resolution.

Council of Europe: ‘Covid passes’ should respect common human rights and rule of law standards, says PACE rapporteur‘; resolution.

The Council of Europe (COE), or Conseil de l’Europe (CdE) is a European organisation in Strasbourg, site: coe.int, read their general introduction.
It should not be mixed up with the Council of the European Union (Raad van de Europese Unie), site: consilium.europa.eu, that is an institution of the European Union (wikipedia).

Geplaatst in Europa, Grondrechten | Tags: , , , | Plaats een reactie

Gedrag en cultuur van de overheid | de ‘proefprocedures’ van AFM en andere financiële toezichthouders

Al eerder constateerde ik dat het in het financiële toezicht in de mode is om bij ondertoezichtstaanden aan te dringen op aandacht voor gedrag & cultuur, terwijl enige zelfreflectie bij de overheidsdienaren ontbreekt [1]. Aandacht voor de uitvoerbaarheid van regelgeving ontbreekt eveneens, laat staan dat er aandacht is voor schadelijke neveneffecten (denk aan de Toeslagenaffaire).

In het schandaal rondom de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat eind oktober aan het licht kwam, wordt duidelijk dat deze financiële toezichthouder soms boetes oplegde aan accountantskantoren mede met het doel om wetgeving te testen [2]. Het maakt duidelijk dat de denkwereld van de financiële toezichthouders ver af staat van de maatschappelijke werkelijkheid.

Het doet me denken aan aan de medewerker van DNB die ik een keer sprake, die van mening was dat de overheid geen voorlichting hoeft te geven over financiële regelgeving, omdat iedere burger en organisatie toch de wet behoorde te kennen. Als er behoefte was aan voorlichting, dan zou de sector daar zelf maar in moeten voorzien. Dat is makkelijk praten, grote ondernemingen zoals banken hebben daar misschien geld voor, maar het mkb heeft die mogelijkheid niet.

Guido Roth publiceerde op LinkedIn [3] een passage uit het boek van de voormalig AFM-voorzitter:

Hij schrijft terecht op LinkedIn dat de boetebevoegdheid hier niet voor in het leven is geroepen [4]. Overigens is de AFM niet de enige toezichthouder die over de rug van de ondertoezichtgestelden procedures voert (en de laatstgenoemden op kosten jaagt). Onder meer het Bureau Financieel Toezicht (BFT) lijkt dit in een aantal procedures ook te doen. Het zou goed zijn als dit fenomeen wetenschappelijk werd onderzocht.

Financiële toezichthouders horen geen boetes op te leggen
Ik deel de mening van Roth [5] die vindt dat financiële toezichthouders geen boetes horen op te leggen, gelet op hun vele petten, namelijk feitelijke regelgever (door de interpretatie van de open normen), regelgevingadviseur van de overheid [6] en toezichthouder op de naleving.

Er moet een einde komen aan alle dubbele petten van AFM, DNB c.s.

 

Noten

[1] Zie onder meer:

[2] Zie onder meer Oud-AFM-voorzitter: Proefboetes aan accountantskantoren ‘om wetgeving te testen’ (accountant.nl) en AFM ‘testte wetgeving’ met boetes aan accountantskantoren (Accountancy Vanmorgen).
[3] Zie dit bericht.
[4] De AFM spreekt het tegen, zie het artikel in Accountancy Vanmorgen.
[5] Lees dit bericht.
[6] Jaarlijks mogen DNB en AFM hun wetgevingswensen aan het kabinet kenbaar maken en worden een groot deel van hun wensen ook ingewilligd. Zie dit jaar: DNB Wetgevingsbrief 2021, AFM Wetgevingsbrief 2021 en de brief van de Minister van Financiën naar aanleiding van de wensenlijstjes.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten | Tags: , , , , , | Plaats een reactie