Incompleet CCV-onderzoek naar Wwft-naleving door makelaars

In opdracht van Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) werd onderzoek gedaan naar de Wwft-naleving door makelaars, wat leidde tot een rapport opgesteld door M. Cassée en M. Prinsen [1]. Het is jammer dat het onderzoek zo’n beperkte opzet had. De bevindingen zijn slechts gebaseerd op 23 interviews.

Ook blijken de twee onderzoekers niet te weten dat het cliëntenonderzoek van de Wwft voor makelaars meer inhoudt dan identificatie (juridisch: identificatie en verificatie van de identiteit) van de verkoper en koper van vastgoed.

Incomplete beschrijving cliëntenonderzoek
In de beschrijving in paragraaf 2.2.1 wordt begonnen met de opmerking dat het cliëntenonderzoek bestaat uit identificatie (tweede volzin). Volgens paragraaf 3.3.2 bestaat het cliëntenonderzoek alleen uit identificatie.
Een en ander terwijl op incomplete wijze uit paragraaf 2.2.1 (te weten de eerste en tweede alinea van pagina 11) blijkt dat er meer moet gebeuren (dat moet de lezer dan maar raden), want er moet een risicoprofiel zijn dat onder meer wordt gebaseerd op de ‘maatschappelijke omgeving‘ (kan een makelaar daar achter komen bij een consument?). Uit de laatste zin van de tweede alinea van pagina 12 blijkt dat gekeken moet worden naar de herkomst van de middelen waarmee de koper de aankoop financiert.

Er is een groot verschil tussen bij het cliëntenonderzoek bij natuurlijke personen en het onderzoek bij organisaties en ondernemingen. Daar wordt geen aandacht aan besteed. Bij organisaties en ondernemingen zal heel veel moeten gebeuren, degenen die de witwasbestrijdingsliteratuur volgen weten wat dat is. Voor mij is de vraag of mkb-ondernemers, zoals makelaars, daartoe praktisch wel in staat zijn, als ze de juridische verplichtingen al begrijpen.

Stellen makelaars  risicoprofielen op, hoe zien deze er uit, en hoe is het gesteld met hun kennis van criminaliteit (want dat is nodig om te kunnen vermoeden dat sprake is van criminele voordelen, die in het vastgoed worden gebruikt en verhuld).

Witwassen is simpel gezegd ieder financieel voordeel dat voortvloeit uit welke criminaliteit dan ook.

Het cliëntenonderzoek is in theorie de basis voor de meldplicht. De veronderstelling van de internationale en Nederlandse wetgever is dat op basis van het cliëntenonderzoek een makelaar aanwijzingen kan hebben dat sprake is van witwassen of terrorismefinanciering. Zulke aanwijzingen horen te leiden tot een melding aan FIU-Nederland, als een ‘ongebruikelijke transactie’.

Als op pagina 16, laatste alinea, wordt gesproken over een kennistekort, dan heeft dat met name op het cliëntenonderzoek betrekking en – anders dan de auteurs lijken te denken – niet op de meldplicht. Een en ander werkt door in de rest van het rapport, bijvoorbeeld in het experiment dat in paragraaf 3.1 wordt beschreven [2].

Meldplicht onder dreiging
Het is mooi dat de wetgever de makelaar dreigt met “betrokkenheid” bij witwassen (want als je niet meldt ben je zelf ook een witwasser, is de redenering) [3], maar goede wetgeving begint met het stellen van haalbare eisen aan ondernemers.
De auteurs geven een uitgebreide uiteenzetting over de meldplicht (paragraaf 2.2.2) en over de verplichting om de naleving van de Wwft te bewijzen (paragraaf 2.2.4), die veel korter had kunnen zijn, omdat de problemen van makelaars met de Wwft naar mijn indruk vooral verband houden met het cliëntenonderzoek.

Bewuste en onbewuste medewerking (facilitator-frame)
De problematiek van de bewuste en onbewuste medewerking aan criminaliteit wordt niet apart behandeld. Voor mij is het de vraag of het zin heeft om met de Wwft ondernemers aan te pakken die welbewust criminelen helpen, daar is het strafrecht voor. Wellicht dat de wetgever het wel makkelijk vindt om de maffiamaatjes via het bestuursrecht te bestrijden, omdat de rechtsbescherming minder goed is.
Ook bij makelaars is het onderscheid bewust/onbewust van groot belang, want juist de niet-criminele makelaars zitten met de vraag of er iets gemeld moet worden (criminele makelaars melden gewoon niet).

Verwarring
Niet verrassend is dat makelaars tobben met de regelgeving, zoals uit de eerste alinea van paragraaf 2.3.2 blijkt. Het is jammer dat de auteurs een kennistekort signaleren (pagina 16, laatste alinea), maar zich niet afvragen of de Wwft überhaupt wel te begrijpen is voor makelaars [4]. Nu de stap van de uitvoerbaarheid van de wet en het cliëntenonderzoek worden overgeslagen, hangt het hoofdstuk over de meldplicht in de lucht. Dat laat overigens onverlet dat makelaars ‘geen zin’ in melden kunnen hebben.
Paragraaf 3.3 is illustratief over de verwarring die zowel bij de makelaars als bij de auteurs van het rapport heerst: de makelaars tobben met wat dan wel een ongebruikelijke transactie is, denken dat het cliëntenonderzoek tot identificatie beperkt is en dat de notaris veel beter in staat zou zijn ongebruikelijke transacties te signaleren (terwijl ik zou veronderstellen dat de notaris veel minder kennis van de vastgoedmarkt heeft).

Irritatie cliënten
Dat het onderzoek naar ongebruikelijke transacties irritatie bij cliënten van Wwft-plichtigen oproept, is niet alleen bij banken aan de orde van de dag. Consumenten hebben geleerd dat ze recht op privacy hebben en dat de AVG bestaat en vragen zich af waar ondernemers waar ze zaken mee doen de brutaliteit vandaan halen om privévragen te stellen. Ook de cliënten van makelaars zijn geërgerd als de makelaar, als hulpje van de politie, voor de transactie niet-relevante vragen stelt, zo volgt uit paragraaf 3.4.1.

Bang voor repercussies
Net als notarissen zijn makelaars bang voor repercussies als ze een ongebruikelijke transactie melden (onder het vreemde kopje ‘anonimiteit’). Een van de onderwerpen waar in het kader van de Wwft niet over is nagedacht, is dat het voor grote organisaties als banken makkelijker is om meldingen bij FIU-Nederland te doen zonder consequenties voor bepaalde mensen.

Incomplete conclusies en aanbevelingen
Aangezien de Wwft niet compleet is weergegeven, zijn de conclusies en aanbevelingen (paragraaf 3.6, hoofdstuk 4) eveneens incompleet, onder meer:

  • Er is een kennistekort op het gebied van de regelgeving in het algemeen (paragraaf 4.1). Maar de vraag is of dat kennistekort wel is op te heffen.
  • Ten onrechte veronderstellen de auteurs dat het inschatten van witwassen en terrorismefinanciering op mensenkennis gebaseerd zou kunnen worden (aanhef paragraaf 4.3). Als de overheid al zo’n moeite heeft met het ontdekken van witwassen, kan je niet van makelaars verwachten dat zij het beter kunnen. Ook is daarvoor nodig dat makelaars de ontwikkelingen op het gebied van vastgoedcriminaliteit precies kunnen volgen, wat mij niet haalbaar lijkt. Dus vlieg een en ander branchespecifiek en haalbaar aan.
  • Er wordt gesproken over te weinig urgentie (paragraaf 4.2). Naar mijn mening zou het beter zijn om het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft veel specifieker te maken en makelaars gericht te scholen op vastgoed-specifieke omstandigheden. Hier speelt ook dat in het rapport ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen het optreden in consumententransacties en de overige activiteiten, proportionaliteit speelt hier ook een rol.

Tot slot
Het is positief dat er een branchegericht onderzoek is gehouden door auteurs die niet een eigen politiek belang hebben bij de Wwft-naleving, zoals de Wwft-toezichthouders soms hebben [5].
Het zou goed zijn als bij toekomstige onderzoeken naar branches de Wwft compleet aan de orde komt, inclusief de vraag of de wet haalbaar en uitvoerbaar is voor de desbetreffende groep ondernemingen.

Noten
[1] Rapport Meldingsbereidheid makelaars, onderzoek naar de factoren die de meldingsbereidheid van makelaars beïnvloeden bij het melden van ongebruikelijke transacties, door M. Cassée en M. Prinsen, dat hier is te vinden.
[2] Helaas zijnde vier fictieve situaties niet aan het rapport toegevoegd, zodat ik ze niet kon beoordelen.
[3] Zie in paragraaf 2.2.2 de bekende zinsnede waarmee ondernemers worden gedreigd, “Niet melden kan tot consequentie hebben dat een makelaar meewerkt aan witwassen en dat hierdoor mogelijk ongewenste personen toegang krijgen tot het financiële stelsel. Niet melden is een economisch delict en is strafbaar gesteld in de Wet Economische Delicten“. Zie ook de laatste bullet van paragraaf 2.3.1 over reputatieschade als methode om ondernemers tot naleving te dwingen. Dat is de reden dat naming & shaming in het financiële recht zo populair is bij de wetgever. Verder wordt de naleving bevorderd door controle, aldus paragraaf 3.5, naar ik aanneem door het bureau van de Belastingdienst.
[4] De auteurs lijken het gelet op de beschrijving van het cliëntenonderzoek zelf ook niet goed te begrijpen.
[5] De uitingen van een Wwft-toezichthouder als DNB zijn sterk politiek gekleurd.

 


Aanvulling 18 mei 2020
Het rapport wordt door FIU-Nederland aangekondigd.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/ ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Financieel recht, onder meer Wft, Wtt, Fraude, witwasbestrijding, Wwft en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s