Aldus prof. mr. J.M. van Dunné op 27 mei 2011, tijdens het in Rotterdam ter gelegenheid van zijn zeventigjarige leeftijd georganiseerde symposium.
Van Dunné is van mening dat ten onrechte algemeen wordt aanvaard dat de wetgever bij toepassing van artikel 6:258 BW tot terughoudendheid heeft gemaand, zodat het artikel in de praktijk nauwelijks wordt gebruikt. De wetsgeschiedenis geeft volgens hem aan dat er van terughoudendheid geen sprake hoeft te zijn. Wel zal het voor de rechter niet altijd mogelijk zijn om zelf aan te geven welke consequenties de onvoorziene omstandigheden voor de overeenkomst dienen te hebben. De rechter kan ook gebruik maken van de mogelijkheid om partijen de verplichting op te leggen om tot heronderhandeling over te gaan (dit kan ook heronderhandeling van de contractsprijs zijn).
Een goede contractenschrijver hoeft niet aan het leerstuk van “onvoorziene omstandigheden” toe te komen als hij aanpassings- of heronderhandelingsclausules in de overeenkomst opneemt. Een goede considerans is van groot belang om op een later tijdstip te bepalen of sprake is van onvoorziene omstandigheden (maar kan ook helpen als beroep op dwaling wordt gedaan).
Geconcludeerd kan worden dat er bij geschillen over contracten altijd dient te worden nagegaan of een beroep op “onvoorziene omstandigheden” kan worden gedaan, eventueel als alternatief voor dwaling of redelijkheid en billijkheid.

