In het rapport ‘Een kwetsbaar ambt’, dat aan de Tweede Kamer werd gezonden, wordt door een onderzoeksteam geschreven over de relatie tussen (georganiseerde) criminaliteit en decentrale volksvertegenwoordigers en het bredere vraagstuk van oneigenlijke druk op decentrale volksvertegenwoordigers.
Het is een perceptie onderzoek, gebaseerd op literatuur en gesprekken met betrokkenen:
Het onderzoek is uitgevoerd door middel van een beknopte literatuurstudie en 39 interviews met betrokkenen, waaronder burgemeesters, commissarissen van de Koning, dijkgraven/watergraven, griffiers en overige betrokken ambtenaren, medewerkers van RIEC’s/LIEC, vertegenwoordigers van politie, het OM en de rijksrecherche, vertegenwoordigers van overkoepelende belangenorganisaties, medewerkers van lokale en landelijke politieke partijen en experts, met name wetenschappers. Door deze groep hebben we een breed overzicht van kwetsbaarheden en risico’s kunnen vaststellen, maar het is eveneens goed te benadrukken dat deze groep niet representatief is voor alle decentrale overheden in Nederland.
Niet de volksvertegenwoordigers zijn het hoogste risico | PEP-concept klopt niet
Opvallend is dat in de samenvatting van het rapport over decentrale volksvertegenwoordigers wordt gemeld dat het niet de volksvertegenwoordigers zijn die het belangrijkste risico lopen.
Dat wijkt af van de veronderstelling achter de ‘Politiek prominente persoon’ (PEP) in de privatisering van de criminaliteitsbestrijding (‘witwasbestrijding’); daar wordt verondersteld dat alle leden van de Tweede Kamer en Eerste Kamer (zonder onderscheid) een hoog criminaliteitsrisico vormen.
Lees deze passage uit het rapport over decentrale volksvertegenwoordigers:
De meeste respondenten zien decentrale volksvertegenwoordigers niet als de grootste risicogroep. Zij waarschuwen vooral voor ondermijning van en oneigenlijke druk op ambtenaren en leden van het dagelijks bestuur, zoals wethouders. Deze (doel)groepen zouden over meer (vertrouwelijke) informatie beschikken, zelfstandig of via het dagelijks bestuur op voor criminelen relevante terreinen beslissingen nemen of belangrijk zijn in de ‘voorfase’ van besluiten.
Dit lijkt me leerzaam voor de beleidsmakers van de privatisering van de criminaliteitsbestrijding (‘witwasbestrijding’).
Mij lijkt dat in de witwasbestrijding FIOD-rechercheurs en medewerkers van RIEC’s/LIEC als ‘PEP’ moeten worden aangemerkt vanwege hun kennis van criminele mogelijkheden en dat leden van Eerste en Tweede Kamer kunnen worden verwijderd uit de lijst.
Aanbevelingen
In de conclusie van het rapport wordt aangeraden breder te kijken dan alleen relaties met criminelen:
Veel van onze respondenten waarschuwen voor gevallen van oneigenlijke druk op volksvertegenwoordigers. De belangen die daarachter zitten, kunnen particulier, privaat, maar ook crimineel zijn. Zij geven aan dat het van belang is om niet (alleen) te kijken naar de relatie tussen (georganiseerde) criminaliteit en decentrale volksvertegenwoordigers, maar naar het bredere vraagstuk van oneigenlijke druk en te zorgen dat decentrale volksvertegenwoordigers zonder dergelijke invloed van derden hun werk kunnen doen. (…)
Als volksvertegenwoordigers onder oneigenlijke druk van derden besluiten nemen, staat het functioneren van de hele lokale democratie onder druk. Het kan leiden tot een daling van de effectiviteit, efficiëntie en legitimiteit van het lokaal bestuur, het vertrouwen in het bestuur wordt aangetast met mogelijk een afname om te participeren en een afschrikkende werking om zelf volksvertegenwoordiger te worden tot gevolg. Het belang van de aanpak van oneigenlijke druk en ondermijning is daarom niet te verwaarlozen groot.

