Het komt voor in Nederland: een rechterlijk oordeel gebaseerd op geheim bewijs. In de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 9 februari 2024 in een vreemdelingenzaak kwam dat aan de orde.
In deze zaak was sprake van een ambtsbericht van de AIVD dat geheim moest blijven [1]. De rechtbank heeft uitspraak gedaan en zich in de uitspraak uitgelaten over de onderliggende (geheime) stukken [2], waar de wederpartij in de procedure (de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid) niet blij mee was.
In deze uitspraak naar aanleiding van de klacht van de staatssecretaris wordt de vraag behandeld of de eerdere uitspraak vervallen moet worden verklaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat de eerdere uitspraak ambtshalve deels vervallen moet worden verklaard. Het herstellen van deze fout verandert verder niets aan de uiteindelijke beslissing van de rechtbank.
In overweging 7.2 wordt aandacht besteed aan de consequenties van geheim bewijs:
7.2. In de uitspraken van 11 mei 2022 [10] heeft de Afdeling de jurisprudentie die ziet op de beoordeling door de rechtbank van het ambtsbericht verder verduidelijkt. In deze uitspraken heeft de Afdeling een opdracht aan de rechtbanken gegeven voor de beoordeling van de onderliggende stukken. Omdat de vreemdeling niet zelf de onderliggende stukken kan inzien, verkeert die in dit soort zaken in een moeilijke bewijspositie. Dit is het logische gevolg van de toepassing van artikel 8:29 van de Awb [11]: de rechtbank mag het oordeel mede baseren op informatie die partijen niet kennen. Als partijen de rechtbank toestemming [12] hebben gegeven om kennis te nemen van de onderliggende stukken, is het daarom van belang dat de rechtbank extra zorgvuldig kennisneemt van de onderliggende stukken. De rechtbank dient erop toe te zien dat de in het ambtsbericht weergegeven informatie een representatief beeld geeft van het geheel van de in die onderliggende stukken besloten liggende informatie. Ook zal de rechtbank zoveel mogelijk moeten bezien in hoeverre de onderliggende stukken op zichzelf voldoen aan de daaraan in zijn algemeenheid te stellen betrouwbaarheidseisen, waarbij met name gedacht moet worden aan aspecten als consistentie, vermelding van bronnen van wetenschap en aanwijzingen van mogelijke bevooroordeeldheid of beïnvloeding van de informatiebron. Verder moeten de ingebrachte aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht in verhouding staan tot de bevindingen in die stukken. Naarmate de bevindingen in het ambtsbericht minder scherp omlijnd zijn, hoeven de concrete aanknopingspunten ook minder scherp omlijnd te zijn. Het zou immers niet in evenwicht zijn als de ingenomen stelling in het ambtsbericht een zekere mate van abstractie of algemeenheid vertoont, terwijl daarna de daarop uitgeoefende kritiek zou worden afgewezen omdat die onvoldoende concreet is. Deze uitspraken zien weliswaar op de beoordeling van individuele ambtsberichten die zijn opgesteld door Buitenlandse Zaken, maar naar het oordeel van de rechtbank zien zij ook op de ambtsberichten opgesteld door de AIVD. En wellicht nog wel meer omdat in het geval van ambtsberichten opgesteld door de AIVD de vreemdeling ook niet de beschikking heeft over onderliggende stukken, wat wel het geval is bij de individuele ambtsberichten van Buitenlandse Zaken waarbij onderdelen zijn weggelakt.
[10] ECLI:NL:RVS:2022:1360, r.o. 4.5 en ECLI:NL:RVS:2022:1267, r.o. 7.2.
[11] Algemene wet bestuursrecht.
[12] Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
Noten:
[1] De AIVD beriep zich op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De huidige tekst luidt:
Artikel 8:29
1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
6. Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.
[2] In de uitspraak staat hier over: “De rechtbank heeft geconstateerd dat zij zich in rechtsoverweging 8.8 heeft uitgelaten over de inhoud van de onderliggende stukken. De rechtbank heeft daar het oordeel aan verbonden dat de onderliggende stukken de conclusie dat eiser in 2021 een gevaar voor de nationale veiligheid is, niet kunnen dragen. In rechtsoverweging 8.9 heeft de rechtbank algemene overwegingen gewijd aan het door verweerder in het bestreden besluit niet bespreken van de door eiser aangedragen concrete aanknopingspunten. In deze overweging heeft de rechtbank ook een zin gewijd aan de inhoud van de onderliggende stukken.”
Aanvulling 17 april 2025
VAR | vereniging voor bestuursrecht is met geheim bewijs bezig geweest, zie De geheimen van artikel 8:29 Awb ontrafeld over de studiemiddag over artikel 8:29 van de Awb op 3 april 2025.

