Uitspraak Hoge Raad over afboekingen van bankrekening zonder toestemming

In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of de bank de schade van de klant moet vergoeden, als zonder toestemming van die klant bedragen werden afgeboekt.

Tijdens het winterverblijf in Spanje van de klant (die geen gebruik maakte van internetbankieren), ik noem hem hier ‘X’, is op zijn naam een PayPal account aangemaakt, die aan zijn betaalrekening werd gekoppeld. Daarna werden bedragen van de spaarrekening naar de betaalrekening overgemaakt en deed de onbekende (vermoedelijk de stiefzoon) vervolgens op kosten van X boodschappen die via het PayPal account werden betaald en van de betaalrekening van X werden afgeschreven (in totaal € 25.988,27). X ontdekte dit pas na terugkeer en meldde dit toen onmiddellijk aan ING Bank.

Opmerkelijk is dat de onbekende de bank heeft gebeld en controlevragen heeft beantwoord, want ING Bank schreef aan de advocaat van X:

De overboekingen van de spaarrekeningen naar de betaalrekening hebben plaatsgevonden via de Klantservice.
De opdrachten tot deze boekingen zijn telefonisch gedaan na het beantwoorden van een aantal controlevragen.

ING Bank weigerde de schade te vergoeden en stelde dat X nalatig was geweest, waarna de zaak aan de rechter werd voorgelegd. X verloor de eerste instantie maar krijgt in hoger beroep gelijk. Het gerechtshof overweegt dat vaststaat dat X de overboekingen niet heeft gedaan en oordeelt dat hij ook niet nalatig is geweest.

De Hoge Raad gaat in de cassatie uitspraak uitgebreid op de systematiek in, onder meer:

Volgens art. 7:526 BW (art. 58 PSD1) verkrijgt een betaaldienstgebruiker die bekend is met een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie waarvoor hij de betaaldienstverlener aansprakelijk kan stellen, alleen rectificatie van zijn betaaldienstverlener indien hij hem onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum waarop zijn rekening is gedebiteerd, kennis geeft van de bewuste transactie.
Indien een betaaldienstgebruiker ontkent dat hij met een uitgevoerde betalingstransactie heeft ingestemd, is zijn betaaldienstverlener ingevolge art. 7:527 lid 1 BW (art. 59 lid 1 PSD1) gehouden het bewijs te leveren dat de betalingstransactie is geauthenticeerd, juist is geregistreerd en geboekt en niet door een technische storing of enig ander falen is beïnvloed. Het feit dat het gebruik van een betaalinstrument door de betaaldienstverlener is geregistreerd, vormt volgens art. 7:527 lid 2 BW (art. 59 lid 2 PSD1) niet noodzakelijkerwijze afdoende bewijs dat met de betalingstransactie door de betaler is ingestemd of dat de betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van art. 7:524 BW niet is nagekomen.
Ingevolge art. 7:528 lid 1 BW (art. 60 lid 1 PSD1) betaalt de betaaldienstverlener in geval van een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terug.

De omstandigheid dat de bewuste betaalopdrachten zijn verleend overeenkomstig de tussen de betaler (X) en de betaaldienstverlener (ING Bank) overeengekomen vorm en procedure en dat de betalingstransacties juist zijn geauthenticeerd, staat er volgens de Hoge Raad niet aan in de weg dat deze betalingstransacties worden aangemerkt als niet toegestaan.

Ook het standpunt van de bank dat zij te laat zijn geïnformeerd wordt door de Hoge Raad besproken. Daarbij wordt overwogen dat een betaaldienstgebruiker die consument is, niet verplicht is om zijn bankafschriften direct na ontvangst te controleren. Betrokkene moet dat zo snel als in de omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is doen, wat hier is gebeurd.

In een en ander ligt als oordeel van het hof besloten dat het feit dat [verweerder] pas na terugkomst uit Spanje zijn afschriften heeft gecontroleerd, in de omstandigheden van het geval niet als grove nalatigheid moet worden aangemerkt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

 

Meer informatie: Hoge Raad 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:749

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/ ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Contractenrecht, privaatrecht algemeen, Financieel recht, onder meer Wft, Wtt en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s