De vandaag door de Rechtbank Noord-Holland gewezen uitspraak in de LinkedIn zaak gaat over door LinkedIn verwijderde corona-uitingen van de gebruiker, een lid van de Tweede Kamer en het sluiten van zijn account.
De uitspraak is interessant omdat daaruit blijkt dat deze kort geding rechter van mening is dat op LinkedIn bepaalde verplichtingen rusten. Dat deel van de uitspraak zal ik hier bespreken.
Aan de orde waren de volgende juridische onderwerpen:
- Is de wederpartij LinkedIn Ierland of LinkedIn Nederland.
- Is Nederlands recht van toepassing.
- Is de Nederlandse rechter bevoegd.
- Kan LinkedIn zonder motivering een account (‘profiel’) van een gebruiker sluiten.
- Kan LinkedIn zonder aankondiging of motivering berichten verwijderen.
Het antwoord op de eerste vraag is LinkedIn Ierland, omdat daarmee de overeenkomst is aangegaan. Nu de eisende partij (de gebruiker) in Nederland woont en gediscussieerd wordt over een tekortkoming door LinkedIn respectievelijk een door LinkedIn gepleegde onrechtmatige daad, is Nederlands recht van toepassing en is de Nederlandse rechter bevoegd, een en ander op grond van artikelen 4 en 7 van de Brussel I bis-verordening, aldus de Rechtbank.
Vervolgens wordt uitgebreid aandacht besteed aan de omgang van LinkedIn met de gebruiker, waarbij de rechter oordeelt dat het platform misinformatie mag tegengaan en zich daarbij mag baseren op informatie van onafhankelijke overheidsinstanties. Anders dan andere platforms heeft LinkedIn nagelaten het eigen beleid inzake corona-uitingen uit te schrijven, zo overweegt de Rechtbank, zodat niet duidelijk is waar de grens loopt tussen kritische kanttekeningen bij de overheidsrichtlijnen en misinformatie (4.11). De beperkte kenbaarheid van het beleid wordt LinkedIn tegengeworpen (4.12). Vooruitlopend op de Digital Services Act (DSA), oordeelt de Rechtbank dat LinkedIn zorgvuldig met de gebruikers om dient te gaan (4.13, 4.14). Dat de dienst gratis is maakt niet dat LinkedIn minder verplichtingen heeft (4.16):
4.16. Voor zover LinkedIn met haar betoog dat zij (c.q. de platforms) haar diensten gratis aanbiedt/aanbieden heeft willen impliceren dat hier sprake is van dienstverlening zonder tegenprestatie, die daarom op lichtere gronden beëindigd mag worden dan dienstverlening om baat, gaat de voorzieningenrechter in die kenschets niet mee. Deze miskent immers dat de gebruiker de grote platforms betaalt met terbeschikkingstelling van data en dat deze data de brandstof vormen die de platforms in staat stelt te groeien en hun onderscheiden verdienmodellen (verder) te ontwikkelen.
De zorgvuldigheid die LinkedIn dient te betracht houdt in dat de gebruiker wordt geïnformeerd (notificaties krijgt) als berichten worden verwijderd en dat de verwijdering wordt gemotiveerd (4.21). Nu LinkedIn dat heeft nagelaten kan niet plotseling – nadat een aantal berichten zijn ‘opgespaard’ – het profiel worden geblokkeerd of gesloten (4.22):
4.22. Aldus bezien is díe beperking te fors. Er is geen helder beleid, er is niet of nauwelijks gecommuniceerd en voor zover van communicatie al sprake is geweest bevat die geen motivering die meer inhoudt dan een enkele verwijzing naar de gebruikersovereenkomst c.q. de Beleidslijn. De op 19 juni 2021 door LinkedIn in de e-mail r.o. 2.16) gegeven uitleg is veel te laat en inhoudelijk ontoereikend en op [Kamerlid] ’s verzoek om communicatie is niet behoorlijk ingegaan. LinkedIn dient zich er rekenschap van te geven dat haar motiveringsplicht in concrete gevallen groter is naarmate het beleid dat zij met haar beslissingen stelt toe te passen vager is omschreven en/of minder kenbaar is. De huidige omschrijving is onvoldoende informatief. De nadere uitleg die LinkedIn ter zitting heeft gegeven (kritische content is toegestaan maar geen medische claims zonder wetenschappelijke onderbouwing) helpt, maar laat ruimte voor aanzienlijke precisering.
Aan de hand hiervan concludeert de Rechtbank dat LinkedIn ten onrechte de overeenkomst met de gebruiker heeft opgezegd en het account weer moet terugplaatsen.
Een aantal door de gebruiker geplaatste corona-berichten hoeven niet te worden teruggeplaatst omdat de rechter deze als misinformatie bestempelt. De toetsing vindt plaats aan de hand van criteria die in overwegingen 4.29 en 4.30 als volgt worden beschreven:
4.29. Meningsuitingen kunnen slechts bijdragen tot het goed functioneren van een democratie, indien ze zijn gestoeld op uitgangspunten die de waarheid geen geweld aan doen. Dat betekent niet dat er geen recht op vrijheid van meningsuiting bestaat indien uitingen er toe strekken “officiële” feitelijke vaststellingen of aannames te bekritiseren.
Het betekent wel dat er grenzen mogen worden gesteld aan de wijze waarop dat gebeurt.
Het Hof maakt in de toetsing van voor derden schadelijke uitlatingen onderscheid tussen feitelijke (of als feitelijk ingeklede) beweringen en beweringen die waarderingsoordelen bevatten. Wanneer de schade wordt veroorzaakt door bewerkingen van de eerste soort eist het Hof een voldoende feitelijke onderbouwing. (SDU Commentaar EVRM 2020-202, dl 1, p. 1228).
4.30. Die eis wordt ook gesteld aan journalisten, in het bijzonder wanneer hun uitlatingen schade kunnen veroorzaken (SDU Commentaar EVRM 2020-202, dl 1, p. EVRM p. 1252). Niet valt in te zien waarom deze uitgangspunten niet evenzeer voor een politicus zouden gelden. Integendeel, in het licht van voormeld uitgangspunt van het Hof is er juist eerder reden om aan te nemen dat een persoon die beroepsmatig participeert in het politieke proces een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om de integriteit van dat proces te bewaken en te bevorderen. Die integriteit wordt door de verspreiding van Covid-19 desinformatie ondermijnd.
Geconcludeerd kan worden dat social media niet zo maar accounts kunnen sluiten en berichten kunnen verwijderen en dat benadeelde gebruikers in Nederland kunnen procederen tegen in het buitenland gevestigde exploitanten.