BKR en de AVG | Hof Den Bosch

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch deed uitspraak in een zaak over kredietregistratie door banken en de AVG. De bezwaren van de consument tegen de beschikking van de rechtbank van Zeeland-West-Brabant werden niet gehonoreerd. De consument had bezwaar tegen de manier waarop hij door BKR is geregistreerd in het register (CKI). Daarbij kwam ook de betekenis van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) aan de orde.

De uitspraak van de rechtbank wordt door het Hof als volgt weergegeven:

Vervolgens heeft de rechtbank – kort en bondig weergegeven – geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens van [appellant] in het CKI op verzoek van de banken berust op een wettelijke verplichting als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder c AVG. De verwerking van persoonsgegevens vloeit immers voort uit een op artikel 4:32 Wft rustende verplichting van Achmea en ABN AMRO als kredietaanbieders om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, hetgeen noodzakelijkerwijs het verwerken van persoonsgegevens meebrengt. Dit geldt ook voor bijzonderheidscoderingen zoals die hier aan de orde zijn. Dat betekent dat [appellant] geen beroep kan doen op artikel 21 lid 1 AVG en evenmin op artikel 17 lid 1 AVG.

Dit laat onverlet dat een belangenafweging ertoe kan leiden dat gegevens alsnog verwijderd dienen te worden: er moet immers voldaan zijn aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er dient dus beoordeeld te worden of de inbreuk op de privacy van [appellant] niet onevenredig is in verhouding met het door de registratie te dienen doel. Hierbij moeten de omstandigheden van het concrete geval in acht worden genomen. De rechtbank is, gelet op de financiële plannen van [appellant] , van oordeel dat er nog alle reden is om hem te beschermen tegen het aangaan van nieuwe schulden. [appellant] is destijds vanwege zijn al jarenlang bestaande problematische schuldensituatie in de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp) gekomen hetgeen in maart 2016 is beëindigd met de verlening van de schone lei. Ter zitting heeft [appellant] geen informatie kunnen geven in hoeverre hij zijn schulden in de periode van drie jaar heeft kunnen aflossen. Er is dan ook reden voor [appellant] om zorgvuldigheid te betrachten bij het aangaan van schulden en hem daartegen te beschermen. Er is tevens reden om kredietverstrekkers tegen hem te beschermen. Van belang is verder dat hij kort na het verkrijgen van een schone lei zijn vaste baan heeft opgezegd en dat hij is gaan werken via detacheringsbureaus. Daarna is hij zelfstandig ondernemer geworden. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt niet van een stabiel inkomen; de noodzaak tot uitbreiding van de onderneming is op geen enkele wijze onderbouwd. De noodzaak van een zakelijk krediet is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De noodzaak een auto te financieren via financial lease is niet onderbouwd. De noodzaak tot het aangaan van een hypothecaire zekerheid is niet aangetoond, aldus de rechtbank.

Het beroep op artikel 10 van de Grondwet wordt verworpen omdat de Grondwet dient te worden uitgelegd conform het Unierecht. Het beroep op de artikelen 7 en 8 van het Handvest slaagt niet nu het de rechtbank niet duidelijk is waarom [appellant] hier een beroep op doet. Een beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet omdat de AVG een wettelijke regeling is op basis waarvan een inbreuk op het privéleven als bedoeld in lid 2 van artikel 8 EVRM mogelijk is. De rechtbank heeft daarom het verzoek van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten van de banken.

Het Hof bespreekt de achtergrond van de kredietregistratie door BKR en constateert dat het een wettelijke verplichting is. Vervolgens bespreekt het Hof de vraag is vervolgens hoe deze verplichtingen van financiële instellingen zich verhouden tot artikel 6 lid 1 onder c AVG, te duiden in het licht van considerans 4 1 en 45 bij de AVG. Daarbij komt de kritiek van de Autoriteit Persoonsgegevens, in de brief van 14 november 2019, aan bod. Het Hof concludeert:

3.5.17. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat de banken ter uitvoering van hun wettelijke plicht tot deelname aan een kredietregistratiesysteem (en alles wat daar noodzakelijk bij hoort) persoonsgegevens als in deze aan de orde (zoals die van [appellant] ) mogen laten verwerken door/registreren bij BKR op grond van artikel 6 lid 1 sub c AVG. Om die reden komt het hof niet toe aan een bespreking van de stellingen van [appellant] als gebaseerd op de artikelen 6 lid 1 sub f, 17 lid 1 en 21 lid 1 van de AVG, een en ander zoals reeds door de rechtbank is overwogen en beslist.
Dat sprake is van fundamentele rechten doet hier niet aan af, nu – anders dan [appellant] lijkt te betogen- geen sprake is van rechten met absolute gelding.
Dit blijkt niet alleen onverkort uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU maar ook uit Considerans 4 bij de AVG (…)

Het Hof meent – ondanks het standpunt van de Autoriteit Persoonsgegevens – dat er geen noodzaak is om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, wat kritiek van privacy-deskundigen oplevert:

 

 

Het Hof bespreekt ook nog de registratieduur en een aantal andere elementen van de BKR-registratie en accepteert de huidige systematiek.

Naar mijn idee is de BKR-registratie nog steeds een niet-transparant gebeuren, dat veel vragen oproept. Misschien dat deze zaak niet het meest geschikt was voor een kritische beoordeling.

 


Aanvulling 6 november 2020
Volgens een artikel bij Radar zou het goed zijn als het BKR nog meer schulden zou gaan registreren. Ik weet niet of dat wel een verstandig plan is, nu BKR zo’n niet-transparante organisatie is en aan de onafhankelijkheid moet worden getwijfeld.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/ ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Grondrechten, rechtsstaat e.d., ICT, privacy, e-commerce en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s