De samenloop van het strafrecht en het civiele recht kan interessante fenomenen opleveren, zo illustreert dit bericht op Bijzonder Strafrecht over een uitspraak van de civiele rechter.
Iemand (“X”) liet onrechtmatig geld op zijn rekening bijschrijven (€ 34.266,54) en werd door de strafrechter veroordeeld voor verduistering. De bank probeerde het bedrag in de strafprocedure terug te krijgen, maar werd niet ontvankelijk verklaard. De strafrechter veroordeelde X tot een ‘ontnemingsmaatregel’, wat betekent dat de € 34.266,54 aan de Staat moet worden betaald. X trof een betalingsregeling met de Staat.
Vervolgens startte de bank zelf een procedure tegen X. X werd veroordeeld tot betaling van de € 34.266,54, verhoogd met rente en de proceskosten. Uit de uitspraak blijkt dat de bank zelf een ‘executoriale titel’ mag verwerven, om incassomaatregelen te kunnen nemen (die de betalingsregeling met de Staat kunnen doorkruisen). De rechter overweegt dat als X wordt veroordeeld om aan de bank te betalen, X zich op grond van het Wetboek van Strafvordering kan wenden tot de rechtbank die de ontnemingsmaatregel oplegde met het verzoek om te bevelen dat het door hem aan de bank betaalde bedrag in mindering wordt gebracht op hetgeen hij aan de Staat heeft betaald of nog dient te betalen.
Dus kan sprake zijn van drie uitspraken over hetzelfde onderwerp:
- de strafrechtelijke ontnemingsmaatregel,
- een civielrechtelijke veroordeling
- en vervolgens een correctie op de ontnemingsmaatregel.
De wetgever bezorgt de rechter hier veel werk!

