Het blijft oppassen met het volstorten van aandelen bij oprichting van een besloten vennootschap

Er kan veel mis gaan bij de volstorting van aandelen. Al eerder besteedde ik daar aandacht aan in dit artikel uit september 2009. Onlangs hebben twee rechtbanken uitspraak gedaan over de volstorting:

  • De Rechtbank Almelo oordeelde in een uitspraak van juni 2011 dat het bedrag in contanten dat door de aandeelhouder is gestort na oprichting aan de aandeelhouder mag worden terug geleend.

De omstandigheid dat (een gedeelte groot € 15.690,– van) voornoemd bedrag vervolgens is betaald aan de Holding impliceert niet, dat er geen rechtsgeldige volstorting zou hebben plaatsgevonden. Servecare verkreeg immers een vordering op de Holding en die vordering is ook als zodanig opgenomen in het fiscaal rapport. Gesteld noch gebleken is, dat die vordering niet als een reëel vermogensbestanddeel van Servecare zou zijn aan te merken.

(…) Bij de oprichting van een besloten vennootschap vormt het geplaatste kapitaal het vermogen dat de schuldeisers van de vennootschap als waarborg dient voor de nakoming van de op de vennootschap rustende verbintenissen. In titel 2.5 BW heeft de wetgever een aantal bepalingen opgenomen die de strekking hebben te verzekeren dat de vennootschap bij oprichting ook daadwerkelijk over dit vermogen beschikt. Ingevolge artikel 2:203a BW hebben oprichters niet slechts aan hun stortingsplicht voldaan indien (a) het gestorte bedrag bij de oprichting op een rekening van de vennootschap ter vrije beschikking staat, maar ook wanneer (b) de bedragen die op de bij de oprichting te plaatsen aandelen moeten worden gestort alle op een zelfde tijdstip, ten vroegste vijf maanden voor de oprichting, op een afzonderlijke rekening stonden welke na oprichting uitsluitend ter beschikking van de vennootschap zal staan, mits de vennootschap de stortingen in de akte aanvaard.
Met de openstelling van de mogelijkheid sub b van artikel 2:203a BW heeft de wetgever beoogd om tegemoet te komen aan het belang van de oprichters die al voor de oprichting zaken gaan doen en dan het geld tot volstorting van hun aandelen al moeten besteden.

4.2. Blijkens haar ontstaansgeschiedenis heeft de in artikel 2:203a BW neergelegde regeling tot doel zeker te stellen dat geen oprichting van een vennootschap plaatsvindt zonder dat de oprichters het gehele volgens de akte van oprichting te storten kapitaal hetzij bij oprichting hetzij op een eerder tijdstip ter beschikking van de vennootschap hebben gesteld. In zijn arrest van 24 maart 2000 (JOR 2000/81) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het niet met deze doelstelling zou stroken te aanvaarden dat de vennootschap, of in geval van faillissement haar curator, geen beroep kan doen op feiten en omstandigheden die meebrengen dat, alhoewel is voldaan aan de letter van art. 2:203a lid 1, aanhef en sub b, BW het gestorte kapitaal niet daadwerkelijk door de oprichters aan de B.V. i.o. ter beschikking is gesteld.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is in de eerste plaats niet komen vast te staan dat [gedaagde] door op 25 november 2008 € 10.000,- op de rekening van Linea Italiana i.o. over te maken daarmee aan zijn stortingsplicht heeft voldaan. In de nadere akte stelt [gedaagde] weliswaar dat hij genoemd bedrag onder vermelding van ‘Prive inleg’ op het rekeningnummer van Linea Italiana heeft overgeboekt en dat voormelde overboeking moet worden aangemerkt als ‘volstorting aandelen’, doch de rechtbank gaat daarin niet mee. Immers, uit de brief van 1 november 2010 (…) blijkt dat [gedaagde] tegenover de curator heeft verklaard dat de storting van het bedrag van € 10.000,- op het rekeningnummer van Linea Italiana een lening aan de vennootschap betrof, zodat er voldoende middelen aanwezig waren om een bestelling bij een leverancier/producent te plaatsen. Voorts blijkt uit voormelde brief dat het aan de vennootschap geleende bedrag van € 10.000,- op 17 december 2008 door de vennootschap aan [gedaagde] is teruggestort. Dat voormelde € 10.000,- als lening van [gedaagde] aan de vennootschap i.o. was aan te merken en dat dit bedrag later door de vennootschap aan [gedaagde] is terugbetaald, wordt ook met zoveel woorden door [gedaagde] bij conclusie van antwoord erkend. Dat [gedaagde] in de conclusie van antwoord spreekt over een datum van 28 november 2008 waarop het bedrag van € 10.000,- is gestort, beschouwt de rechtbank als een kennelijke verschrijving. Niet gesteld noch gebleken is immers dat er eind november 2008 meerdere stortingen van € 10.000,- hebben plaatsgevonden. Tenslotte vormen ook de hoogte van het bedrag en de omschrijving van de overboeking (‘Privé inleg’) geen aanwijzingen voor de door [gedaagde] gestelde ‘volstorting’, omdat dan een bedrag van € 9.000,- en de omschrijving ‘volstorting aandelen’ voor de hand hadden gelegen. De conclusie van het voorgaande moet derhalve zijn dat [gedaagde], gelet op de aard van de gedane storting op 25 november 2008, niet aan zijn plicht tot volstorting heeft voldaan, nu genoemd bedrag niet blijvend ter beschikking van de vennootschap is gesteld en derhalve geen sprake was van een reële storting.

4.4. Anders dan [gedaagde] in de bankverklaring heeft doen opnemen, is de rechtbank van oordeel dat het creditsaldo ‘van tenminste € 18.000,-‘ niet is ontstaan ‘ten titel van storting’. Uit het samenstel van feiten leidt de rechtbank af dat het creditsaldo van de bankrekening van Linea Italiana B.V. i.o. is ontstaan in het kader van de exploitatie van de onderneming van de vennootschap i.o. doordat derden op die rekening bedragen hebben overgeboekt en uit de verkoop contant ontvangen bedragen op die rekening zijn gestort. De rechtbank wijst in dat verband op de bankafschriften die door de curator zijn overgelegd. (…)
De stelling van [gedaagde] dat sprake is van een rechtsgeldige storting omdat uit de verkoop van hemden gelden op de rekening van de vennootschap i.o. zijn binnengekomen die tot een positief saldo ‘van tenminste € 18.000.-‘ hebben geleid, kan niet worden aanvaard.
Immers, wanneer zoals in het onderhavige geval ‘storting’ heeft plaatsgevonden ten laste van een positief saldo op een rekening van de vennootschap i.o. dat ontstaan is door haar eigen werkzaamheden en rechtshandelingen vóór haar oprichting, is – aldus de Hoge Raad (11 juli 2003, NJ 2003, 630) – het kapitaal niet werkelijk door de oprichter(s) aan de vennootschap ter beschikking gesteld. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat – nu het tegendeel niet is gebleken – de vennootschap de rechtshandelingen aangegaan vóór oprichting op de voet van artikel 2:203 BW heeft bekrachtigd, zodat de bankrekening van de vennootschap i.o. er achteraf bezien niet een was waarover de oprichters, waaronder [gedaagde], vrijelijk konden beschikken.

Uit de tweede uitspraak blijkt dat de omschrijving van de storting op de rekening van de bv in oprichting belangrijk kan zijn (paragraaf 4.3) en voorts dat opbrengsten uit de onderneming niet als storting op de aandelen mogen worden aangemerkt (paragraaf 4.4).

De aanbevelingen in mijn artikel uit 2009 blijven derhalve gelden.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Rechtspersonenrecht en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s