Het datalek van Bureau Financieel Toezicht | AVG

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) [1], toezichthouder van de deurwaarders, beging een ernstige fout door een niet-geanonimiseerde uitspraak van de kamer voor gerechtsdeurwaarders en de daarbij behorende aanbiedingsbrief aan een journalist te geven. Het deurwaarderskantoor waarop de uitspraak betrekking had, alsmede de in de uitspraak genoemde deurwaarders, waren daar boos over.

Zij verzochten BFT een datalek te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens, welk verzoek door BFT werd afgewezen. Toen de deurwaarders bezwaar maakten tegen de afwijzing, werden zij door BFT niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het laatste besluit stelden de deurwaarders beroep in, zonder succes want de rechtbank verklaarde hen niet-ontvankelijk inzake de schadevergoedingsvordering; wel oordeelde rechtbank dat BFT de deurwaarders ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard in het bezwaar.

Hoger beroep

Vervolgens werd door beide partijen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, die op 2 februari 2022 uitspraak deed [2]. De Afdeling oordeelt dat alleen aan de deurwaarders en niet aan hun kantoor beroep op de AVG toekomt. Vervolgens bespreekt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank. Inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar oordeelt de Afdeling:

7. Wat de AVG betreft is de reactie van het BFT alleen een besluit, waartegen bij de bestuursrechter kan worden opgekomen, als die kan worden aangemerkt als een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 15 tot en met 22 van de AVG. Dat volgt uit artikel 34 van de Uitvoeringswet AVG.
Artikel 21 van de AVG heeft als titel recht op bezwaar. Dat recht op bezwaar moet worden onderscheiden van het maken van bezwaar als bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Awb. Een beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke op een verzoek om toepassing van artikel 21, eerste lid, van de AVG is een besluit waartegen bezwaar als bedoeld in de Awb openstaat. Artikel 21 van de AVG bevat het recht van een betrokkene om te verzoeken een verwerking gebaseerd op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de AVG te staken in verband met hem betreffende bijzondere omstandigheden.
Zoals het BFT terecht betoogt kan alleen een beroep op artikel 21 van de AVG worden gedaan in het geval de verwerking plaatsvindt op grond van de genoemde onderdelen van artikel 6 van de AVG. Onbestreden is dat dat niet de grondslag is geweest voor het geven van de beslissing en de aanbiedingsbrief aan de journalist. In dit geval is namelijk niet meer in geschil dat voor de verwerking geen grondslag was.

De Afdeling constateert dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van BFT naar aanleiding van het verzoek een datalek te melden een besluit is als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de AVG. Rectificatie (artikel 16 AVG) is evenmin aan de orde.

Bevoegdheidsgrens
Vervolgens gaat de Afdeling na of de rechtbank op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard inzake de schadevergoeding. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de bestuursrechter in dit geval bevoegd is te oordelen over het verzoek om schadevergoeding. De benadeelde heeft de keuze zich te wenden tot de bestuursrechter dan wel tot de burgerlijke rechter, waarbij wel de bevoegdheidsgrens ( € 25.000) in de gaten moet worden gehouden. Echter, die grens geldt per eisende partij:

14.1. In het verlengde van de uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898, overweegt de Afdeling dat degene die op grond van artikel 82 van de AVG aanspraak stelt te maken op vergoeding van schade die het gevolg is van het onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens door een bestuursorgaan, overeenkomstig artikel 8:88 van de Awb, keuzevrijheid heeft om zijn verzoek aan de bestuursrechter voor te leggen dan wel zijn aanspraak op schadevergoeding via de civielrechtelijke weg te realiseren. Voor indiening van zo’n verzoek is het niet nodig dat de betrokkene eerst een beroep heeft gedaan op zijn rechten genoemd in hoofdstuk III van de AVG. De Afdeling merkt daarbij op dat als het verzoek een hoger bedrag dan € 25.000,00 betreft, toepassing van artikel 8:88 Awb met zich brengt dat in dat geval de burgerlijke rechter exclusief bevoegd is om van een dergelijk verzoek kennis te nemen.

14.2. Het BFT is een bestuursorgaan. Niet in geschil is dat het BFT de niet-geanonimiseerde versie van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders en de daarbij behorende aanbiedingsbrief niet had mogen geven aan de journalist. Deze handeling van het BFT is een inbreuk op de bescherming van de persoonsgegevens van [appellanten sub 1].
De hoogte van de schadevergoeding die [appellanten sub 1] hebben gevraagd, is volgens de Afdeling niet boven de bevoegdheidsgrens voor de bestuursrechter. Voor de bevoegdheidsgrens is namelijk van belang wat de hoogte van de vordering per persoon is. [appellanten sub 1] hebben gesteld dat zij € 151.489,00 respectievelijk € 9.880,00 aan materiële schade en ieder € 15.000,00 aan immateriële schade hebben geleden, maar hun vorderingen uitdrukkelijk beperkt tot € 25.000,00 per persoon.

Immateriële schade
Vervolgens beoordeelt de Afdeling de schadevergoedingsvordering en komt tot de conclusie dat niet is aangetoond dat materiële schade is geleden. Het is in theorie mogelijk immateriële schade te vorderen, zo overweegt de Afdeling:

17. Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952), aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Zoals de Afdeling in de eerder genoemde uitspraak van 1 april 2020 heeft overwogen, is dat ook zo voor de beoordeling van de immateriële schade op basis van artikel 82 van de AVG. Van deze aantasting is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW sprake is. In dat geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (Zie de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, r.o.4.2.2, van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5. en van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.13.2.).

Echter, immateriële schade kan niet door de deurwaarders aannemelijk worden gemaakt, waarbij een rol speelt dat de journalist de namen van betrokkenen niet heeft vermeld in het gepubliceerde artikel. Deze vordering wordt door de Afdeling afgewezen.

Tot slot
De uitspraak leert dat als een bestuursorgaan zoals BFT handelt in strijd met de AVG, het mogelijk is om een schadevergoedingsvordering bij de bestuursrechter in te stellen en dat bij een goede onderbouwing zowel materiële als immateriële schadevergoeding kan worden gevorderd.

 

Noten
[1] BFT is het bestuursorgaan dat optreedt als Wwft-toezichthouder voor onder meer accountants en notarissen en als algemeen toezichthouder voor notarissen en deurwaarders.
[2] Uitspraak Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/ ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, ICT, privacy, e-commerce en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s