Onlangs is een rapport uitgebracht door de Nederlandse Beroepsorganisatie voor Accountants (NBA) onder de titel “De Raad van Commissarissen als opdrachtgever van de accountant“. Zie over dit rapport ook het bericht op accountant.nl. Dit rapport is zeer interessant omdat hier wordt geopereerd op het grensgebied van accountancy en ondernemingsrecht.
Civielrechtelijk ontstaat er een “overeenkomst van opdracht” tussen de accountant en diens wederpartij, vaak is dit de ‘gecontroleerde’ rechtspersoon. Civielrechtelijk is de rechtspersoon opdrachtgever. De rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door haar statutaire directie. Als een andere persoon (bijvoorbeeld een commissaris) optreedt als vertegenwoordiger van die rechtspersoon, wordt hij voor bestuursdaden gelijkgesteld met bestuurders. Voor de naamloze vennootschap verwoordt de wet het als volgt:
Allen, commissarissen of anderen, die, zonder deel uit te maken van het bestuur der naamloze vennootschap, krachtens enige bepaling der statuten of krachtens besluit der algemene vergadering, voor zekere tijd of onder zekere omstandigheden daden van bestuur verrichten, worden te dien aanzien, wat hun rechten en verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en van derden betreft, als bestuurders aangemerkt.
(artikel 151 boek 2 BW).
Vennootschapsrechtelijk is ook sprake van een vorm van opdrachtgeverschap, aangezien artikel 393 lid 1 boek 2 BW spreekt over het door de rechtspersoon verlenen van een opdracht aan de accountant. Lid 2 van hetzelfde artikel zegt vervolgens dat de algemene vergadering bevoegd is tot het verlenen van de opdracht, kennelijk heeft men hier een ander begrip “opdracht” op het oog dan in lid 1 van artikel 393 boek 2 BW. In lid 3 wordt vermeld dat de accountant omtrent zijn onderzoek verslag uitbrengt aan de raad van commissarissen en aan het bestuur.
Ik zal het rapport nog gaan lezen, maar wat ik nu al boeiend vind is de vraag of de rapporteurs het opdrachtgeverschap van artikel 393 lid 1 boek 2 BW op het oog hebben, dan wel het opdrachtgeverschap van artikel 393 lid 2 boek 2 BW. Of misschien is hier wel sprake van een vorm van opdrachtgeverschap gebaseerd op artikel 393 lid 3 boek 2 BW.
En gesteld dat een en ander zich (in theorie) uitsluitend binnen het kader van artikel 393 boek 2 BW beweegt, zou dan in de praktijk niet toch snel de situatie kunnen ontstaan dat de commissarissen civielrechtelijk de rechtspersoon vertegenwoordigen en dus op grond van artikel 151 boek 2 BW bestuurdersaansprakelijkheid naar zich toe halen? Wordt vervolgd!

