Geen automatische bestuurdersaansprakelijkheid als stichting factuur niet betaalt

Over bestuurdersaansprakelijkheid wordt veel geprocedeerd en vaak komt de vraag aan de orde of het niet betalen van een factuur door een rechtspersoon die op een later moment insolvent blijkt te zijn, betekent dat de statutair bestuurder iets te verwijten valt. Dat aansprakelijkheid geen automatisme is, zet het hof ‘s-Hertogenbosch op een rij in een uitspraak die eind mei is gewezen.

Selectieve betaling

5.10. Selectieve betaling van schuldeisers is op zichzelf niet onrechtmatig tegenover de schuldeiser die geen betaling heeft ontvangen, anders dan de rechtbank lijkt te hebben aangenomen. Er bestaat immers geen algemene regel op grond waarvan een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij niet rekening houdt met eventuele preferenties. Het staat (een bestuurder van) een vennootschap – dan ook – in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan (vgl. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654, rechtsoverweging 4.1.2). Dit uitgangspunt is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:576, rov. 3.5.1). Het uitgangspunt wordt wel aangeduid als de betaalautonomie van het bestuur.

5.11. De betaalautonomie houdt beleidsvrijheid in, maar wel binnen de grenzen van een behoorlijk bestuur. Een eigen afweging die een redelijk oordelende bestuurder met de voor het bestuur van de desbetreffende rechtspersoon vereiste bekwaamheden in de gegeven omstandigheden nimmer zou hebben gemaakt, overschrijdt deze grenzen. De eigen afweging van de bestuurder om te bepalen welke schuldeisers wel en niet worden voldaan, is dus niet aan elke toets is onttrokken. Welke eisen in dat verband aan de eigen afweging van de bestuurder en het verantwoorden daarvan kunnen worden gesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval.

5.12. In het zicht van het beëindigen van de activiteiten van een onderneming, met name bij insolventie, kan deze vrijheid van de rechtspersoon en de bestuurder beperkter zijn.
Dit geldt dan met name voor de keuze om wel betalingen te doen aan schuldeisers die aan de rechtspersoon zijn gelieerd of waarbij de bestuurder een persoonlijk belang heeft, maar niet aan andere schuldeisers, indien deze keuze niet door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd (HR 12 juni 1998, ECLI: NL: HR: 1998: ZC2669, rov. 3.4.3; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, rov. 3.5.2).

Het hof concludeert dat in de omstandigheden van de zaak geen sprake is van verwijtbaar gedrag door de statutair bestuurder en dat het uitbesteden van activiteiten aan een medewerker (een arts/medisch directeur) niet tot gevolg heeft dat de bestuurder iets is te verwijten.

Het geeft aan dat dit soort aansprakelijkheidszaken goed voorbereid moeten worden, om kans van slagen te hebben.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Rotterdam, telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: https://ellentimmer.com/ || modernisering ondernemingsrecht: http://flexbv.wordpress.com/ ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Bestuurdersaansprakelijkheid, Contractenrecht, privaatrecht algemeen, Rechtspersonenrecht, Stichting en vereniging. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s