Verkoop van een bv aan een bv-fraudeur is riskant voor de verkoper

Verkoop van een bv aan een bv-fraudeur kan riskant zijn voor de verkoper, zo blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 25 januari 2012. Zelfs al is de verkoper niet van de slechte intenties van de koper op de hoogte, door zich onvoldoende in de intenties van de koper te verdiepen heeft verkoper het risico genomen dat de bv in handen van een fraudeur zou komen, aldus de Rechtbank.

In die zaak was een bv, Sveba B&W, aan een bv-fraudeur verkocht.  Een schuldeiser stelde de voormalige bestuurder van Sveba B&W aansprakelijk, alsmede de directeur van die bestuurder. Volgens de schuldeiser had de bestuurder de onderneming van Sveba B&W overgedragen aan een derde terwijl de bestuurder wist, althans behoorden te weten, dat de onderneming onder het nieuwe eigenaars- en bestuurdersschap zou worden leeggehaald ten detrimente van haar crediteuren. De bestuurder voert verweer.

De Rechtbank vindt er het navolgende van, waarbij ik belangrijke passages  zelf heb onderstreept:

4.5.  Partijen hebben aldus een debat gevoerd over de (geobjectiveerde) wetenschap van Sveba Beheer en [B] met betrekking tot de intenties van Vitalis en [C] met de onderneming van Sveba B&W.
Vooropgesteld wordt dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat gedaagden daadwerkelijk wetenschap hebben gehad van kwade intenties van Vitalis en [C] jegens de overgenomen crediteuren van Sveba B&W. [A] heeft er weliswaar op gewezen dat ten tijde van de overdracht van de onderneming uit via internet te kennen faillissementsverslagen kenbaar was dat [C] reeds op dubieuze wijze bij een aantal faillissementen was betrokken geweest, maar – waar gedaagden gemotiveerd betwisten dat zij hiervan kennis hebben genomen – acht de rechtbank dit gegeven onvoldoende om aan te kunnen nemen dat gedaagden hebben geweten dat Vitalis c.q. [C] niet van plan was de openstaande facturen van [A] te voldoen.
Wel kan worden aangenomen dat gedaagden, die het reilen en zeilen van Sveba B&W volledig bepaalden en dus ook de volle verantwoordelijkheid over de bedrijfsvoering hadden, zich kennelijk geen enkele moeite hebben getroost om zich ervan te vergewissen dat Vitalis en [C] daadwerkelijk de bedoeling hadden om de onderneming van Sveba B&W weer vlot te trekken en voort te zetten, althans de bedoeling hadden om die onderneming af te wikkelen op zodanige wijze dat de belangen van de crediteuren zouden worden gerespecteerd. Het enige wat gedaagden hieromtrent hebben aangevoerd, is dat zij de onderneming, die een neergaande lijn vertoonde doch nog voldoende liquide middelen had voor de korte termijn, wilden beëindigen, en dat zij haar na een korte onderhandelingsperiode hebben overgedragen aan een via een advertentie uit de krant gekende rechtspersoon. Gedaagden hebben niets gesteld over een (begin van een) door hen gepleegd onderzoek naar de achtergrond van Vitalis en [C], noch over een (begin van een) onderzoek naar de commerciële motieven van Vitalis en [C] met een onderneming zoals Sveba B&W. In aansluiting op dat laatste punt is van belang dat gedaagden de condities waaronder de overdracht van de onderneming plaatsvond niet nader hebben willen toelichten, hetgeen gelet op het door [A] geuite vermoeden dat de aandelen voor een symbolisch bedrag van de hand zijn gedaan wel voor de hand had gelegen. Gedaagden wisten naar eigen zeggen niet eens van waaruit de onderneming voortaan zou gaan opereren, terwijl zij wel wisten dat nog naleveringen van [A] zouden plaatsvinden en dat nog facturen van [A] openstonden (zij het dat de betalingstermijn daarvan nog niet was verstreken). Gedaagden hebben pas na de overname, toen [A] op betaling van de facturen aandrong, [A] van de overname en het nieuwe correspondentieadres van Sveba B&W in kennis gesteld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan in de gegeven omstandigheden het standpunt van gedaagden dat zij erop mochten vertrouwen dat de koper het nieuwe adres van de onderneming aan [A] bekend zou maken niet als juist worden aanvaard.
Als vaststaand moet dan ook worden aangenomen dat gedaagden zich koud van Sveba B&W hebben ontdaan door de aandelen over te dragen aan een voor hen onbekende rechtspersoon die zich aanbood als koper van vennootschappen, en dat zij daarmee bewust het risico op de koop toe hebben genomen dat de onderneming in handen zou komen van iemand die niet van zins was de nog verschuldigde facturen van [A] (die betrekking hadden op reeds beëindigde bedrijfsactiviteiten) te voldoen. Hiermee hebben gedaagden zich bij de overdracht van de aandelen de belangen van [A], als crediteur van Sveba B&W, onvoldoende aangetrokken. Gedaagden stellen in dit kader nog dat een verkoper van aandelen niet is gehouden om zich ervan te verzekeren dat het nieuwe bestuur onder de nieuwe eigenaar zal blijven voldoen aan alle op de vennootschap bestaande vorderingen, maar in dit geval hebben zij zich van het andere uiterste bediend door zich in het geheel niet te bekommeren om de consequenties van de overdracht van de onderneming voor haar crediteur [A]. Dat handelen c.q. nalaten van gedaagden is in het licht van de hiervoor onder 4.3 a t/m i aangehaalde omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank zodanig onzorgvuldig dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Gedaagden zijn uit dien hoofde op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk aansprakelijk voor de door [A] geleden schade, [B] via artikel 2:11 BW.

4.6.  Het onder 4.5 bedoelde risico dat Sveba B&W in handen kwam van een (rechts)persoon die de belangen van de crediteuren niet naar behoren zou behartigen, heeft zich, zo moet worden aangenomen, ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Gesteld noch gebleken is immers dat Vitalis en/of [C] enige activiteit hebben ontplooid die was gericht op normale voortzetting van de onderneming dan wel op een correcte afwikkeling daarvan. Integendeel, [C] is een faillissementsfraudeur gebleken en uit de van de curator verkregen informatie (zie onder 2.18), blijkt ook dat Sveba B&W/Svalan is leeggehaald en dat de administratie verdwenen is. Van belang is verder dat uit de stellingen van gedaagden zelf voortvloeit dat Sveba B&W, wanneer de vennootschap niet aan Vitalis zou zijn overgedragen, wel verhaal zou hebben geboden. Voor zover gedaagden stellen dat niet gegarandeerd was dat de vordering van [A] zou zijn voldaan indien de onderneming niet was overgedragen omdat er immers sprake van betalingsonwil zou kunnen zijn, wordt aan die stelling voorbijgegaan. Deze stellingname is onbegrijpelijk in het licht van het betoog van gedaagden dat Sveba B&W onder hun bewind altijd, tot aan de aandelenoverdracht toe, een goede debiteur was en nooit betalingsonwil vertoonde.
De stelling van [A] dat zij schade heeft geleden ten bedrage van de onbetaald gelaten en als oninbaar te beschouwen facturen, is door gedaagden verder niet betwist, behoudens met betrekking tot de nageleverde zaken (de laatste drie facturen), waarover het volgende.

Het is dus oppassen geblazen bij de verkoop van vennootschappen!

Over Ellen Timmer

Weblog: https://ellentimmer.com/ ||| Microblog: https://mastodon.nl/@ellent ||| Motto: goede bedoelingen rechtvaardigen geen slechte regels
Dit bericht werd geplaatst in Bestuurdersaansprakelijkheid en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s