De minister van Financiën stuurde op 13 februari jl. een brief aan de Tweede Kamer waarin werd uitgelegd dat de Kamer inspraak heeft op het AML-pakket, de ‘AML Package’. Zie voor de brief de pagina op de site van de Tweede Kamer, waarin naar de brief en de bijlage met de titel ‘Non paper DUI, LUX, NL risicogebaseerde benadering‘ wordt verwezen.
Nederland wil via de Europese achterdeur Transactiemonitoring Nederland (TMNL) er door drukken
In de non paper pleit Nederland voor gezamenlijke analyse door witwasbestrijdingsplichtige ondernemingen, zoals de banken via Transactiemonitoring Nederland (TMNL) willen doen, ook al is het wetsvoorstel waarin dit fenomeen voorkomt door de Kamer controversieel verklaard. Het maakt duidelijk dat het kabinet en het ministerie van Financiën weinig interesse hebben voor wat het parlement er van vindt. Lees in dit verband ook de brief, waarin niet alleen over gegevens delen door banken wordt gesproken, maar door alle ‘poortwachters’ (dus ook boekhoudkantoren, notarissen en de vele andere ondernemingen met overheidstaken op het gebied van de witwasbestrijding):
Nederland is voornemens om in te stemmen met het pakket, omdat het belangrijke verbeteringen bevat in de harmonisatie van regelgeving en de oprichting van een Europese anti-witwasautoriteit. Wel zal Nederland hierbij een stemverklaring afleggen, vanwege de bedenkingen die Nederland heeft bij het ontbreken van een bevoegdheid voor lidstaten om te bepalen of de introductie van een mogelijkheid voor poortwachters om gezamenlijke voorzieningen op te richten waarin transactiegegevens gedeeld kunnen worden wenselijk is in nationaal verband. Hierdoor heeft het nationale parlement niet meer de mogelijkheid om de principiële afweging te maken of poortwachters gezamenlijke voorzieningen moeten kunnen opzetten. (…)
Wel zal Nederland hierbij een stemverklaring afleggen waarin wordt aangegeven dat Nederland grote bedenkingen heeft bij een van de bepalingen uit de AML-verordening. Dit is gelegen in het volgende. In het BNC-fiche heeft het kabinet aangegeven gegevensdeling een cruciaal onderdeel te vinden van een effectieve aanpak van witwassen en terrorismefinanciering. Daarom gaf het kabinet aan te hechten aan duidelijkheid over wat er op dit gebied mogelijk is voor poortwachters en voldoende ruimte voor poortwachters om gegevens te kunnen delen. Daarnaast wilde het kabinet zich ervan verzekeren dat de regelgeving voldoende ruimte zou bieden voor bestaande initiatieven. De oorspronkelijke voorstellen van de Europese Commissie repten niet over gegevensdeling tussen poortwachters. In het minst erge geval zou dit hebben betekend dat de onduidelijkheid over de mogelijkheden voor poortwachters om gegevens uit te wisselen zou voortduren en in het ergste geval – aangezien dit een verordening betreft die harmonisatie van regelgeving beoogt – zou dit kunnen betekenen dat lidstaten niet de mogelijkheid zouden hebben om nationaal gegevensuitwisseling tussen poortwachters mogelijk te maken. Daarom heeft Nederland, samen met Denemarken en Duitsland, een non-paper met voorstellen opgesteld, 11 waarvan onderdelen in het uiteindelijke Raadsakkoord zijn overgenomen. In dit non-paper werd gepleit om lidstaten middels een lidstaatoptie gezamenlijke voorzieningen te kunnen laten oprichten, waar – binnen vooraf bepaalde waarborgen, onder andere met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens – gegevens tussen instellingen zouden kunnen worden gedeeld.
Het wordt humoristisch als de minister van Financiën met verwijzing naar het controversieel verklaarde wetsvoorstel beweert:
het gepast [te] vinden als de AML-verordening nationale parlementen de mogelijkheid had geboden om de principiële afweging te maken of poortwachters gezamenlijke voorzieningen moeten kunnen opzetten
Desinteresse voor de grondrechten
De brief geeft verder een recapitulatie van het wetgevende proces in de EU dat in juli 2021 is gestart en ademt volledige desinteresse in de grondrechten van burgers. Er is geen belangstelling voor de vraag of die ‘poortwachters’ wel de beoogde misdaadbestrijdingstaken kunnen uitvoeren. Het ‘doenvermogen’ is voor het kabinet alleen van belang als het om natuurlijke personen in hun privé hoedanigheid gaat.
Het blijft boeiend dat de opstellers van de brief menen te kunnen spreken over ‘de poortwachters’, terwijl het geen uniforme groep is. Nog erger is dat dit one-size-fits-all denken nu ook Europees gaat worden: de boekhouder in Roemenië en de boekhouder in Appelscha moeten hetzelfde kunnen als de bank:
De kernverplichtingen voor poortwachters zijn opgenomen in een verordening, die – anders dan een richtlijn – directe werking heeft en dus niet omgezet hoeft te worden in nationale regelgeving. Dit verkleint de kans op verschillen in de uitvoering van de verplichtingen door poortwachters uit verschillende lidstaten. De introductie van AMLA zorgt bovendien voor meer consistentie in de interpretatie en toepassing van de regelgeving door (nationale) toezichthouders en creëert – waar nodig – de mogelijkheid van grensoverschrijdend toezicht die nationale toezichthouders ontberen.
Gedurende de trilogen gaf het Europees Parlement aan, ingegeven door de wens voor harmonisatie van de regelgeving, een dergelijke bepaling als lidstaatoptie niet te accepteren. Ondanks dat Nederland op verschillende niveaus hier bezwaar tegen heeft gemaakt, is de lidstaatoptie die gegevensdeling mogelijk maakt komen te vervallen in het akkoord tussen de Raad en het Europees Parlement. In plaats daarvan is deze bepaling nu geharmoniseerd. Nederland stond in de Raad alleen in zijn uitdrukkelijke wens om de lidstaatoptie te behouden. Dit betekent dat, op grond van de bepaling zoals deze nu is opgenomen in de AMLverordening, poortwachters gezamenlijke voorzieningen kunnen inrichten om gegevens te delen in het kader van hun verplichtingen om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. De bepaling biedt verschillende waarborgen: zo is de reikwijdte van de transactiegegevens die mogen worden gedeeld beperkt tot specifieke groepen cliënten, dienen de relevante toezichthouders voorafgaand aan het starten van de activiteiten te verifiëren of de gezamenlijke voorziening voldoet aan de voorwaarden uit de AML-verordening en de AVG en dienen poortwachters passende technische maatregelen te implementeren in de gezamenlijke voorziening, zoals pseudonimisering. Daarnaast is in de overwegingen bij de verordening verduidelijkt dat lidstaten nationaal aanvullende waarborgen mogen stellen voor de verwerking van gegevens binnen de gezamenlijke voorziening. Deze waarborgen kunnen echter niet zo ver gaan dat daarmee de mogelijkheid voor poortwachters om gezamenlijke voorzieningen op te zetten geheel wordt uitgesloten.
Zelfs al zou harmonisatie nuttig kunnen zijn, dan gebeurt het nu op een volledig verkeerde manier. Zowel Nederland als Europa tonen over onvoldoende leervermogen te beschikken. De mensen aan de tekentafel van het ministerie van Financiën laten in de brief zien dat zij niet weten waar zij het over hebben en zijn niet bereid zich te verdiepen in de praktijk.
De minister trekt een onjuiste conclusie als wordt geschreven “dat het de effectiviteit van het anti-witwasraamwerk van de Europese Unie ten goede zal komen“. Wat er zal gebeuren is dat er een uitermate kostbaar en ineffectief systeem wordt opgetuigd, op kosten van burgers en organisaties, waarbij geen verantwoording wordt afgelegd aan diezelfde burgers en organisaties over het handelen van de private ondernemingen met misdaadbestrijdingstaken (‘poortwachters’).
Het zal me benieuwen of de Tweede Kamer bereid is om de inspraak rol bij het AML Package serieus te nemen.

