Het Franse constitutionele hof (le Conseil constitutionnel, ‘de Constitutionele Raad’) meldt dit in dit persbericht (Franstalig), waarvan ik geen vertaling aantrof. De uitspraak is op deze pagina te vinden.
Een machinevertaling van het persbericht levert het volgende op:
In zijn uitspraak over twee parlementaire verzoeken heeft de Constitutionele Raad artikel 1 van de wet vernietigd, waarin werd voorzien in een verbod op de toegang van minderjarigen jonger dan 15 jaar tot online sociale media. Hoewel de Raad opmerkt dat de grondwettelijke eis om het belang van het kind te beschermen en de doelstelling van grondwettelijke waarde om inbreuken op de openbare orde te voorkomen, een beperking van de vrije toegang van minderjarigen tot deze diensten kunnen rechtvaardigen, oordeelt de Raad dat de betwiste bepalingen enerzijds een onevenredige inbreuk vormen op de vrijheid van meningsuiting en communicatie en anderzijds niet voorzien in de wettelijke waarborgen die nodig zijn om het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te waarborgen.
In zijn uitspraak baseert de Raad zich in de eerste plaats op artikel 11 van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger van 1789, dat de vrijheid van meningsuiting en communicatie beschermt. Hij wijst op het belang dat deze vrijheden hebben gekregen voor de deelname aan het democratische leven en de uiting van ideeën en meningen, en herinnert eraan dat hieruit de vrijheid voortvloeit om toegang te hebben tot openbare online communicatiediensten en zich daarin te uiten.
Na eraan te hebben herinnerd dat „De wet de regels vaststelt betreffende … de fundamentele waarborgen die aan burgers worden toegekend voor de uitoefening van de openbare vrijheden”, herhaalt de Raad zijn principiële motivering ter zake, namelijk dat het de wetgever vrijstaat bepalingen vast te stellen die bedoeld zijn om misbruik van de vrijheid van meningsuiting en communicatie, dat de openbare orde en de rechten van derden schaadt, een halt toe te roepen. „[Deze vrijheid] is echter des te kostbaarder omdat de uitoefening ervan een voorwaarde is voor de democratie en een van de waarborgen voor de eerbiediging van andere rechten en vrijheden. Hieruit volgt dat inbreuken op de uitoefening van deze vrijheid noodzakelijk, passend en evenredig moeten zijn aan het nagestreefde doel”.
De Raad is echter van oordeel dat de wetgever, zonder afbreuk te doen aan de vrijheid van meningsuiting en communicatie, geen algemeen verbod kon instellen dat tot gevolg heeft dat minderjarigen de vrije toegang tot talrijke online communicatiediensten wordt ontzegd, zonder rekening te houden met de situatie van de minderjarige of met de risico’s die eigen zijn aan elk van deze diensten.
In het licht van deze grondwettelijke vereisten merkt de Raad op dat de wetgever met de vaststelling van deze wet de jongste minderjarigen heeft willen beschermen tegen de risico’s die bepaalde functies van online sociale netwerken voor hen inhouden, en dat hij daarmee de grondwettelijke vereiste van bescherming van het belang van het kind heeft willen naleven en het grondwettelijk doel van het voorkomen van inbreuken op de openbare orde heeft nagestreefd. Hij oordeelt dat dergelijke doelstellingen van dien aard zijn dat zij rechtvaardigen dat de wetgever de vrije toegang van minderjarigen tot deze diensten beperkt.
In dit verband merkt hij in de eerste plaats op dat het bij wet ingestelde verbod van toepassing kan zijn op onlinecommunicatiediensten waarvan de risico’s voor de gezondheid en veiligheid van minderjarigen niet zijn aangetoond. Het verbod is immers niet onderworpen aan enige voorwaarde met betrekking tot de aangeboden functionaliteiten of inhoud, de gevaren waaraan deze blootstellen en de ontoereikende beschermingsmaatregelen die ermee gepaard gaan, en de voorziene uitzonderingen zijn beperkt.
Ten tweede merkt hij op dat het voorziene verbod, dat geldt voor alle minderjarigen jonger dan vijftien jaar, geen aanleiding geeft tot een specifieke beoordeling van het risico voor de minderjarige, waarbij met name rekening wordt gehouden met zijn leeftijd, zijn mate van volwassenheid en zijn gezinssituatie. In dit verband voorziet de wet niet in de voorwaarden waaronder de houders van het ouderlijk gezag, in het belang van het kind, kunnen besluiten het verbod op te heffen, de reikwijdte ervan te beperken of toegang tot bepaalde diensten toe te staan.
De Raad is dan ook van oordeel dat artikel 1 van de wet een inbreuk vormt op de vrijheid van meningsuiting en communicatie die niet passend, noodzakelijk en evenredig is aan het nagestreefde doel.
Voorts herinnert de Raad eraan dat de in artikel 2 van de Verklaring van 1789 vastgelegde vrijheid het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer inhoudt.
Hij merkt op dat de wet, door de toegang van alle minderjarigen jonger dan vijftien jaar tot bepaalde online diensten te verbieden, op zichzelf impliceert dat elke persoon, zelfs meerderjarigen, zijn of haar leeftijd moet aantonen alvorens toegang te krijgen.
Aangezien de wetgever echter niet heeft vastgesteld onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen dit moet worden aangetoond, heeft hij geen wettelijke waarborgen voorzien die de naleving van deze grondwettelijke vereisten kunnen waarborgen.
Het is belangrijk dat dit Franse hof constateert dat de voorgeschreven leeftijdsverificatie er onherroepelijk toe leidt dat iedereen zich moet identificeren, met alle risico’s van dien. Onder meer leidt dit tot een nog grotere verspreiding van persoonsgegevens over de aardbol met alle veiligheidsrisico’s van dien.
Leeftijdsverificatie kan pas worden voorgeschreven (in geschikte situaties) als er een veilig identificatiesysteem bestaat. Dat is er nog nergens, ook niet in de EU (de EUDI-wallet is niet veilig). De volgorde is volledig verkeerd.

