Bij de Tweede Kamer is een interessant wetsvoorstel ingediend, onder de titel “Aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden“. In het wetsvoorstel wordt een nieuwe paragraaf in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgesteld, waarin is opgenomen dat degene die partij is bij een rechtsbetrekking inzage kan vragen (of een afschrijft of uittreksel kan verkrijgen) van bescheiden inzake die rechtsbetrekking. In het wetsvoorstel staat het als volgt:
§ 3a. Inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden
Artikel 162a
1. Degene die partij is bij een rechtsbetrekking, is gerechtigd tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden aangaande die rechtsbetrekking jegens degenen die deze bescheiden tot hun beschikking hebben, mits hij daarbij rechtmatig belang heeft. Degene die gerechtigd is tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden, draagt de met het verschaffen samenhangende kosten.
2. Degenen die de bescheiden tot hun beschikking hebben, zijn verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verschaffen, tenzij:
a. aan hen een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165, tweede lid, toekomt of een wettelijke geheimhoudingsplicht ten aanzien van die bescheiden bestaat; of
b. gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
3. Is degene die bescheiden tot zijn beschikking heeft een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en is diegene geen partij bij de rechtsbetrekking als bedoeld in het eerste lid, dan is hij niet verplicht inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden te verschaffen als hij op grond van de Wet openbaarheid van bestuur niet is gehouden de daarin vervatte informatie te verstrekken.
Vervolgens wordt in het voorstel geregeld hoe een verzoek aan de rechter kan worden voorgelegd en op welke wijze er over wordt beslist. De redenen voor dit voorstel worden in de memorie van toelichting vermeld, onder meer:
Die verduidelijking van het recht op afschrift biedt voordelen aan partijen. De tijdige opheldering van de feiten draagt bij aan een efficiëntere waarheidsvinding en stelt partijen in staat zich zo goed mogelijk op een procedure voor te bereiden. Partijen kunnen zo een procedure efficiënter voeren. De verwachting is gerechtvaardigd dat (potentiële) partijen procedures op basis van een feitelijk goed gefundeerde inschatting kunnen voorkomen, althans in een vroegtijdig stadium kunnen beëindigen als zij kunnen beschikken over alle relevante informatie. Bijgevolg biedt het voorgestelde recht op afschrift van bescheiden ook voordelen aan de rechtspraak: verhoging van efficiency, betere stroomlijning, versnelling en kostenbesparing. Vermoedelijk kan de rechter ook kwalitatief gezien betere uitspraken doen als de feiten duidelijk zijn. Hoewel de procedure strekkende tot informatieverschaffing in civiele zaken door de bank genomen vooral een dienende functie heeft, kan de procedure onder omstandigheden ook een zelfstandig karakter bezitten.
Het onderhavige wijzigingsvoorstel dient verder de «equality of arms». Voorkomen wordt dat een informatie asymmetrie ontstaat doordat de ene partij wel en de andere partij ten onrechte niet beschikt over informatie die voor de beoordeling van het geschil relevant is. Daarmee draagt het wetsvoorstel bij aan het in artikel 6 van het EVRM tot uitdrukking gebrachte beginsel van een «fair trial», waarvan de «equality of arms» onderdeel uitmaakt.
Deze uitbreiding van mogelijkheden is voor de procespraktijk van groot belang. De parlementaire behandeling is te volgen via het dossier op overheid.nl.

