Duitse iDEAL-pendant onder juridisch vuur

In een uitspraak van Landgericht Frankfurt am Main tussen de Duitse consumentenbond en een dochteronderneming van de Deutsche Bundesbahn, is bepaald dat die dochteronderneming onrechtmatig handelde door de gebruikers van de online dienst geen alternatief te bieden voor de Duitse pendant van iDEAL, de zgn. Sofortüberweisung via betaaldienstverlener Sofort AG.

De betaaldienstverlener krijgt zeer veel informatie over de gebruiker. Daarbij is niet alleen sprake van afgifte van PIN en TAN aan Sofort AG, en kennisneming door Sofort AG van het saldo van de rekening. De betaaldienstverlener krijgt nog veel meer,

die Umsätze der letzten 30 Tage sowie den Kreditrahmen für den Dispokredit … Ausserdem wird das Vorhandensein anderer Konten geprüft und deren Bestände erfasst. Die Abfrage dieser Daten erfolgt automatisiert, wobei der Nutzer über die Datenabfrage vorher nicht informiert wird

De rechter is van mening dat Sofort AG veel informatie krijgt en gebruikersprofielen kan samenstellen, doordat deze

umfassenden Einblick in die Kunden-Kontoinformationen [erhält]. Hierbei handelt es sich um besonders sensible Finanzdaten, die auch zur Erstellung Persönlichkeitsprofilen genutzt werden könnten. (…) Dies birgt erhebliche Risiken für die Datensicherheit und eröffnet erhebliche Missbrauchsmöglichkeiten.

Het gaat er niet om of de betaaldienstverlener in concreto onveilig is:

Dabei kommt es im Ergebnis nicht auf die konkrete Sicherheit des Dienstes “Sofortüberweisung” an, sondern auf die grundsätzliche Erwägung, dass der Verbraucher nicht gezwungen werden kann, seine Daten diesem erhöhten Risiko auszusetzen.

Deze zaak roept de vraag op welke informatie de Nederlandse betaaldienstverleners via het iDEAL systeem verkrijgen.


Aanvulling 2 augustus 2017
Het persbericht van de consumentenbond van 19 juli jl. is hier te vinden (Duits).

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , | Plaats een reactie

De muis en de kat | FATCA

Onlangs zijn in het parlement door het ministerie van financiën vragen beantwoord over de beruchte Foreign Account Tax Compliance Act “FATCA”, de regelgeving waarmee de Amerikanen Europese landen en ondernemingen verplichten om gegevens aan te leveren ten behoeve van de Amerikaanse belastingheffing. Dat heb ik op twitter gemeld:

Daar krijg ik Amerikaanse reacties op:

 

De Nederlandse muis moet brullen..

Meer informatie:


Aanvulling 24 juli 2018
Volgens een bericht in het FD zou het europarlement voor de FATCA slachtoffers opkomen: Europarlement op de bres voor EU-burgers die in VS belastingplichtig zijn (mogelijk betaalmuur), FD 21 juli 2018

Geplaatst in Belastingrecht, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Onfatsoen

Helemaal wereldvreemd kunnen juristen niet zijn, zo kan worden afgeleid uit de discussie die in het Nederlands Juristenblad is ontbrand over de anti-Geen Stijl campagne.
Naar aanleiding van een artikel van mevrouw Van Haaren, geeft Ulli d’Oliveira een reactie met aardige teksten. Zo spreekt hij over het doelwit van de campagne als een “een onhygiënische producten afscheidend medium” dat zich schuldig maakt aan “onwelriekende uitwasemingen“. Hij schrijft:

de scribenten verbonden aan Geen Stijl, die ik geen journalisten zou willen noemen, hebben ruimte genoeg om hun elucubraties op het wereldwijde internet te ventileren

Blijft een probleem dat het internet wordt vervuild door internetschandpalen, platte scheldpartijen en allerlei andere akelige uitingen van vervelende types, die ook uitstraling naar de fysieke wereld kunnen hebben.

Meer informatie:

Geplaatst in Juridisch diversen | Tags: , | Plaats een reactie

Kunnen juristen nog lezen?

Het Nederlandse Juristenblad houdt momenteel een poll ‘Legal Visions’ waarin zij vragen of er bij de lezers interesse bestaat voor ‘content-visualisatie’. Dat roept bij mij de vraag op of juristen, als beroepslezers bij uitstek, nu ook niet meer kunnen lezen.
Verder vraag ik me af of juridische informatie zich wel leent voor kwalitatief goede content-visualisatie. Want dat is meer dan de plaatjes die we toch al gebruiken.

Persoonlijk erger ik me aan de aap-noot-mies visualisaties over (semi)juridische informatie die ik op sommige sites tegenkom, traag, simplistisch, vol met juridische fouten en zonder een link naar de broninformatie.

Is het een idee als het Juristenblad aan juristen een cursus ‘optimaal lezen’ gecombineerd met een cursus digitale vaardigheden voor juristen aanbiedt?

(Wat niet wegneemt dat ik buiten mijn eigen vakgebied een fan ben van podcasts. )

Geplaatst in Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.] | Plaats een reactie

Hoe lang nog post? [2]

Degenen die zich interesseren voor de teloorgang van de post als publieke voorziening, kunnen plezier beleven aan deze uitzending:

De verdwijnende brievenbus
door Van Kooten en De Bie
op YouTube


Aanvulling 3 augustus 2017
Lees ook “Échte post is LEUKER!” van Sanne van der Zanden.

Aanvulling 13 september 2018
De overheid lijkt eindelijk ontdekt te hebben dat bezorging van kleine aantallen poststukken geen ‘markt’ is en wil nu PostNL en Sandd laten fuseren, zie onder meer dit artikel in het FD.

Aanvulling 26 februari 2019
Inmiddels gaat PostNL Sandd overnemen, ten minste als dat mag van de mededingingsautoriteiten. Zou de overheid ontdekt hebben dat de bezorging van kleine hoeveelheden geen ‘markt’ is maar een verliesgevende activiteit? Het nieuwsbericht rijksoverheid is hier te vinden. Met de rare tekst “voortgang van de consolidatie in de postsector”.

Geplaatst in Grondrechten | Tags: | Plaats een reactie

AMLD4 in Nederland | consultatieve verbrokkeling bij het ministerie van financiën

Surveillance samenleving

In Nederland is het ministerie van financiën druk bezig met het leggen van de fundamenten van de surveillancesamenleving die in aantocht is. Het ministerie is geïnspireerd door de EU en het internationale overheidssamenwerkingsverband geleid door de VS, genaamd FATF.
De misdaadbestrijders bij het ministerie trekken zich niets aan van waarschuwingen dat de medicijn wel eens erger kan zijn dan de kwaal.

Privatisering van de misdaadbestrijding

Één van de fundamenten voor de surveillancesamenleving is de misdaadbestrijding door private ondernemingen [*], waarbij kunstmatige intelligentie een steeds grotere rol speelt [**]. Overheden dwingen ondernemingen er toe op zoek te gaan naar de financiering van geweldscriminaliteit (ook wel bekend als terrorisme) en naar de financiële voordelen die criminaliteit heeft opgeleverd (ook wel bekend als witwassen). Dat op zoek gaan wordt ‘monitoring’ van de cliënten genoemd. Als een onderneming aanwijzingen ontdekt van criminaliteit, moet dat gemeld worden bij FIU-Nederland.
In deze misdaadbestrijdingswetgeving, onder meer op grond van de “Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme“, afgekort “Wwft”, staan financiële instellingen, met name banken, centraal. Banken hebben enorme monitoringsystemen opgezet, die zij ook proberen commercieel uit te buiten, zeker nu zij binnenkort op grond van PSD2 hun gegevens moeten ‘delen’ met nieuwe partijen in de markt. Vele andere soorten ondernemingen, van groot tot piepklein, moeten zich eveneens aan deze wetgeving houden, zie voor een mooi lijstje van ondernemingen (huidige situatie, gaat veranderen!) deze pagina.

Consultatieve verbrokkeling

De Wwft gaat wijzigen als gevolg van het aannemen van de Vierde Europese Antiwitwasrichtlijn (AMLD4). De Nederlandse overheid heeft daarom de vorige zomer een internetconsultatie gehouden over een deel van de wijzigingen in de Wwft (eerste consultatie). Dit voorjaar is een consultatie gehouden over een ander deel van de wijzigingen, nl. de wijzigingen in de regelgeving die betrekking hebben op het register van uiteindelijk belanghebbenden, het zgn. ubo-register (tweede consultatie). En dan zijn we er nog niet, want de uiterst belangrijke uitwerking van de regels inzake de uiteindelijk belanghebbenden (ubo’s) vindt plaats door middel van een uitvoeringsregeling, die eveneens geconsulteerd gaat worden (derde consultatie). Misschien komt er nog meer.

Vanwege de samenhang tussen de onderwerpen van de eerste, tweede en derde consultatie, is het onbegrijpelijk en onbehoorlijk dat een en ander niet in één keer is geconsulteerd.

Verslag eerste consultatie nu pas bekend

Pas afgelopen vrijdag zijn de resultaten en bevindingen van de eerste consultatie bekend gemaakt. Het valt op dat het ministerie van financiën zich gemakkelijk afmaakt van de kritiek, onder meer op de one-size-fits-all benadering van het consultatievoorstel. Volgens het verslag zou er geen ruimte zijn voor afwijking, behalve bij – verrassend genoeg – aanbieders van kansspelen:

De vierde anti-witwasrichtlijn biedt ook op dit punt geen ruimte om voor categorieën instellingen een nadere wettelijke invulling aan de verplichtingen te geven of om bepaalde instellingen categorisch uit te zonderen van de verplichtingen uit de richtlijn. Daar waar dat op grond van de richtlijn wel mogelijk is, zoals in het geval van aanbieders van kansspelen, wordt daar in het wetsvoorstel ruimte voor geboden.

Ook bijzonder is dat de definitie van de uiteindelijk belanghebbende voldoende duidelijk uit AMLD4 zou blijken:

Omdat de definitie van UBO in de vierde anti- witwasrichtlijn zich kenmerkt door een hoog detailniveau, wordt het onwenselijk geacht om deze uitwerking op wetsniveau te regelen

terwijl de ubo-definitie in het geheel niet gedetailleerd is. Het ministerie houdt dus nog steeds onder de pet hoe er in de praktijk met het begrip ubo wordt omgegaan. Het verslag bevat ook geen antwoord op vele andere vragen die tijdens de eerste consultatie zijn gesteld. Of het antwoord wel in de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel te vinden zal zijn, moet worden afgewacht.

De antiwitwasmachinerie dendert door. Of iemand er nog iets van begrijpt is niet van belang. En of het medicijn erger is dan de kwaal doet ook niet ter zake.


[*] Er zijn nog meer overheidsactiviteiten op het gebied van surveillance. Zo gaat de overheid surveilleren door middel van de bevoegdheden op grond van de sleepnetwet (Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten, Wiv), onlangs aangenomen door de tweede kamer. Meer informatie in dit dossier bij Bits of Freedom, de site geensleepnet en het dossier bij PILP.

[**] Elon Musk waarschuwde recent voor de gevaren van kunstmatige intelligentie, aldus dit artikel op security.nl met verwijzing naar een film.

Meer informatie:

Algemeen over Wwft

Paragrafen 3 tot en met 10 van het verslag

3. Algemene reacties

In de eerste plaats is in verschillende reacties kritisch gereageerd op de risicogebaseerde benadering van het concept wetsvoorstel. Verschillende partijen hebben dienaangaande gewezen op een verwachte toename van de administratieve lasten en op uitvoeringsproblemen, met name voor kleine instellingen. Daarnaast is er door verschillende partijen op gewezen dat de risicogebaseerde benadering tot gevolg heeft dat het voor een instelling onder de Wwft lastiger wordt om in te schatten wanneer aan de verplichtingen van de Wwft is voldaan.

Een risicogebaseerde aanpak wordt door de Financial Action Task Force (FATF), in de Europese anti-witwasrichtlijnen en in Nederland beschouwd als de meest effectieve wijze om het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. De vierde anti- witwasrichtlijn laat dan ook geen ruimte om nationaal af te wijken van deze risicogebaseerde benadering. Dat de risicogebaseerde aanpak tot administratieve lasten en nalevingskosten leidt, wordt erkend. Hierop zal in de memorie van toelichting bij het concept wetsvoorstel nader worden ingegaan. Tegelijkertijd biedt de risicogebaseerde aanpak ook de ruimte om in geval van lager risico met minder verregaande maatregelen te kunnen volstaan. Daarmee levert deze aanpak voor instellingen ook besparingen op. Omwille hiervan en in aansluiting op de vierde anti-witwasrichtlijn, zullen geen wijzigingen worden aangebracht in de risicogebaseerde aanpak van het concept wetsvoorstel.

Daarnaast is in verschillende reacties gewezen op de gevolgen van het concept wetsvoorstel voor instellingen van een kleinere omvang. Het concept wetsvoorstel zou teveel uitgaan van één set aan verplichtingen voor de diverse groep van instellingen die onder de verplichtingen van de Wwft valt. De vierde anti-witwasrichtlijn en de Wwft zijn inderdaad op een diverse groep van instellingen van toepassing. De naleving van de Wwft kan voor instellingen van een kleinere omvang en voor individuele beroepsbeoefenaren een grotere impact kan hebben. De vierde anti-witwasrichtlijn biedt ook op dit punt geen ruimte om voor categorieën instellingen een nadere wettelijke invulling aan de verplichtingen te geven of om bepaalde instellingen categorisch uit te zonderen van de verplichtingen uit de richtlijn. Daar waar dat op grond van de richtlijn wel mogelijk is, zoals in het geval van aanbieders van kansspelen, wordt daar in het wetsvoorstel ruimte voor geboden. Daarnaast wordt in het concept wetsvoorstel steeds aangesloten bij de bepalingen in de vierde anti-witwasrichtlijn die ruimte laten om maatregelen te nemen die in verhouding staan tot de aard en omvang van een instelling verder gaat dan de vierde anti-witwasrichtlijn. Dit heeft op een aantal onderdelen, waaronder in de paragraaf met handhavingsbevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten, tot wijzigingen geleid.

Ook de consultatiereacties die zijn ingegaan op het aantal grondslagen voor het vaststellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling, hebben op onderdelen tot wijzigingen geleid. Zo komt de delegatiegrondslag in een aantal gevallen te vervallen, omdat er vooralsnog geen gebruik van zou worden gemaakt.

4. Begrip- en reikwijdtebepalingen

Ook in relatie tot de definitie van ‘uiteindelijk belanghebbende’ (UBO) is in een groot aantal consultatiereacties gewezen op de delegatiegrondslag die erin voorziet dat dit begrip bij algemene maatregel van bestuur kan worden uitgewerkt. In deze reacties wordt veelal gesteld dat een wezenlijk begrip als dat van UBO niet (mede) bij algemene maatregel van bestuur zou moeten worden gedefinieerd. Deze reacties leiden er niet toe dat een nadere uitwerking van het begrip op wetsniveau zal worden geregeld. Wel zal worden verduidelijkt waarom het criterium op grond waarvan moet worden beoordeeld of een natuurlijk persoon als UBO kwalificeert, op wetsniveau is geregeld. Bij algemene maatregel van bestuur zal worden uitgewerkt welke natuurlijke personen daaronder ten minste moeten worden verstaan. Het gaat derhalve niet om aanvullende criteria op niveau van een algemene maatregel van bestuur. Omdat de definitie van UBO in de vierde anti-witwasrichtlijn zich kenmerkt door een hoog detailniveau, wordt het onwenselijk geacht om deze uitwerking op wetsniveau te regelen. Hetzelfde geldt voor de door de richtlijn voorgeschreven uitwerking van de begrippen ‘politiek prominent persoon’, ‘familielid van een politiek prominent persoon’ en ‘persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominent persoon’. De betreffende algemene maatregel van bestuur zal separaat worden geconsulteerd.

In verschillende consultatiereacties is gewezen op het begrip ‘hoger leidinggevend personeel’ dat terugkomt in de definitie van UBO. In tegenstelling tot hetgeen in verschillende reacties is betoogd, is het vereiste om het hoger leidinggevend personeel aan te wijzen als UBO, indien na het uitputten van alle mogelijkheden geen UBO is gevonden op basis van de overige criteria en indicaties, in lijn met de FATF aanbevelingen. [2] Ten onrechte wordt in een aantal reacties gesuggereerd dat de verplichting om het hoger leidinggevend personeel aan te merken als UBO niet geldt in geval van bijvoorbeeld beursgenoteerde ondernemingen die onderworpen zijn aan openbaarmakingsverplichtingen of in het geval van een algemeen nut beogende instelling (ANBI). De vierde anti-witwasrichtlijn laat geen ruimte voor dergelijke uitzonderingen; Nederland is gehouden de vierde anti-witwasrichtlijn op dit punt te volgen.

Door partijen uit de kansspelsector is bepleit dat bepaalde kansspelaanbieders zouden moeten worden vrijgesteld van de verplichtingen op grond van de Wwft. In het concept wetsvoorstel wordt voorzien in een grondslag om op basis van een adequate risicobeoordeling en constatering van een laag risico bepaalde aanbieders van kansspelen bij ministeriële regeling vrijstelling te kunnen verlenen van de verplichtingen uit hoofde van de Wwft. De ontvangen reacties op dit punt worden derhalve betrokken bij de afweging die op basis van de te maken risicoafweging en ter voorbereiding van de betreffende ministeriële regeling gemaakt zal worden.

In verschillende reacties uit de advocatuur is aandacht gevraagd voor de bepaling op grond waarvan belastingadviseurs, notarissen en advocaten zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik van de Wwft. Daarin is opgemerkt dat de Nederlandse wetgever deze uitzondering op het toepassingsbereik van de Wwft beperkter uitlegt dan de vierde anti-witwasrichtlijn, door het geven van ‘juridisch advies’ niet onder deze uitzondering op te nemen. De richtlijn voorziet niet in een wijziging in de strekking van deze bepaling ten opzichte van haar voorganger, zodat er evenmin aanleiding bestaat om de bestaande uitzondering in de Wwft met dit wetsvoorstel te wijzigen. Daarnaast is het niet het geval dat de richtlijn ook het geven van juridisch advies onder deze uitzondering zou scharen: ook in de vierde anti-witwasrichtlijn is de uitzondering nadrukkelijk beperkt tot het geven van advies ‘over het instellen of vermijden van een rechtsgeding’.

[2] Interpretive note to recommendation 10, onderdeel 5.

5. Risicomanagement

Door verschillende partijen is de proportionaliteit van de verplichtingen met betrekking tot het risicobeheer van instellingen ter discussie gesteld. Daarbij is met name gewezen op de gevolgen van deze verplichtingen voor instellingen met een kleinere omvang die binnen de reikwijdte van de Wwft vallen.

De verplichting tot het opstellen van een risicobeoordeling zal inderdaad voor bepaalde instellingen minder belastend zijn dan voor personen die handelen in het kader van hun beroepsactiviteiten. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de financiële ondernemingen die reeds op grond van de Wft aan vergelijkbare verplichtingen onderworpen zijn. Naar aanleiding van de ontvangen reacties en conform het bepaalde in artikel 8, eerste en tweede lid, van de vierde anti- witwasrichtlijn, zal worden verduidelijkt dat een instelling redelijke maatregelen moet nemen die in verhouding staan tot de aard en omvang van de instelling om de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme vast te stellen en te beoordelen. De vierde anti-witwasrichtlijn laat echter geen ruimte om op structurele basis instellingen uit te zonderen van deze verplichting.

Ook zijn in de consultatiereacties kritische vragen gesteld over de verplichting om een compliancefunctie in te richten. Deze verplichting kan naar zijn aard niet van toepassing zijn op natuurlijke personen. Dit zal worden verduidelijkt in de memorie van toelichting. Voor overige instellingen geldt dat de compliancefunctie wordt ingericht, afhankelijk van de aard en omvang van een instelling. Dat kan ertoe leiden dat moet worden overwogen dat het inrichten van een compliancefunctie niet proportioneel is, maar kan eveneens betekenen dat de compliancefunctie weliswaar wordt ingericht, maar niet op eenzelfde wijze als voor grotere instellingen gepast zou zijn.

6. Cliëntenonderzoek

In meerdere consultatiereacties is opgemerkt dat het onwenselijk is dat in het concept wetsvoorstel niet langer situaties worden genoemd, waarin in ieder geval vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen kunnen worden getroffen. In plaats daarvan dient een risicoafweging te worden gemaakt om vast te stellen of vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan plaatsvinden en welke maatregelen in dat kader moeten worden genomen. Dit zou een lastenverhoging voor de betrokken instellingen tot gevolg hebben en bovendien een nadere toelichting vergen.

De vierde anti-witwasrichtlijn laat geen ruimte voor het opsommen van gevallen waarin altijd vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan plaatsvinden. In plaats daarvan dient steeds op basis van een risicobeoordeling voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of transactie te worden vastgesteld of kan worden volstaan met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek. Daartoe benoemt de richtlijn in bijlage I factoren van ‘potentieel lager risico’ die hierbij in acht kunnen worden genomen. Dit brengt een lastenverzwaring met zich, hetgeen nader zal worden uitgewerkt in de memorie van toelichting. Er kan echter niet van dit uitgangspunt van de vierde anti- witwasrichtlijn worden afgeweken. Wel zal nader worden toegelicht op welke wijze een instelling kan vaststellen of sprake is van een lager risico dat vereenvoudigd cliëntenonderzoek rechtvaardigt.

Conform verschillende suggesties wordt in het concept wetsvoorstel een verwijzing naar de bijlagen van de richtlijn opgenomen, daar waar instellingen verplicht zijn bepaalde risicofactoren in acht te nemen. In tegenstelling tot hetgeen in de consultatieversie van het concept wetsvoorstel werd beoogd, zullen de in de bijlagen bij de vierde anti-witwasrichtlijn genoemde risicofactoren niet in lagere regelgeving worden overgenomen.

Met betrekking tot het verscherpt cliëntenonderzoek is meermaals gewezen op de verplichting die wordt geïntroduceerd om verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen te nemen in geval van ‘binnenlandse’ PEPs. De vierde anti-witwasrichtlijn gaat op dit onderdeel verder dan de aanbevelingen van FATF. Desalniettemin is het voor een correcte implementatie van de richtlijn vereist dat ook op grond van de Wwft een dergelijke verplichting gaat gelden. Dit heeft een lastenverzwaring tot gevolg, die in de memorie van toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt toegelicht.
Voorts is in de consultatiereacties opgemerkt dat het wetsvoorstel verdergaande cliëntenonderzoeksmaatregelen verplicht stelt in het geval van elektronisch geld dan op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn vereist zou zijn. Dit heeft tot wijzigingen in het concept wetsvoorstel geleid, conform het bepaalde van artikel 12 van de richtlijn.

In het kader van het verscherpt cliëntenonderzoek is, conform enkele ontvangen consultatiereacties, verdere aansluiting gezocht bij de vierde anti-witwasrichtlijn voor zover het gaat om het verscherpt cliëntenonderzoek in gevallen waarin een cliënt niet fysiek aanwezig is voor verificatie van diens identiteit.

7. Financiële inlichtingen eenheid en de meldplicht

Vanuit de advocatuur zijn vragen gesteld over de verhouding tussen de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden en de geheimhoudingsplicht van advocaten op grond van artikel 11a van de Advocatenwet. Naar aanleiding van de ontvangen reacties wordt in het concept wetsvoorstel verduidelijkt dat de geheimhoudingsplicht niet van toepassing is, voor zover advocaten aan verplichtingen op grond van de Wwft zijn onderworpen.

Daarnaast is in enkele consultatiereacties opgemerkt dat de verplichting voor instellingen om ‘onverwijld’ inlichtingen te verstrekken indien de FIU daarom verzoekt, niet in lijn is met de vierde anti-witwasrichtlijn. Deze reacties hebben niet tot wijziging geleid. Op grond van artikel 33 van de richtlijn dienen instellingen inlichtingen en aanvullende informatie ‘onmiddellijk’ te verstrekken indien de FIU daarom verzoekt. De vierde anti-witwasrichtlijn laat geen ruimte voor een langere termijn.

8. Toezicht, handhaving en publicatiebevoegdheden

Verschillende consultatiereacties uit de advocatuur [3] hebben geleid tot wijzigingen in de bepalingen met betrekking tot de uitvoering en handhaving van de Wwft. Daarbij is onder meer hersteld dat Bureau Financieel Toezicht belast blijft met de uitvoering en handhaving van de Wwft, voor zover het personen betreft die werkzaam zijn in een met de advocatuur of het notariaat gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf. Voorts worden de verwijzingen naar de Advocatenwet hersteld, zodat hierbij verwezen wordt naar de deken van de orde in het arrondissement in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Advocatenwet.

Daarnaast is naar aanleiding van reacties uit de advocatuur voorzien in enkele wijzigingen in het wetsvoorstel die beogen de consistentie met de Wet positie en toezicht advocatuur, in werking getreden op 1 januari 2015, te waarborgen. Zo wordt in het onderhavige wetsvoorstel rekening gehouden met de bevoegdheid van het College van Toezicht om beleidsregels vast te stellen.

Met betrekking tot het handhavingsinstrumentarium van de toezichthoudende autoriteiten is tijdens de consultatie in de eerste plaats gewezen op een discrepantie tussen de bepalingen met betrekking tot het vaststellen van de boetehoogte in het wetsvoorstel en de corresponderende bepalingen in de vierde anti-witwasrichtlijn. Naar het oordeel van verschillende partijen gaat het wetsvoorstel in dit opzicht verder dan de vierde anti-witwasrichtlijn noodzakelijk acht.

[3] Zie in dit kader de reactie van de Nederlandse Orde van Advocaten, beschikbaar via:
https://www.advocatenorde.nl/juridische-databank/details/wetgevingsadviezen/35673

Deze reacties hebben tot wijzigingen geleid in het onderhavige wetsvoorstel. Het voorgestelde maximum boetebedrag van de derde boetecategorie zal slechts voor zover het banken, andere financiële ondernemingen en trustkantoren betreft EUR 5.000.000,- bedragen. Voor banken en beleggingsondernemingen blijft het maximum boetebedrag van de derde boetecategorie daarmee ongewijzigd. Ten aanzien van de overige financiële ondernemingen wordt het maximum boetebedrag hiermee verhoogd van EUR 4.000.000,- naar EUR 5.000.000,-. Hiermee wordt aangesloten bij de vierde anti-witwasrichtlijn. Met het oog op recente bevindingen uit het toezicht, alsmede in aansluiting op het concept wetsvoorstel voor de Wet toezicht trustkantoren 2018 dat in het voorjaar van 2016 is geconsulteerd, is ervoor gekozen het maximum boetebedrag ook te verhogen voor trustkantoren. In de grondslag voor het opleggen van een omzetgerelateerde boete wordt hier bij aangesloten. Voor de overige instellingen onder de Wwft blijven de bepalingen met betrekking tot de boetehoogte grotendeels gelijk aan de huidige bepalingen in de Wwft. Slechts daar waar de richtlijn een wijzing noodzakelijk maakt, wordt daarin met het onderhavige wetsvoorstel voorzien.

Ook in de bepalingen met betrekking tot de publicatiebevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten zijn naar aanleiding van de ontvangen reacties wijzigingen aangebracht. In de consultatiereacties is gesteld dat de mate van rechtsbescherming waarin het onderhavige wetsvoorstel voorziet onvoldoende is. Deze reacties hebben geleid tot een aantal aanvullende waarborgen, waaronder de verplichting voor de toezichthoudende autoriteiten om een apart besluit tot openbaarmaking te nemen. Daarnaast zal een wachttermijn gelden tussen het bekendmaken van het besluit tot openbaarmaking en de daadwerkelijke openbaarmaking. In het wetsvoorstel is tot slot een verplichting opgenomen voor de toezichthoudende autoriteiten om een belanghebbende aan te bieden een rectificatie openbaar te maken indien een besluit tot openbaarmaking in bezwaar wordt ingetrokken of wordt herroepen in beroep of hoger beroep.

In consultatiereacties vanuit de advocatuur is tot slot gewezen op een voor de advocatuur onwenselijke overlap tussen het tuchtrecht en de bevoegdheid voor de toezichthoudende autoriteiten om een overtreder tijdelijk de bevoegdheid te ontzeggen om een beleidsbepalende functie te vervullen bij een Wwft-instelling. Van een overlap is echter geen sprake. Een schorsing van het tableau door de tuchtrechter heeft niet dezelfde strekking als voornoemde, tijdelijke, maatregel. Zo kan het tijdelijk beroepsverbod zich bijvoorbeeld uitstrekken tot managementfuncties bij alle Wwft-instellingen, terwijl een schorsing van het tableau door de tuchtrechter zich naar zijn aard beperkt tot het uitoefenen van het beroep van advocaat. Daarnaast is van belang dat de tuchtrechtspraak een ander doel nastreeft dan bestuursrechtelijke handhaving. Dit zal nader worden toegelicht in de memorie van toelichting. Met het oog op het voorgaande is de bevoegdheid voor de toezichthoudende autoriteit om een tijdelijk beroepsverbod op te leggen, ook in het geval van een persoon die als advocaat diensten verleent, ongewijzigd in stand gelaten.

9. Bewaarplicht en gegevensbescherming

Verschillende partijen hebben in hun consultatiereacties opmerkingen gemaakt bij de verplichting om de gegevens die zijn vergaard in het kader van het cliëntenonderzoek te bewaren. Daarbij is met name kritiek geuit op het voorstel om instellingen te verplichten gegevens of documenten vast te leggen met betrekking tot de verificatie van de identiteit van een UBO en met betrekking tot de aard en omvang van het door de UBO gehouden uiteindelijk belang. Daarbij werd benadrukt dat de vierde anti-witwasrichtlijn niet verplicht tot verificatie van de identiteit van de UBO, maar tot het nemen van redelijke maatregelen.

Voornoemde reacties hebben geleid tot wijzigingen in het concept wetsvoorstel. De ontvangen consultatiereacties hebben er onder meer toe geleid dat is verduidelijkt dat een instelling de identiteit van de UBO vastlegt, alsmede de redelijke maatregelen die worden genomen om de identiteit van de UBO te verifiëren en het op basis daarvan behaalde resultaat. In tegenstelling tot hetgeen in verschillende consultatiereacties tot uitdrukking is gebracht, dient een instelling te allen tijde – en met inachtneming van de risico’s in een individueel geval – redelijke maatregelen te nemen om de identiteit van de UBO te verifiëren. De vierde anti-witwasrichtlijn en de Wwft laten geen ruimte voor het achterwege blijven van de verificatie van de identiteit van de UBO.

Voorts is er een groot aantal reacties ontvangen met betrekking tot de implementatie van de richtlijnbepalingen inzake gegevensbescherming. Daarbij is veelal gewezen op het feit dat de persoonsgegevens die door instellingen verzameld worden in het kader van het cliëntenonderzoek, tevens voor andere doeleinden of ten behoeve van andere wettelijke verplichtingen worden verzameld en verwerkt.

Naar aanleiding van deze reacties zijn enkele verduidelijkingen aangebracht. Daarbij is onder meer tot uitdrukking gebracht dat verdere verwerking van persoonsgegevens die uit hoofde van de Wwft zijn verzameld, conform artikel 6 van de Algemene verordening gegevensbescherming, is toegestaan zolang het doel van verdere verwerking van persoonsgegevens verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld: het voorkomen van witwassen of financieren van terrorisme. Indien dezelfde persoonsgegevens voor meerdere doeleinden worden verzameld, kan op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming of een bijzondere wettelijke regeling een afwijkende bewaartermijn van toepassing zijn. Hoewel er in een dergelijk geval sprake is van dezelfde persoonsgegevens, zal een instelling moeten vaststellen met het oog op welk doel deze persoonsgegevens zijn verzameld en aan de hand daarvan vaststellen wat de toepasselijke bewaartermijn is en of verdere verwerking van deze persoonsgegevens is toegestaan.

10. Overig

In het voorgaande zijn de belangrijkste onderwerpen die in de consultatiereacties naar voren zijn gekomen, besproken. Ook overige consultatiereacties hebben tot wijziging van het concept wetsvoorstel geleid. Dit wordt in de memorie van toelichting bij het concept wetsvoorstel nader toegelicht.

Voor zover de consultatiereacties niet inhoudelijk waren en geen afweging behoeven, zijn deze in het onderhavige verslag en in de consultatieparagraaf in de memorie van toelichting buiten beschouwing gelaten.

In verschillende consultatiereacties is tot slot ingegaan op de richtlijnbepalingen met betrekking tot het registreren van informatie over uiteindelijk belanghebbenden (het UBO-register). Deze bepalingen uit de richtlijn worden middels een separaat wetsvoorstel in de Nederlandse wet- en regelgeving geïmplementeerd. De consultatiereacties die op het UBO-register betrekking hadden, worden om die reden bij de totstandkoming van laatstgenoemd wetsvoorstel betrokken.

Geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft, Grondrechten, Overheidsregister van aandeelhouders, Ubo-register | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Kijken naar de Nederlandse Panama Commissie

Degenen die de verhoren van de Nederlandse Panama Commissie willen terugkijken, kunnen hyperlinks naar Debat Gemist via de tweede kamer pagina vinden. Voor zover de gehoorde personen position papers hebben ingediend, zijn deze op dezelfde pagina aan te treffen. Over de position paper van DNB schreef ik op de site van het Compliance Platform Trustkantoren.

Onderzoek

De verhoren zijn om verschillende redenen interessant. Zo zou kunnen worden bekeken welke deskundigheid de personen die gehoord werden hadden met betrekking tot de onderwerpen waarover zij werden ondervraagd.

Ook is boeiend te onderzoeken of de leden van de commissie wel relevante vragen stelden en of die vragen wel zinvol waren gelet op de rol en de deskundigheid van de gehoorde persoon. Zo viel mij op dat aan een fiscale hoogleraar geen vragen werden gesteld over de afgrenzing tussen regulier gebruik van belastingfaciliteiten en juridisch geoorloofd maar ‘immoreel’ gebruik maken van het belastingrecht, de zgn. agressieve belastingplanning. (Anders dan belastingfraude, wat bestrafbaar en beboetbaar is.)

Helaas ontbreekt mij de tijd om dit onderzoek zelf te doen.


Een variant van dit artikel verscheen
op de site van het Compliance Platform Trustkantoren

Geplaatst in Belastingrecht, Dienstverlening - juridisch financieel [advocaten, accountants, belastingadviseurs e.d.], Fraude, witwasbestrijding, Wwft | Tags: | Plaats een reactie

Biometrische identificatie | het inlogmiddel dat je niet kunt veranderen

Biometrische identificatie wordt steeds gewoner. Er zijn vele mogelijkheden: de vingerafdruk wordt al veel gebruikt, er vindt steeds meer gezichtsherkenning plaats. Straks zal de DNA gebruikt kunnen worden voor identificatie.

Bedrijven gebruiken graag biometrische identificatie omdat ze via deze weg op een makkelijke manier gebruikers kunnen volgen over verschillende apparaten. Zo is zeer exacte profilering mogelijk. Mensen denken dat biometrische identificatie meer zekerheid biedt; soms is het gemakkelijker.

Maar er zit een keerzijde aan: biometrische identificatie is een inlogmiddel dat je niet kunt veranderen na diefstal. Ook biometrische gegevens worden gestolen, zo bleek uit een onlangs op security.nl verschenen bericht. Al eerder is er geschreven over het inlogmiddel dat je niet kunt veranderen.

Die biometrische identificatie zal – ondanks de risico’s voor de burger – toenemen, aangezien zowel grote bedrijven als overheden er groot belang bij hebben. De overheden zullen het aan de man brengen met misdaadbestrijding als argument en kunnen het vervolgens inzetten voor bevordering van normconform gedrag (‘nudging’).

Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer

In een begin juni jl. verschenen bericht over het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) schrijft DNB het volgende:

Biometrie kan veilig betalen bevorderen
Biometrie wordt steeds vaker gebruikt voor identificatie en autorisatie bij mobiel bankieren en betalen. In de apps van de meeste banken kan bijvoorbeeld de vingerafdruklezer worden gebruikt om in te loggen en om overboekingen te doen. Dit verhoogt het gebruiksgemak en deels ook de toegankelijkheid. Het MOB heeft verschillende toepassingen van biometrie in het betalingsverkeer getoetst aan de hand van het innovatiebeoordelingskader uit 2015. De conclusie is dat biometrie kan bijdragen aan de veiligheid van betalingsverkeer, maar dit is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de uitvoering. Het MOB heeft haar zorgen uitgesproken over potentiële frauderisico’s en privacyaspecten bij de huidige snelle ontwikkelingen in het gebruik van biometrie. Het MOB roept aanbieders van betaalproducten op om de consument goed te informeren omtrent het veilig gebruik van biometrische identificatie en authenticatie. Daarnaast vraagt het MOB deze aanbieders het ontwerp van biometrische toepassingen vroegtijdig af te stemmen met belangengroepen, om zo te zorgen voor optimale bruikbaarheid en toegankelijkheid. De analyse zal op de website van DNB worden gepubliceerd.

Gelukkig is het MOB alert op de frauderisico’s en privacyaspecten rondom biometrie. Die alertheid mag wel wat breder.

Meer informatie:


Aanvulling 6 april 2018
Nog steeds wordt naar biometrie gegrepen als alternatief voor de huidige primitieve inlogmethoden. Zie onder meer dit artikel van een partij uit de compliance-industrie. Overal waar gesproken wordt over het einde van het ‘wachtwoordentijdperk’ speelt biometrie een grote rol. Het is niet voor niets dat bedrijven op grote schaal biometrische gegevens (vooral via foto’s) verzamelen.

Aanvulling 14 juli 2020
Banken sluiten filialen en leveren hun klanten over aan riskante identificatiepraktijken, zoals biometrie, lees Banken pleiten voor mogelijk gebruik van biometrische gegevens financiële diensten, 14 juli 2020. De NVB schrijft onder meer:

Het gebruik van biometrische gegevens – zoals gezichtsherkenning ter identificatie – maakt het voor consumenten eenvoudig en veilig om hun financiële zaken vanuit huis te regelen. Met de toenemende digitalisering is voor banken de inzet van een innovatieve methode als biometrie ook van groot belang in de strijd tegen witwassen en fraude in het betalingsverkeer.

Banken moeten in het kader van de Wet op het voorkomen van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) continu de identiteit van klanten vaststellen. Niet alleen als iemand klant wordt (identificatie), maar ook als de klant toegang wil krijgen tot financiële diensten (verificatie).

Wat hier staat is onjuist: de Wwft schrijft alleen verificatie voor bij de aanvang van de relatie. Er is geen sprake van dat de identiteit permanent moet worden geverifieerd. Wel is dit een bekend alibi waar banken zich graag achter verschuilen.

Geplaatst in Grondrechten, ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Hoe lang nog post?

Een van de terreinen waarop we wel ongeveer ieder jaar iets zien gebeuren, is dat van de postbezorging. De postkantoren zijn verdwenen. Op allerlei plaatsen maken bewoners bezwaar tegen het verdwijnen van brievenbussen.

Dit jaar gaat er vast ook wat gebeuren, want de rijksoverheid heeft een persbericht uitgebracht onder de kop “Digitalisering communicatie maakt herziening postmarkt noodzakelijk“.

Eenrichtingsverkeer

In het bericht wordt gedaan of er een postmarkt is, terwijl dat niet het geval is. Wat in het nieuwsbericht ‘postmarkt’ wordt genoemd, is grotendeels een éénrichtingsverkeer, nl. van aanbieders van grote aantallen fysieke objecten (= brieven, pakjes, enzovoorts) aan de consument, de kleine ondernemer en alle anderen. Als je als consument of kleine ondernemer één of enkele fysieke objecten (“post”) wil laten vervoeren kan je alleen bij PostNL terecht, want andere bezorgers hebben er geen interesse voor.

Die activiteit van PostNL heet ‘universele postdienst’ of UPD en is geen markt. Niet voor niets was postbezorging voorheen een overheidstaak. Misschien moet het dat ook weer worden…

Gaat de universele postdienst verdwijnen?

Het bericht verwijst naar een door het ministerie van economische zaken uitgevoerde analyse. Het lijkt er op dat de opstellers van die analyse denken dat het bezorgen van post niet meer nodig is, als ze schrijven “Het belang van post is echter tanende doordat post links en rechts wordt ingehaald door digitale alternatieven.” Natuurlijk neemt de behoefte aan kleinschalige bezorging van fysieke objecten af. Maar nog steeds zal er kleinschalig post worden aangeboden, iets waar anderen dan PostNL geen belangstelling voor hebben.

De samenvatting in de analyse leidt tot een wollige conclusie waarin over de hele bezorgingsmarkt wordt gesproken. Mij lijkt dat hier wordt verhuld dat gedacht wordt aan ingewikkelde oplossingen voor kleinschalige bezorging van post, analoog aan de opheffing van de postkantoren, die nu zijn ondergebracht in supermarkten en andere winkels. De vraag is of dit bij kleinschalige bezorging (universele postdienst) wel gaat werken.

Primaire vragen

Het zou beter zijn geweest als in de analyse de rest van de bezorgmarkt buiten beschouwing was gebleven en als was geconcentreerd op de primaire vragen rondom postbezorging als overheidstaak:

  • Heeft de burger er belang bij om op een eenvoudige manier post te laten vervoeren? Is voldoende gedacht aan alle burgers (dus ook bejaarden, gehandicapten, minder begaafden). Is postbezorging een grondrecht.
  • Op welke manier kan de overheid op een zo goedkoop mogelijke wijze bereiken dat de burger post kan laten vervoeren: door het zelf te doen dan wel door derden te verplichten die post af te leveren.
  • Hoe kan een dergelijk systeem worden georganiseerd, op een wijze dat een veilige en zorgvuldige bezorging kan worden zeker gesteld.
  • Op welke manier kan postbezorging waaraan extra eisen moeten worden gesteld (zoals berichten van de overheid (belastingdienst!), rechterlijke instanties en objecten met hoge[re] waarde) veilig en zorgvuldig plaats vinden.
  • Dient te worden afgestapt van de gedachte dat de postbezorging kostendekkend moet zijn, om te zorgen dat postbezorging bereikbaar is voor alle burgers.

Is de analyse een voorbode van de facto afschaffing van de universele postdienst? Ik hoop het niet.


NB 1 Overigens is bij velen onbekend dat e-mail inherent onveilig is en ontbreekt een alternatief.

NB 2 In de analyse wordt ook de rol van een bekende messaging app, WhatsApp, bij de Nederlandse privécommunicatie besproken. Het is vreemd dat deze messaging app zo groot is, als je in aanmerking neemt dat door de leverancier zonder de vereiste toestemming adresboeken en andere gegevens naar de Verenigde Staten worden geüpload, waar ik al eerder over schreef. Er zijn geen verantwoorde alternatieven. Het wordt tijd dat Nederland (of Europa) een veilige en niet-privacy schendende messaging app gaan aanbieden.

Meer informatie:

Overheid en PostNL:

Overige berichten:


Aanvulling 13 september 2018
De overheid lijkt eindelijk ontdekt te hebben dat bezorging van kleine aantallen poststukken geen ‘markt’ is en wil nu PostNL en Sandd laten fuseren, zie onder meer dit artikel in het FD.

Geplaatst in Grondrechten | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Verdwijnt de mededinging door IT? De minister van EZ maakt zich geen zorgen

In de IT-zijn er vele bijna-monopolies, denk maar aan Facebook (met bijvoorbeeld hun messaging programma’s) en Google (in de advertentiemarkt). Leidt de digitale economie tot monopolies?

De minister van economische zaken bood vandaag over dat onderwerp aan de tweede kamer een brief aan onder het kopje “Toezeggingen over Big data, richtlijnvoorstel versterking bevoegdheden mededingingsautoriteiten en verhouding grote en kleine partijen op markten“. Bij deze brief hoort een Engelstalig onderzoeksrapport dat de minister door Ecorys heeft laten opstellen en wat over ‘big data’ en mededinging gaat. Het is de auteurs gelukt om een Nederlandstalige samenvatting te maken.

In de brief concludeert de minister dat er nog geen zorgen zijn rondom big data:

Het onderzoek toont aan dat data kunnen bijdragen aan marktmacht. Het onderzoek geeft echter ook aan dat marktmacht op zich niet per se schadelijk is en dat er nog weinig bewijs is voor misbruik van marktmacht met data. Het aanpakken van misbruik kan reeds via het mededingingsrecht, en soms ook via consumentenbeschermings- en privacyregelgeving. Het rapport geeft dan ook geen directe aanleiding om het beleid aan te passen. Wel wordt door Ecorys in overweging gegeven de meldingsdrempels voor fusies te veranderen. Op dit moment wordt het nut en de noodzaak daarvan door de Commissie onderzocht. Nederland heeft eerder per brief aan de Commissie laten weten de Commissie te steunen in haar voorstel de effectiviteit van de op omzet gebaseerde drempels te onderzoeken. Eventuele maatregelen rondom de meldingsdrempels moeten in Europees verband worden genomen. Ik wacht dan ook de analyse en eventuele voorstellen van de Commissie op dit terrein af.

Om een goede toepassing van bestaand beleid in de digitale economie te realiseren is ook interactie tussen de verschillende beleidsterreinen nodig, zoals mededinging en consumentenbescherming. Samenwerking zowel in beleid als toezicht is belangrijk om problemen effectief aan te kunnen pakken. Nederland heeft hierbij het voordeel dat met de ACM de mededingings- en consumentenbeschermingstoezichthouder onder één dak zitten. Ook samenwerking tussen de ACM en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) is in deze context van belang. De ACM en AP hebben ook een samenwerkingsprotocol ten behoeve van een effectieve samenwerking, o.a. waar toezichtsbevoegdheden kunnen overlappen.

Tot slot deel ik de opvatting van Ecorys dat startups een belangrijke rol kunnen spelen in het betwisten van dominantie posities die op markten kunnen ontstaan. Naast het huidige beleid dat startups kan helpen, zie ik in het rapport echter geen aanleiding extra beleid daartoe te maken. Hoewel het onderzoek dus geen concrete aanleiding geeft voor beleidsveranderingen, is het van belang de snelle ontwikkelingen in de markt te volgen en om kennis op dit gebied te blijven opdoen. In het onderzoek zie ik dan ook aanleiding om verder in gesprek te gaan met specialisten op dit gebied. Snel veranderende digitale markten vergen blijvende aandacht van beleidsmakers en toezichthouders om het belang van betwistbaarheid van markten te borgen. Betwistbare markten dragen bij aan innovatie en goede prijs-kwaliteitverhouding van producten en diensten voor consumenten. Ik zet me ervoor in het mededingingsbeleid en het toezichtinstrumentarium houdbaar te houden zodat ook in nieuwe markten ondernemingen hun positie niet misbruiken en zo de consument benadelen.

Ik ben benieuwd naar de reacties op het Ecorys rapport.

Meer informatie:

Geplaatst in ICT, privacy, e-commerce | Tags: , , , , | Plaats een reactie