In een eindeloze reeks van rechtszaken is de geprivatiseerde criminaliteitsbestrijding (‘witwasbestrijding’) reden voor banken en betaaldienstverleners om hun klanten van het financiële systeem uit te sluiten.
Recent werd een tegen betaaldienstverlener Mollie gewezen vonnis van het gerechtshof Amsterdam bekend. Daarin delfde de betaaldienstverlener het onderspit tegen de benadeelde ondernemer. Hopelijk heeft Mollie hier iets van geleerd.
Het hof overweegt onder meer dat de ondernemersvrijheid van Mollie niet betekent dat er gediscrimineerd mag worden (markering door mij):
3.4.2. Waar Mollie stelt dat het haar vrij staat om (subjectief) te bepalen in welke gevallen zich onacceptabele risico’s voordoen, miskent zij dat zij, met een daartoe van De Nederlandsche Bank verkregen vergunning, diensten aanbiedt die voor het kunnen toepassen van een bepaalde zeer gangbare betalingswijze (op internet via iDEAL) een essentiële schakel vormen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat Mollie op dat gebied thans ongeveer 50% van de Nederlandse markt beheerst, dit is door Mollie niet voldoende gemotiveerd bestreden.
Hoewel Mollie er op zichzelf terecht op wijst dat zij geen bank is, brengt de aard van haar dienstverlening en positie binnen het betalingsverkeer wel mee dat ook van haar mag worden verlangd dat zij jegens degenen die van haar diensten gebruikmaken (zogenoemde “merchants”), waaronder [geïntimeerde], op zorgvuldige wijze omgaat met hun belangen en aan hen de toegang tot die diensten niet ontzegt op grond van onvoldoende concrete verdenkingen, zeker als die – zoals in het onderhavige geval – mede verband houden met de bestemming van de aangeboden vliegreizen en (mogelijk tevens met) de etnische achtergrond van de doelgroep van [geïntimeerde]. Het hof wijst er in dit verband op dat noch Turkije noch Marokko voorkomt op de door de Europese Commissie vastgestelde lijst van zogenoemde artikel 9 (van de Vierde Anti-witwasrichtlijn) hoog-risicolanden.
Zoals de voorzieningenrechter terecht overweegt is een te hoog risicoprofiel zoals door Mollie gedefinieerd van toepassing op een groot aantal reisorganisaties en vliegmaatschappijen en in zoverre in beginsel als toetsingsmaatstaf onbruikbaar. Dat geldt ook voor het feit dat [geïntimeerde] in het kader van haar bedrijfsvoering (als reisorganisatie/touroperator) van de diensten van Mollie gebruik maakt voor buitenlands betalingsverkeer.
Mollie heeft onvoldoende moeite gedaan zich in de argumenten van de benadeelde ondernemer te verdiepen (3.4.3) en beroept zich ten onrechte op de Leidraad Wwft van DNB:
Waar zij zich ter verdediging van haar beleid beroept op de Leidraad Wwft van De Nederlandsche Bank verliest Mollie uit het oog dat het, blijkens het voorwoord daarvan, om een juridisch niet bindend document gaat dat geen rechtsgevolg beoogt.
Mollie heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de ondernemer (3.5.2-3.5.3). Op de zitting kwam de betaaldienstverlener met het zielige verhaal dat de Wwft zo duur is (3.5.3):
Mollie heeft ter zitting in hoger beroep nog gewezen op de kosten die verbonden zijn aan het doorlopend monitoren van de financiële transacties van klanten, maar heeft deze kosten wat [geïntimeerde] betreft niet concreet onderbouwd laat staan voldoende aannemelijk gemaakt dat haar dienstverlening daardoor niet op rendabele wijze zou kunnen plaatsvinden.
Het hof concludeert:
dat niet valt aan te nemen dat Mollie, gegeven de omstandigheden, een voldoende legitiem belang had bij beëindiging van de relatie op de in de (standaard) gebruiksovereenkomst bedongen relatief korte termijn

